Van wie is dat wild eigenlijk?
1979-10-19
In en vorig artikel vertelde ik, dat ik eens een schot loste op een konijntje en dat ik deswege "moordenaar" werd gescholden. De vraag rijst: is het schot op een konijn legaal of is het moord? En meteen komt de tweede vraag in het zicht: van wie is dat wild eigenlijk?- Jaargang 23
- nummer 39
Laten we beginnen met wat voor handen ligt, de wet op het jagen in Nederland. Die wet verleent het genot van de jacht aan mensen, die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Tot die voorwaarden behoren met name: het bezitten van een jaarlijkse jachtacte, het bezit van jachtrecht op tenminste veertig hectare gehuurde of eigen grond per jager en het zich houden aan de wettelijke termijnen. Voor de Jacht op konijnen, voorheen tot schadelijk wild gerekend, nu tot "ander wild" verklaard, geldt geen tijdsbeperking; daarom legt de jager zichzelf aan banden van "weidelijkheid", jachtfatsoen; hij spaart de konijnen in de barre tijd en in de tijd, dat er jongen worden gevoed.
Aangezien ik bij het gewraakte schot in het bezit was van een jachtacte, het jachtrecht op de betrokken grond had verworven en de jacht buiten de "schoon tijd" viel, was het schot op een konijntje geheel legaal, immers overeenkomstig de gegeven jachtwet. Het woord "moordenaar"hoe begrijpelijk ook in de mond van onnadenkende mensen, die vooral de publiciteitsmedia en de natuurbeschermingsmode napraten - was dus ten onrechte.
Daarmee zijn we toe aan de hamvraag: van wie is dat wild eigenlijk?
Ook die vraag willen we voorlopig aan de gangbare wetten toetsen; daarna komen we wel tot de achtergronden.
De jachtwet laat het eigendomsrecht van het in ons land levende wild fraai in het duister liggen. In sommige gevallen schijnt de grondeigenaar iets te mogen zèggen; soms te moeten zeggen. In andere gevallen schijnt alleen de overheid erover te mogen beschikken. In geval het wild -zich op omrasterd gebied bevindt gaat de jurisprudentie er van uit, dat het wild eigendom van de grondeigenaar is. In dat geval is dan ook stropen niet mogelijk - wel "diefstal" van wild. (Wat het risico van illegaal jagen alleen verhoogt.) In dat geval ook is schade, bijvoorbeeld wegens botsing met overstekend wild, te verhalen op de eigenaar van grond en wild.
Bij arrest van de Hoge Raad (maar dat is al haast 40 jaar oud) werd het wild “res nullius" verklaard; dat betekent het is van niemand. Dat is een moeilijke term, die dan ook vaak misverstaan wordt. Nog kort geleden schreef iemand in het periodiek van de Ned. Ver. tot Bescherming van Vogels, dat "res nullius" eveneens kan betekenen: het wild is van ons allemaal. Of ook: het wild is zijn eigen eigendom. Beide conclusies zijn in strijd met de woorden "res nullius". Wanneer het wild van niemand is betekent dat, dat het ook werkelijk van niemand is. Das ook niet van ons allemaal. Ook niet van zichzelf.
Daarmee is de kous zeker niet af. Want de overheid verleent aan zo'n zestigduizend mensen de wettelijke mogelijkheid, dus het recht, om dat wild op legale wijze te bemachtigen. En op het moment, dat een jager het wild op legale wijze heeft bemachtigd, wordt het zijn wettig eigendom.
Die jager kan nu eigendomsrechten doen gelden; neemt men hem zijn wild af dan is dat strafbare diefstal.
Wat wild binnen raster betreft: die is reeds 's jagers eigendom. Hij mag het ter plaatse en buiten de jachttermijnen schieten. Wie bijvoorbeeld een aantal damherten rondom zijn huis binnen raster houdt, kan naar eigen oordeel een willekeurig stuk doden, slachten en invriezen. Maar niet buiten zijn grond vervoeren zonder vervoersbewijs. En zo lang hij zich aan de regels van het jachtfatsoen houdt is hij geen moordenaar.
Integendeel: wie dat woord gebruikt komt voor de kadi.
Dat alles lag tot nu toe een beetje in de sfeer van de wettelijkheid. Maar er is natuurlijk veel meer over te zeggen voor mensen, die in hun handel en wandel met de wetten van God rekenen. Want al is Gods Woord geen wet- of handboek - het geeft terdege aan wat kan en niet kan.
In het eerste bijbelhoofdstuk lezen we al, dat God de mens het recht verleende te heersen over vissen, vogels en vee 1). Zelfs de opdracht om te heersen 2). In het derde hoofdstuk wordt al gesproken van dierenvellen; dieren werden gedood en benut 3). Zonder dat van moord sprake is. Van Abel (zijn naam betekent iets als "zacht") staat geschreven dat hij schaapherder werd, die vee doodde 4) - en God was van zijn vleesoffer gediend.
Wat zou het verschil zijn tussen vee en wild? Laten we zeggen: vee is gevangen en getemd wild. Goed? Even later gaf God de mens uitdrukkelijk het recht om alles wat leeft, vissen, vogels, zoogdieren, tot spijze te gebruiken 5). Voorzover een beperking tussen rein en onrein gedierte werd gemaakt, schijnt dat onderscheid later te zijn opgeheven 6).
Hoewel dit onderscheid meer bevat dan de les om naar reinheid te streven.
De bijbel gaf trouwens al eerder beperkingen. Bijvoorbeeld om bij het rapen van eieren de moeder, wanneer die op het nest bleef zitten, vrij te laten 7). De natuurlijke drang van de vogel, om in zijn nageslacht voort te leven, mocht niet worden misbruikt. Dat zou wijzen op verspilling van God's schepping. Het overdadig slachten en eten van Israël 8) in de woestijn is het volk Gods dan ook duur komen te staan.
Wanneer de Heere het gebruiksrecht van wild aan mensen verleende, is het zonneklaar dat Hij in feite de eigenaar is. De Heere God zei dan ook: van Mij is het gedierte in het woud, de beesten op duizend bergen, het gevogelte en het wild 9). Zoals van Hem het zilver en het goud is 10), zo is ook alle levend wild en vee Gods eigendom. Dat blijkt vooral, wanneer de mens door God gezegend is met "veel vee", een kapitaal bezit. Van Nineveh staat aan 'het slot van het boek Jona geschreven: 120.000 kinderen en veel vee. Het vee is in de bijbel een factor, die de Heere meetelt.
Als het volk in nood is zucht het vee 11). De Heere heeft gemaakt: de aarde, de mens en het vee en Hij geeft ze aan wie Hij wil 12). Dat "vele vee is met Zilveren goud en have het kapitaal van Israël 13) geweest. Job was gezegend met veel vee, onder meer met 7000 schapen 14). Koning Uzzia had eveneens veel vee 15). David had oversten over zijn have en zijn vee 16) en koning Salomo, die veel wijsheid optekende, schreef hoofdstukken over bosbouw, landbouw en veeteelt 17), als ook over ongetemd wild.
Wie de bijbel kent trof in het voorgaande weinig nieuws aan. Toch is de vraag naar het eigendomsrecht van dieren altijd door mensen gesteld.
Pascal gaf een wijze overweging, sprekende over het mijn en dijn: "die hond is van mij, zeiden arme kinderen, en die plaats in de zon is van mij".
"Ziedaar", vervolgde hij, "het begin en het beeld van het wederrechtelijk in bezit nemen van de gehele wereld" 18). Maar Pascal kende de bijbel dan ook voortreffelijk. Hij wilde blijkbaar zeggen: de mens, die vergeet wie rechtens eigenaar van hemel en aard is; misbruikt de schepping, zonder naar de Schepper te zien.
Wanneer vast staat dat God zichzelf eigenaar van alle geschapen leven verklaart, kan slechts de overheid, als zijn dienares, nadere regels geven.
Dat doet de overheid ten aanzien van ongetemd wild door middel van de jachtwet. Zij erkent dat het wild "res nullius" is: zonder Gods naam te noemen erkent zij dat geen mens eigenmachtig rechten kan doen gelden.
Met inachtneming van de belangen van land- en bosbouw en optredend als een goede rentmeester verleent zij aan jagers met mate het recht van jagen. En wie zich houdt aan deze regels en het geschoten wild dankbaar als een goede aanvulling van onze eiwitvoorraad gebruikt, kan bepaald niet als moordenaar worden gescholden, Ook al beleeft hij met volle teugen het genot van de jacht.
En laten we terloops nog even vaststellen, dat de Nederlandse overheid in haar faunabeheer voortreffelijk werk heeft verricht. Wie de opbouw in de jachtwetten van 1924, 1954 en 1977 waarneemt, ziet, dat wij bij de E.E.G.-besprekingen ter verkrijging van een internationaal jachtrecht er voorbeeldig bij staan. In ons overbevolkte land is dan ook een hoeveelheid wild en en verscheidenheid aan wild, voor buitenstaanders onbegrijpelijk.19). Terwijl toch jaarlijks een zeker deel wordt geoogst, gaat het totale bestand niet achteruit. Het reewild, om een voorbeeld te noemen, heeft zich in de laatste 30 jaar tot al onze provincies uitgebreid en IS van twaalfduizend tot over de honderdduizend stuks opgelopen. Dit is vooral te danken aan de verzorging, bewaking en bijvoedering - zaken, waarvoor wel de jager inspringt, maar waarvoor de gemiddelde natuurbeschermer zijn beurs niet trekt; behoudens voor de vogeltjes in de winter.
Die gemiddelde natuurbeschermer overigens, die zich als eigenaar van het wild zou willen opwerpen. In het algemeen is hij slechts theoretisch "beschermer"; in werkelijkheid is hij uit op het waarnemen van wild en vogels, waarbij hij zijn objecten geducht verontrust. Het edelhert krijgt in de zomernachten vrijwel geen gelegenheid voor azen en herkauwen.
De "natuurbeschermer" consumeert, zonder daar iets tegenover te stellen dan woorden. Hij doet een beroep op overheidsgelden en maatregelen, slechts op grond van zijn belastingplicht. Hij wenst levens te kunnen verdedigen, zonder iets aan die verdediging bij te dragen. Zo blijft hij bij woorden, lippendienst.
Met dat laatste woord is de moderne afgoderij getekend. Heel velen, die vandaag in "de natuur" geïnteresseerd zijn, beschouwen deze natuur als hun privé, althans ons gemeenschappelijk. eigendom, waarin de meeste stemmen kunnen beslissen. Omdat "de natuur" - het onaangetaste, vrije leven - als eigendom wordt gekoesterd, wordt de Eigenaar van alle goeds onteerd. Of zoals Blaise Pascal het zei: hier is een wederrechtelijk in bezit nemen van de gehele wereld.
1) Gen. 1 : 26 - 2) id. 1 : 28 - 3) id. 3 : 2 - 4) id. 4: 4 - 5) id. 9 : 3 - 6) Hdl. 10 : 13 - 7) Deut. 22 : 6, 7 - 8) Num. 11 - 9) Ps. 50: 10, 11 - 10) Hagg. 2 : 9 _ 11) Joël 1: 18 - 12) Jer. 27: 5 - 13) Ez. 38: 11, 12 - 14) Job 1: 3 - 15) 2 Kron. 26: 10 - 16) 1 Kron. 28: 1 - 17) 1 Kon. 4: 33 - 18) Pascal, Pensées nr. 295.