Leven op kosten van de ander
1979-10-19
Het mag als een uitzondering worden beschouwd wanneer een nederlandse roman die met kop en schouders uitsteekt boven die boeken die enkel tegemoetkomen aan de wensen van een doorsnee lezerspubliek, toch een kassucces blijkt. Tot die kleine, bevoorrechte groep behoort de roman "Een vlucht regenwulpen" van de schrijver/etholoog Maarten 't Hart. Binnen één jaar heeft dit boek al 19 drukken mogen beleven, wat zeker niet gering mag worden genoemd. Terecht heeft dit werk al vele pennen in beweging gebracht. In de literaire kronieken van de vaderlandse pers heeft men daarover heel verschillend, vaak tegenstrijdige stemmen kunnen beluisteren, beschouwingen waarvan Hervormd Nederland onlangs een aardige bloemlezing gaf.- Jaargang 23
- nummer 39
Vanwaar deze grote belangstelling? Laten we allereerst opmerken dat de interesse voor Maarten 't Hart vooral uit een bepaalde hoek komt: zij die zich op de drempel van de kerk bevinden, de drempel bij de uitgang wel te verstaan. Gelovigen die voor alle twijfel en kritiek hermetisch afgesloten zijn zullen zich hoogstens ergeren aan dit verhaal (waaruit blijkt dat hun immuniteit wellicht toch niet zo waterdicht is ... ). aan ongelovigen die altijd doof zijn geweest voor andere stemmen zal de centrale problematiek van dit boek vreemd blijven.
"Een vlucht -regenwulpen" is namelijk een afscheidsverhaal, een beschrijving van een oneindig pijnlijke breuk die niet meer te helen lijkt. Datgene wat de schrijver houvast gaf in het leven is hij verloren: zijn moeder van wie hij zielsveel heeft gehouden, en het christelijk geloof, dat onlosmakelijk met haar verbonden scheen te zijn. Met de één is ook het ander heengegaan. Met dit onderscheid dan misschien dat Maarten 't Hart de dood van zijn moeder, die aan keelkanker sterft, ervaart als een wrede willekeur van de hemel die hem het hart breekt, terwijl hij het geloof vrijwillig, zij het niet zonder strijd, prijsgeeft.
Zo staat de dood van de moeder in het middelpunt van dit boek. Daarop wijst ook de titel: "Ze is gestorven op het moment dat de regenwulpen overkwamen en die gedachte troost me; vreemd genoeg", zegt Maarten, terugziend op het heengaan van zijn moeder. (p. 82). Dat hij in die gedachte troost vindt is een teken van zijn liefde voor de levende natuur.
Al van jongsaf aan heeft Maarten, enig kind dat met zijn klasgenootjes nooit echt bevriend raakte, de voorkeur gegeven aan de welige fauna en flora van zijn waterrijke omgeving. Deze aandacht en eerbied voor de natuur komt op een goede, ontroerende wijze uit de verf. Die liefde blijft, ondanks het schudden van de fundamenten van zijn leven. Als de vraag hem bekruipt waarom nog verder te leven, is "wulpen" één uit het rijtje opgesomde redenen (p. 167).
Gebiologeerd als hij is door de planten- en dierenwereld, eist die toch niet zijn gehele aandacht op. De veelvormige schoonheid van de natuur moet Maarten's liefde delen met een ander schepsel: Martha. Zij is het meisje dat op Maarten's hele gevoelsleven haar stempel zet, zonder daarop uit te zijn. Vanwaar die duizelingwekkende betovering, die overweldigende roep die van haar tot Maarten uitgaat? Het blijft hem een raadsel. Zou het hem zitten in de glimlach, waarin zijn moeder en Martha zo op elkaar lijken? (p. 99). Deze onvervulde jeugdliefde van Maarten blijft hem zijn verdere leven vergezellen, als een schim die vervliegt zodra hij haar aan wil raken.
De teleurstelling om deze onbereikbare liefde en het verdriet om het heengaan van zijn moeder zijn de genadeslagen voor het toch al wankelende geloof van Maarten. Als God de beste mens die hij kent slaat met keelkanker en de hevige pijn om de kloof tussen Martha en hem enkel weef te verzachten met een Blijde Boodschap die in alle talen zwijgt over zijn schrijnend verlangen, dan is die God het niet waard geloofd te worden.
Deze gebeurtenissen versterken zijn langzaam gegroeide afwijzing van het christelijk geloof en lijken die te verzegelen. Als Maarten op een avond rond een kerk dwaalt, daar een meisje ontmoet dat hem een paar maal vriendelijk toelacht. dan toch besluit naar binnen te gaan om ver halen aan te horen over de onwrikbare zekerheid des geloofs, terwijl hij "meer gehad zou hebben aan één enkel moment van twijfel dan aan die afschuwelijke zekerheid" (p. 130), weet hij daar, in de kerk, niet langer thuis te horen.
Maar keert hij zich zo tegen de God der vaderen of neemt hij zo wraak op een verwrongen godsbeeld dat de traditie der vaderen hem overgeleverd heeft? Ik ontkom niet aan de indruk dat Maarten zo afstand doet van een benauwend mengsel waarin het goede zaad der ware godskennis dreigt te verstikken in het onkruid van tyrannieke ouderlingen en een vader voor wie al het vreemde zonde is. Men beeft soms opgemerkt dat de manier waarop Maarten 't Hart zijn kerkelijke achtergrond weergeeft meer weg heeft van een karikatuur dan van een waarachtig doorvoelde beschrijving. Hoewel de schrijver met een wrange humor zich verdedigt tegen zijn verleden en zo niet aan het gevaar van vertekening ontkomt, is het misschien juister te zeggen dat hij zich afzet tegen een karikatuur van het christelijk geloof. Zodat we de neiging hebben ons af te vragen: kan je het de man kwalijk nemen?
De valsheid van het christendom dat Maarten vaarwel zegt, kenmerkt ook zijn afscheid, Want dit afscheid is geen voldongen afscheid, maar vermomde rebellie. Waarheen hij zich ook wendt of keert, steeds staat hij tegenover God. Een God die hij in zijn ongeloof verwijtend toeroept (p. 164), stamelend aanroept ("Libera me, Domine", p. 135) en wiens bestaan de patronen van zijn denken aanreikt. Van die God komt hij niet los; ondanlks het besluit dat hem niets meer rest "dan krampachtig proberen het geloof te verliezen" (p. 130), erkent hij later, in verrukking over de majesteit van de zwitserse alpen, dat ongeloof bij hem "in feite nooit aanwezig is geweest" (p. 176). Zijn denkwereld draagt het watermerk van het christelijk geloof, ondanks hemzelf. "Zonde" (p. 166), maar ook ontzag voor God's schepping' blijven noties die zijn denken bepalen.
Hierin schuilt het paradoxale en wellicht boeiendste gegeven van deze roman. Dit is een vals afscheid. Maarten's godsverloochening wordt gelogenstraft door zijn blijvende afhankelijkheid van het christelijke wereldbeeld: dat van zonde eri genade, van vreze Gods en eerbied voor de medemens. De schuchtere, beschroomde eerbied voor de naaste (vg1. pp. 86-7) en het ontzag voor de natuur (p. 175), deugden die juist bij christenen zo hoog zouden mogen zijn aangeschreven, verlenen zijn wereld haar schoonheid.
De verkoopcijfers van "Een vlucht regenwulpen" geven aan hoezeer deze problematiek vele nederlanders aanspreekt. Wonderlijk is dat; het gaat hier toch om een autobiografisch, zeer persoonlijk relaas van iemand die anders .is dan alle anderen. poch juist de intimiteit, dit blootleggen van een zielsconflict verheft deze roman tot een afspiegeling van de strijd van duizenden, ja sterker nog, tot een symbool van onze cultuur. In de geschieden!is van Maarten komt de geschiedenis -van onze cultuur op ons af.
Men zou kunnen aanstippen dat vele andere boeken, met of zonder opzet, eveneens een registratie vormen van de evolutie van de westerse samenleving. Dat is juist, doch deze roman treft het hart van de omwentelingen die we in het avondland doormaken. Met een revolutionair élan heeft de westerse cultuur de levende God dood verklaart. Desalniettemin spreekt zij in haar denken en doen doodlopend uit dat zij niet buiten die God kan. Hoe zij zich ook inspant, ze ontkomt er niet aan voortdurend te refereren aan een goddelijk gezag en goddelijke normen, wil de aardse realiteit niet wegzinken in het niets. De filosoof Nietzsche heeft dat scherp aangevoeld toen hij constateerde dat na de triomfantelijke intocht van het ongeloof dat opgetogen de dood van God verkondigde, de mens maar niet wist hoe zich te ontdoen van God's lijk waarvan de geur de eeuwen bleef infecteren. De huidige cultuur ontkent God's koningschap; toch blijft zij leven op zijn kosten.
Die paradoxale situatie klinkt herder door in het levensverhaal van Maarten.
Zoals hij, staat de moderne mens alleen. De naaste blijft onbereikbaar en de hemel is leeg. Hij blijft over als enkeling uit wiens leven de Ander is weggetrokken. En toch, wil hij blijven leven, dan moet hij wel leven op kosten van die Ander.
Wil ik hiermee zeggen dat dit boek dus geplaatst mag worden in de lange stoet van moderne, anti-christelijke publicaties waartegen enkel een heilige toorn gerechtvaardigd is? Integendeel. Die heilige toorn mag van mij wel, zolang zij waarlijk heilig is. Want het schrijnende leed dat uit deze geschiedenis spreekt mag best een goede woede in ons teweeg brengen.
Kunnen niet juist christenen deze tragiek in al haar diepte peilen?
Als die boosheid dan maar wel het veld ruimt voor een vernieuwde bewogenheid om en open ogen en oren voor de nood van onze naaste.
De roman van Maarten 't Hart geeft het hart van onze moderne seculiere wereld weer, maar is tegelijkertijd ook een exponent van de zo persoonlijke pijn die met dit conflict samengaat. Hier past geen veroordeling maar verootmoediging, scheppend lijden om het lijden der wereld. Juist omdat de Ander, op wiens kosten elk mens leeft, of dat nu er- of ontkent, ons geen verre vreemde is maar de levende God die zich in Jezus Christus ontfermd beeft over het lijden der wereld.