De ander zien!
1979-10-19
Naar aanleiding van.mijn artikeltje van 14 september kreeg ik een brief van br. P. J. Hermans uit Culemborg, die bij zijn brief insloot een afschrift van een stukje dat hij indertijd schreef voor de plaatselijke kerkbode. De inhoud - Jaargang 23
- nummer 39
spreekt voor zich zelf. Het volgt hier in zijn geheel:
lets over reclame
"Bij het volk is de neeringh,
zeide de mosselman
dies kwam hij met zijne mosselen
naer de kerk"
Het woord RE-CLAME valt gemakkelijk te vertalen.
Het betekent 'herhaalde roep'.
Vénten dus.
Stel u een marktplein voor.
Waar vindt u de grootste toeloop?
Bij de kraam met een 'standwerker'.
De man komt pas na een enorme woordenstroom toe aan zijn verkooppraatje.
Misschien verkoopt hij wel waardeloze rommel.
Maar hij verk66pt, dat wel.
Iets verderop staat een collega.
Hij heeft goeie spullen tegen aantrekkelijke prijzen.
Maar de mensen lopen zijn kraam voorbij. Hij maakt geen reclame.
De vent vént niet. Hij kán het ook niet. Hij is nl. doofstom.
Tegenwoordig zeggen we 'gehoorgestoord'.
Omdat doven niet stom zijn, daar hun spraakvermogen weI degelijk funktioneert. Ze praten alleen ánders.
Onze kinderen leren praten door h6ren praten.
Dove kinderen niet. Ze blijven door hun handicap levenslang anders, gebrekkiger praten. Hun woordenschat blijft beperkt tot wat men op de 'doofstommenschool' aan begrippen, termen, uitdrukkingen moeizaam heeft kunnen meegeven, die t6en gangbaar waren. Dan houdt het spraak-onderwijs op; ze moeten hoognodig een vak gaan leren. Hun woordkeus bewijst dat jij ook maar niet moeilijker moet praten dan tegen een 12-jarige.
Onze spreektaal, die met de dag verandert, krioelt van uitdrukkingen die ze niet kennen. Zeg tegen een dove niet 'ik zie dat niet zo zitten' of 'ga d'r maar es aan staan', want hij begrijpt je niet.
De schrijver van dit stukje is één hunner geworden, sedert vier jaar.
Met één verschil. Hij is niet doof geboren en niet achtergebleven in kennis. Hij komt in de kerk omdat zijn dominé trouw zorgt voor een kopie van zijn preek. Hij komt niét op àndere gemeente-samenkomsten, zoals u begrijpt. Zeer tot zijn verdriet, want hij mist ze node. Met zijn inbreng en ervaring (hij mocht de gemeente plm. 20 jaar als ouderling dienen) kan hij haar niet meer dienen. Want onze vergadertechniek is er een van hoor-en-wederhoor. In dat opzicht is hij onnut, wijl monddood.
' Deze onnutte dienstknecht werd onder Gods leiding geconfronteerd met het werk van evangelisatie onder doven. En hij is heilzaam geschrokken.
De bijbel die in bijna alle talen van de wereld wordt vertaald is voor hén een vrijwel gesloten boek. Want wie spreekt hûn (gebaren)taal? Hun geestelijke armoede is on-voorstelbaar!
In tegenstelling tot andere 'evangelisatie-objecten' kennen de doven hun nood 'recht en grondig', maar wie dóet er iets aan?
De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Twee (!) doven-pastors voor àlle protestantse kerken in het hele land.
De schrijver van dit stukje vraagt niet om uw voorbede, dat is hem te goedkoop. U zou eerst meer van dit werk moeten weten.
En zij zou toch maar moeten proberen wat reclame te maken. Na het thema 'kind er-evangelisatie' op een volgende gemeentevergadering 'dovenpastoraat'?
Het is wat ongebruikelijk, deze manier van venten. Maar misschien is bovenvermelde mosselmanse dwaasheid toch zo gek nog niet.
Ik heb hier weinig aan toe te voegen, alleen nog een paar regels uit zijn brief; hij wijst er op dat hervormden, gereformeerden en christelijk-gereformeerden in 1975 de handen ineensloegen en samen begonnen met het "dovenpastoraat" (aangepaste diensten, catechese enz.).
'Wat zou ik het fijn vinden, als onze kerke aden nou eens niét wachtten op wéér een ingekomen stuk om alwéér steun voor wéér een noodlijdende groep. Want het geloof is uit het gehóór en de doven missen juist dàt! Dat wij juist om onze dóven met een wijde boog heen liepen ... ! Als onze kerken nu eens zèlf omkeken naar die 12000 chr, doven, aan wie de kerken in dit land tot 1975 (!) in de meest letterlijke zin 'geen Boodschap' hadden!
Als de rijke Ned. Geref. kerken nu eens naar het voorbeeld van die arme Macedonische gemeenten (2 Cor. 8 : 2-4) 'met de meeste aandrang, uit éigen beweging' aan de deputaten ad hoc van de drie genoemde kerken vroegen om 'de gunst deel te mogen nemen aan het dienstbetoon voor de (dove) heiligen'.'