Sint Kilda - sociaal leven
1980-06-06
Vandaag vragen velen zich af: hoe zou het leven in een afgelegen kolonie er uit zien? Zou het mij bevallen? Ben ik een Robinson Crusoe? Zou ik er in passen? En makkers, wie het maatschappelijk geraas te wild wordt, verzuchten soms: je zou naar een eenzaam eiland willen vluchten om van al die misère af te zijn.- Jaargang 24
- nummer 23
Inderdaad zijn er herhaaldelijk pogingen ondernomen, om met enkele vertrouwde vrienden een nieuw leven op te bouwen. Van de laatste eeuw weten we van de kolonie Walden, door Frederik van Eeden in 1898 te Bussum gesticht; dit naar aanleiding van een gelijknamige roman van H.D. Thoreau, die hetzelfde beoogde, Van Eeden's experiment is na tien jaar verlopen: de meegebrachte meningen botsten en het geld raakte op. Weinige jaren later stichtte F. A. Molijn uit Rotterdam de werkgemeenschap "Maatschappij de Veluwe" te Nunspeet, die het jaren volhield voor zij in een boterfabriekje, een verffabriek en een aantal eigen woningen uiteenviel. ZO' zijn er meer pogingen tot een heilsstaat gedaan. Een van onze vrienden hier noemde zijn huis Walden; ook hij is een idealist en zou graag eens opnieuw beginnen.
ZO' leverde de Schotse kolonie Sint Kilda, nu vijfitg jaar geleden opgeheven, een hoeveelheid sociale ervaring, die geen potentiële koloniebouwer kan missen. Want deze kolonie viel niet uiteen door meningsverschil1endie zijn nooit gebleken; of door geldgebrek - men heeft er nooit geld gekend. Eigenlijk moet gezegd worden dat de kolonie na vele eeuwen een natuurlijke dood stierf, waarbij de Britse overheid een handje hielp.
Want de grond raakte uitgeput, het isolement raakte door toerisme verzwakt en de wereldprijzen voor hun producten werden onvoldoende om de landpacht op te brengen.
U ziet: twee van de drie factoren lagen aan de buitenwereld. Sint Kilda stak te veel af bij het "normale". De stoom-, later de motorschepen, brachten contacten in de zomermaanden: het isolement beschermde steeds minder. Men voelde zich een rariteit, een kijkspul. En volkomen autarkisch kan waarschijnlijk geen enkele kolonie zijn, zelfs Rusland niet.
Altijd blijven er wensen en behoeften over, die alleen door handelsverkeer kunnen worden bevredigd. Maar de genadeslag kwam van de regering.
Het onderwijs stond op te laag niveau, voldeed niet aan de wet; dat deerde overigens de Kildans niet. Die hadden geen schrijfonderwijs of Engelse les nodig, omdat ze met niemand correspondeerden. Hun rekenkunde moest bijgewerkt worden - maar die zouden ze wellicht nooit gebruiken. Hun aardrijkskunde was zeer onvoldoende; maar op de kaart van het Koninkrijk stond hun eiland niet eens vermeld. Een maatschappij, die leefde bij de rede, meende de Kildans gelukkig te moeten maken met haar Aufklärung. Men moest gemotiveerd en politiek geïnteresseerd worden.
Men moest de eeuwen van achterstand inhalen!
Dat leven op Sint Kilda had natuurlijk zijn eigen aard gekregen, door eeuwenlange traditie gebouwd en gecorrigeerd. Van ouds af leefden daar mannen, vrouwen en kinderen, in zekere verhoudingen, Die verhoudingen werden door de natuur, mede door de landheer en vooral door de Bijbel bepaald. De man was superieur; zo zegt het de Bijbel en hij deed het denkwerk De vrouw was ondergeschikt, want goed in staat het zware werk te doen, De kinderen werden in alle eilandelijke deugden opgevoed teneinde later de strijd om het bestaan over te nemen. De vogels, de eieren, het drinkwater en de groenten waren door God hun tot onderhoud gegeven. Uit de wol kon men zich eerbaar kleden, met turf kon men het huis warm houden.
Dat huis was tot 1850 een natuurstenen hut zonder vensters, zonder schoorsteen, maar met plaggendak. Pas daarna werden het eenvoudige gemetselde stenen huizen, door de landheer geleverd. Elk huis had twee vertrekken en twee ramen; plus een deur die niet op slot kon, want alleen de wind en de regen werden buitengehouden, Nog geen eeuw hebben de koeien buiten de huiskamer doorgebracht; tot 1850 brachten ze warmte en gezelligheid - ook mest - in de huizen. Die mest werd overigens zorgvuldig bewaard, door de vrouwen bewerkt en samen met de mensenmest naar het land gebracht.
Maar dit sobere en harde leven bouwde een zelfwegcijferende gemeenschapszin .. De mensen hadden elkaar nodig. Niemand noemde iets zijn eigendom, buiten de gemerkte schapen. Ieder, die zich aan het gemeenschapsleven onttrok, verraadde de kolonie, riskeerde haar ondergang, ook zijn eigen ondergang, De primaire armoede, de strijd om het bestaan van de kinderen, bond allen samen. Van de Hooglanders en de Eilanders is wel eens geschreven: deze sobere mensen vormden een sterk en gezond ras, vol natuurlijke moed. (Ze zijn dan ook altijd de beste soldaten geweest, die zelf 'Om de frontposten vroegen.) Hun leefwijze was dus strikt democratisch, zoals in 1831 al werd gerapporteerd.
Alle beslissingen werden (door de mannen) gemeenschappelijk genomen. Alle activiteiten gingen voor gemeenschappelijk risico. Er was geen wetskennis, alleen bijbelkennis. Twee maal per jaar kwam een officieel persoon - maar dat moest die persoon weten. Waren de schapen dan privé bezit - bij verlies bleek er een onderlinge verzekering te bestaan waarvan niemand boek hield. Kennis, ervaring, inzicht - alles werd uitgewisseld, tot gemeenschappelijk bezit herleid. Iemand, die ooit aan wal was geweest, werd uitgehoord; dagenlang kon men spreken over de prijs van een spade in Glasgow.
Bij de vogelvangst werd volstrekt eerlijk gedeeld. Weduwen en invaliden kregen hun portie zo goed als de werkers. Kinderen beneden 9 jaar een halve portie, tot 11 jaar driekwart portie. De predikant en eventueel de schoolmeester waren van buitenaf gezonden; die kregen hun portie niet als recht maar als geschenk.
Dat gemeenschappelijk beslissen had ook zijn schaduwkanten. Toen iemand in zijn slaapafdeling een houten vloer wenste was de overweging: dat kan eenvoudig niet, want er spoelt nooit genoeg wrakhout voor alle Slaapkamers aan. Uitte iemand de wens om een schaap te slachten, dan betekende dit dat állen een schaap gingen slachten. Schapenvlees werd als een lekkernij beschouwd, waarop men zich alleen tracteerde na algemene en bezoeken overleg. Drank, indien halfjaarlijks en mondjesmaat aangevoerd, was voor een bruiloft of voor een zieke. In zes eeuwen van feodaal bestuur hebben de MacLeods niets gewijzigd.
Waren de vrouwen bijzonder geschikt voor zwaar werk - ze kregen de kansen. Het verzamelen en vervoeren van mest werd al genoemd. De lasten wol, door mannen geschoren en aangevoerd, werden door de vrouwen van de steiger naar huis gedragen. De aangevoerde vogels werden eveneens door de vrouwen gedragen, tot lasten van 90 kilo toe, en in de schuren te drogen gehangen. Het bewerken van de akker, het melken van rundvee en schapen, hoe ver ook afgelegen, het kaarden van de nieuwe wol, alles werd haar toevertrouwd. Turfsteken was vrouwenwerk. Is het spinnen al genoemd? En als ze eens niets anders te doen hadden lag het eeuwige breiwerk te wachten. Zo zuinig ging men met natuurproducten om, dat het allereerste gras van de rotsrichels geplukt werd, waar zelfs geen schapen - alleen vrouwen op blote voeten - bij konden komen!
Natuurlijk hadden de mannen ook hun werk. Eerst het denkwerk, dat de kolonie overeind hield. Dan alles wat met de boten samenhing, de touwen en al die zaken waar levens van afhingen. Alle werk van schapenscheren en vogelvangen is al genoemd. In de wintermaanden weefden de mannen het bekende wollen tweed. Het maken van alle gerei, weefgetouw, hamer, touwlijnen, was ook mannenwerk; aangezien het eiland geen boom had, moest veel van wrakhout worden gemaakt.
Nu is het bij zulk een eeuwenlang isolement begrijpelijk, dat niet alle ingevoerde spullen gehanteerd konden worden. Toen de landlord eens een paar zakken cement stuurde, om de kerkvloer te verharden (die bestond net als thuis uit aangestampte grond) lieten de mannen dit "stof" voorlopig buiten de kerk staan, tot zij er tijd voor hadden. Maar toen ze aan de vloer wilden beginnen was er een wonder gebeurd: het "stof" was rots geworden!
Er zijn vele rapporten aan de verontruste maatschappij gezonden: van de postdienst, die zich over de hoge kosten van een postzending beklaagde; van predikanten, die verklaarden dat buiten hun gezin niemand met een volk at; van artsen, die over bijzondere ziekten en sterfgevallen rapporteerden; val! specialisten, die van inteelt spraken; van een "socioloog" in 1850: "het is ongelooflijk, zulk een aparte gemeenschap in het verst verwijderde deel van ons zo nijvere koninkrijk" (proeft u het gebrek aan nijverheid op Sint Kilda?) "en ze zijn niet eens politiek geïnteresseerd." De rapporten meldden ook van hongersnoden in 1885 en 1912 door misgewas en storm. Had ds Macauly in 1758 a1 niet geschreven: door zijn natuur alleen levert dit eiland kluizenaars op?
Dat kon zo niet doorgaan in een verlichte maatschappij. Zo zond de overheid, het parlement gehoord hebbende, de verpleegster in 1927 naar Sint Kilda. In drie jaar tijd had ze de bevolking rijp voor evacuatie.
De anomalie was opgeheven. Maar het werk een mini tragedie voor alle betrokkenen. Het bindmiddel van de gemeenschap was hun trouw geweest; die werd vervangen door geld, waarmee ze niet konden omgaan. Hun veiligheid lag in het samenwonen; nu kwamen ze mij1en uiteen te wonen. Hun streven lag in het voortbestaan van hun soort; nu zaten ze in een prestatiemaatschappij, waarin ze hun stem niet konden mengen. Verschillende mannen zijn bij Staatsbosbeheer aangesteld - die nog nooit een boom hadden gezien.
Toen de evacuatie werd voltrokken hebben ze geen hulp aanvaard, zelfs niet van de marine. Persoonlijk brachten ze hun kleren en weefgetouwen aan boord. De ouderen waren bedroefd. "God moge vergeven, wie ons hier hebben weggehaald", zei een van hen. Elk huis liet, naar Schotse gewoonte, de open Bijbel op tafel liggen, voor de deur dicht te trekken. Sommige bijbels lagen bij Exodus open. De mensen van Sint Kilda hebben hun lot uit Gods hand aanvaard.