Saul (1)
1980-06-06
De teleurstellingen zijn Samuël niet bespaard gebleven. Hij heeft als richter een zwáre taak vervuld, hij heeft het geloof behouden maar aan het eind van zijn leven moet hij ervaren dat zijn zonen niet in zijn wegen gaan (1 Sam. 8 : 3, 5). Zij komen niet in aanmerking om het volk van God verder te leiden, ook al stelt Samuel hen eerst als zijn opvolgers aan (1 Sam. 8 : 1). Dat is niet alleen een teleurstelling voor Samuël maar ook voor het volk zelf. Bovendien zijn de oudsten het beu geworden om telkens een andere richter te hebben, ze hebben om zich heen gekeken naar andere volken en ze zijn jaloers geworden op de volken die door een koning worden geregeerd. Ze willen niet alleen een onzichtbare koning zoa1s de God van Israël, maar een aards koning die ze kunnen zien. De oudsten van het volk komen bij Samuël om hem dit te vertellen.- Jaargang 24
- nummer 23
Deze is teleurgesteld en gegriefd, hij bidt tot God en verwacht van Hem een antwoord. Dat antwoord komt, wellicht anders dan Samuel denkt. God zegt: “...zij hebben u niet verworpen, maar Mij hebben zij verworpen' .
God is toornig omdat Israël de bijzondere verhouding tussen Hem en het volk niet ziet en erkent. Het koningschap van Hem over Israël is immers onvergelijkbaar met dat over andere volken. Israël wordt rechtstreeks door God geregeerd. De glans van Israël's Koning is veel groter, vooral anders; dan die van alle aardse kortingen bij elkaar, God vindt het niet erg dat het volk naar een koning verlangt, dat mag (Deut. 17 : 14-20), maar God zal een koning geven op zijn tijd. Het volk moet kunnen wachten, afwachten.
Toch moet Samuë'l op Gods bevel het volk antwoorden dat het een koning zal krijgen. Het is de moeite waard om 1 Sam. 8 eens rustig na te lezen, wat voor een les Samuël het volk meegeeft.
Er zal een koning komen. God brengt Samuël op een bijzondere manier in contact met Saul.
Het eerste optreden van Koning Saul is ongetwijfeld wijs. Hij doet alsof hij doof is als hij de uitlatingen van een aantal ontevredenen hoort (1 Sam. 27). Als er een vijand komt grijpt Gods Geest Saul aan (1 Sam. 11 : 6), hij neemt de leiding en verslaat de vijand, Het gevolg is dat het koningschap van Saul wordt bevestigd te Gilgal.
Na het afscheid van Samuël (1 Sam. 12) is Saul de énige die moet regeren onder Gods leiding. Al spoedig blijkt dat hij zijn eigen leiding stelt boven die van God. Saul ziet zich niet als een door God gezonden koning voor het verbondsvolk. Hij wil een koning zijn als andere vorsten. Hij kiest tenslotte voor zichzelf, voor eigen inzicht. Duidelijk blijkt dat in 1Sam. 13. Saul moet beslissen.
Samuël heeft aan Saul het bevel gegeven om te wachten met de strijd tegen de volken, totdat hij zelf is gekomen om brandoffers te brengen. Maar Saul kan niet wachten, hij meent dat er te veel op het spel staat, hij gaat zelf offeren (vs. 12). Saul ziet Gods wijsheid als dwaasheid.
Als Samuël komt, komt hij met Gods straf voor Saul: 'Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn' (vs. 14). Als Saul zijn eigen eer stelt boven de eer van God, is hij een onbruikbaar instrument voor God.
Dat betekent niet dat God Saul loslaat. Hij strijdt met Saul mee, Hij zegent het werk van Saul nog in het werk waardoor Israël moet worden bevrijd. Zó lankmoedig is de God van Israël.
De verdere geschiedenis van Saul laat zien hoe hij steeds verder van God afdwaalt. Hij moet de Amelekieten verslaan en doden (1 Sam. 15), God wil vergelding, Zijn uur is gekomen, maar Saul gaat naar eigen inzicht te werk. En als Samuël dan weer komt om hem te straffen voert hij een komedie op waarvan de HERE slechts gruwen kan (vs. 13 e.v.)