Voor-echtelijk samenleven (1)

1979-11-02
  • Jaargang 23
  • nummer 41
Onlangs maakte ik een gesprek mee van jongelui over het voorechtelijke samenleven. Als mogelijke deelnemer aan dat gesprek was ik zelf ook weer eens in dit onderwerp gedoken en misschien hebben sommigen er iets aan, wanneer ik het gevondene nog eens op een rijtje zet. Ik zeg: 'Nog eens', want het kan bekend zijn dat de kerkeraad van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Amsterdamcentrum zich al eens eerder over een aspect van dit probleem publiek heeft uitgelaten en in de bezinning daarover had ook ik mijn aandeel.
Ik wil nu over het zogenaamde 'hokken' iets zeggen onder vierderlei gezichtspunt: politiek, sociaal, psychologisch en religieus.

Het politieke aspect
Het valt mij op dat jongelui die voor-echtelijk samenleven voorstaan vaak ook het dienst-weigeren propageren. Dat is niet toevallig.
Eenzelfde kijk op het overheidsambt ligt daaraan ten grondslag.
Men ziet niet meer dat de overheid er is, "opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde" (art. 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis).
Naar buiten en naar binnen toe moeten de zwakken tegen de sterken beschermd worden. Daarvoor zijn zwaard, macht, geweldoefening, dwingende wetten onmisbaar. Gegeven het feit, dat de menselijke natuur sinds de zondeval tot alle boosheid geneigd is, is het onbestaanbaar dat de mensen zonder deze (eigenlijk beschamende) hulpmiddelen in goede vrede met elkaar omgaan en leven.
Deze waarheid wordt evenwel vanuit de menselijke trots ontkend.
Zou zo iets moois en fijns als liefde tussen een man en een vrouw de bescherming van een uiterlijke wetgeving nodig hebben? Of zou het nodig zijn met de dreiging van wapen-geweld vechtlustige en veroveringszuchtige volken in toom te houden? Men kan dat niet meer aanvaarden. Zo kent men steeds minder graag aan de overheid een rechtstaak toe. Slechts een verzorgingstaak blijft voor haar over.
Maar hierdoor gaat aan het overheidsambt steeds meer een geestelijke basis ontbreken. De gedachte dat wij met elkaar een rechtsorde in stand (moeten) houden, leeft niet sterk. Een eigenaardig uiteenvallen van de samenleving is hiervan het gevolg. Uit het toenemende weigeren bijvoorbeeld om de militaire dienstplicht te vervullen moet dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat de mensen bezig zijn vredelievender te worden (zoals het woord 'pacifisme' zou kunnen doen vermoeden); men gaat integendeel elkaar zeer gemakkelijk te lijf, met de mond, met de pen, met de vuist, met de wapens. Maar dat men de wapens zou moeten opnemen ter verdediging van zo iets schimmigs als 'het vaderland', 'de vrijheid', of andere geestelijke waarden,nee, dàt wil er niet meer in. De collectieve geestelijke waarden ontvallen ons, ja, het hele besef van saamhorigheid als volk, tot uitdrukking komend in symbolen als vlag en volkslied, verdwijnt. Zo wordt het ook onaanvaardbaar dat huwelijkstrouw een publiekrechtelijk te beschermen goed zou zijn.
Gemakzuchtig laten we de zorg daarvoor aan ieders persoonlijke verantwoordelijkheid over: "dat moet je zelf weten". Geen wonder dat er steeds meer jongelui opstaan die ten aanzien van het hele huwelijk zeggen: "dan zullen wij het ook zelf weten" en zo het trouwen de overheid uit handen nemen.
Maar, zal iemand zeggen, zo zie je er toch aan voorbij, dat de overheid berig is ten aanzien van het hokken enige wettelijke regelingen te treffen. Daaruit blijkt dat zij zich van haar beschermende taak toch zo maar niet laat afbrengen. Inderdaad, ter zake van erfrechtskwesties en andere sociale voorzieningen ontstaan regelingen en wetten, maar vergis u niet: dit betekent dat straks van overheidswege het huwelijk tot slechts een economisch verdrag zal zijn teruggebracht. Alleen de materiële aspecten van het huwelijk worden zo nog wettelijk behartigd. Dit illustreert pijnlijk de overgang die ik zoëven aanwees: van rechtsstaat naar verzorgingsstaat; de overheid in de greep van de economisering. En dus van de individualisering. Want bij economische belangen alleen zal een gemenebest niet leven. Het gemeenschappelijk belang valt dan onherroepelijk uiteen in deel-belangen en eigen belangen. Het economiseringsproces van de overheid werkt dus het uiteenvallen van de samenleving in de hand. Pas wanneer de samenleving weer inziet dat zij niet alleen haar stoffelijke, maar ook haar geestelijke waarden politiek moet behartigen, pas dan zal het inzicht weer doorbreken dat het huwelijk in z'n volle betekenis (met inbegrip dus van de huwelijkstrouw) een publiekrechtelijke aangelegenheid is. Zo niet, dan zal het hokken, al of niet economisch-rechtelijk geregeld, normaal worden.
Deze ontwikkeling voorziende of voorvoelende, ben ik blij met het feit, dat in ons land de christelijke gemeente ten aanzien van de huwelijkssluiting het heft niet geheel uit handen heeft gegeven. Ik doel nu op het bestel volgens hetwelk de kerk ten onzent huwelijken bevestigt.
Ik weet dat dit gebruik door sommigen, ook onderons, aangevochten wordt, Ik zou daar voorzichtig mee willen zijn. Wie weet, heeft de Kerk deze vorm nog eens nodig om er het publiekrechtelijke vacuüm dat t.a.v. het huwelijk dreigt te ontstaan, mee op te vullen.
Wat een gedoe, als daar helemaal van de grond af mee begonnen zou moeten worden! Wat een beschikking dat deze vorm nu reeds min of meer klaar ligt!
Wie nu bij deze opmerking handen wrijvend zou willen vaststellen dat wij als kerk dan toch nog - gelukkig - weer de subcultuur ingaan, zoals de eerste christelijke gemeente, - die moet ik teleurstellen.
In 'subcultuur' immers hoor ik altijd iets van een vrijwillige keuze.
Maar waar ik het nu over heb, dat is de kerk die om Gods wil geen genoegen kan nemen met het huwelijk als economisch contract en daarom noodgedwongen treedt in een overheidstaak; de kerk dus die onvrijwillig tegenover de overheid komt te staan.
Is het al zo ver? Ik geloof het niet.
Men kan natuurlijk zeggen, dat van heel de huwelijkswetgeving al niet veel meer overeind staat en dat deze wetgeving zeker de huwelijkstrouw niet meer zo beschermt. Het is inderdaad gemakkelijk geworden om te scheiden. Het argument: "niet hokken, maar huwen, want dan kom je minder gemakkelijk van de ander af", verliest veel van z'n kracht.
Toch moeten we dat niet te gauw zeggen. Wie door echtscheiding van z'n partner afkomt, staat toch publiek geregistreerd als iemand die gefaald heeft in het nakomen van de trouwbelofte. Ik gebruik met opzet hier het zachte woord 'falen', omdat 't niet mijn bedoeling is iemand, wie ook maar, met de beschuldigende vinger na te wijzen.
Maar buiten de schuldvraag om is iedere echtscheidende iemand die een nederlaag geleden heeft. En die nederlaag staat publiek geregistreerd.
Daar moet niemand gering over denken. Het maakt dat niemand lichtvaardig tot echtscheiden overgaat. Wordt echter het huwelijk een geheel private aangelegenheid.
m.a.w., wordt het huwelijk door hokken vervangen, dan is die rem op het uit elkaar gaan weggevallen.
Daarom, nog afgezien van de administratieve rompslomp van een echtscheiding, zal een officiële echtscheiding minder gauw plaats vinden dan een onderhandse verlating. Dit is een reden voor ons om zuinig te zijn met wat nog van de huwelijkswetgeving overeind staat.

Het sociale aspect
Met het politieke aspect van de ons bezig houdende problematiek hangt nauw samen de sociale zijde van het vraagstuk. Ik wees de tendens al aan dat onze samenleving bezig is uiteen te vallen. Dat is de individualisering van de maatschappij.
En samenhangend daarmee de privatisering van het huwelijk. Dat wordt nog door iets anders versterkt.
In vroeger tijd lagen huwelijk en kinderen krijgen onscheidbaar ineen. En juist ook vanwege de kinderen is het huwelijk een aangelegenheid van de samenleving.
Zij heeft er zorg voor te dragen dat de komende generatie onder optimale omstandigheden opgroeit.
Daarom vooral ook staan de gezinnen onder de rechtsbescherming van de overheid. Maar sinds de uitvinding van steeds doeltreffender anti-conceptiva (de pil) , is het mogelijk geworden huwelijk en kinderen krijgen uit elkaar te breken. Daardoor heeft het huwelijk, vooral in z'n begin-fase, de neiging zich aan de sociale controle te onttrekken. Jongelui die hokken zie je dan ook vaak tot trouwen overgaan, wanneer de wens om samen kinderen te krijgen, hun te machtig wordt. Je ziet dan de burgerzin weer ontwaken.
Hiernaast kan ook genoemd worden het opkomende gebruik dat homofiele vrienden- en vriendinnenparen bij elkaar gaan wonen.
De neiging om daarmee in de private sfeer te blijven is nog groter dan bij het hokken. Ook het argument van het kinderen-krijgen werkt hier niet. Het hokken echter wordt er ongemerkt door bevorderd: "als zij dat doen, dan wij ook". Ook het omgekeerde is trouwens waar.
Maar de verantwoordelijkheid voor de samenleving neemt zo niet toe.
De mening zal steeds meer post vatten dat de openbare samenleving een gevaarlijke jung'le is, waaruit men zich maar het beste kan terugtrekken. Wie evenwel publiek trouwt, neemt voor die samenleving verantwoordelijkheid op zich en neemt haar serieus. Wie publiek trouwt, zegt tegen de maatschappij: "Hier zijn wij, getrouwde man en vrouw. Respecteer onze verbintenis en help ons die mooi te houden.
Wij van onze kant zijn ook bereid door onze trouw een bijdrage te leveren tot wat de samenleving aan geestelijke waarden nodig heeft."
Want dit is zeker: waar de huwelijkstrouw verdwijnt, daar staat de trouw in het algemeen, als bindmiddel van de samenleving, op de tocht (vgl. Spr. 23 : 28). Ik ben bereid met veel onnadenkendheid en goedbedoelendheid rekening te houden, maar het is mijn vaste overtuiging dat hokken de openbare samenleving vernietigt.
Volgende maal verder, D.V.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief