Voor-echtelijk samenleven (3)

1979-11-16
  • Jaargang 23
  • nummer 43
Het religieuze aspect
Hoewel het religieuze eigenlijk geen aspect is en reeds door al het tot nu toe gezegde heen geweven zit, verdient het toch ook aparte aandacht. Geven we die, dan blijkt dat we daarmee de diepste laag van ons probleem aanboren. Niet trouwen gaat uiteindelijk terug op een gebrek aan vertrouwen.
Dit gebrek aan vertrouwen vind ik nog het meest begrijpelijk bij degenen die een echtscheiding achter de rug hebben. Zij herinneren zich het enthousiasme waarmee zij de eerste keer begonnen waren en constateren met pijn waarop dit is uitgelopen. Dat zij er tegenop zien zich opnieuw in het openbaar als partner te binden en er de voorkeur aan geven, eerst maar eens in de private sfeer af te zien hoe het dan nu verloopt, - ja, wie zou daar geen begrip voor hebben?

Hoewel ik het niet goed keur, zou ik daar niet zoveel van durven zeggen.
Ethiek, christelijke ethiek, moet immers altijd bij de sterksten beginnen. En zij over wie ik het nu heb, zijn door hun ervaring verzwakt. Misschien wel zo verzwakt, dat zij beter deden met eerst maar eens geruime tijd uit te trekken voor de wederopbouw van het vertrouwen: op God, in de naaste en in zichzelf. Men kan ook te snel een nieuwe start maken.
Wanneer men bijvoorbeeld nog verkeert in het stadium van ps. 116 : 11: "toen ik in mijn angst zeide: alle mensen zijn leugenachtig", - dan is men duidelijk nog niet toe aan een volgende relatie, hoe onofficiëel ook.
Nee, liever dan de echtgescheidenen, die aarzelend een nieuw begin maken, driftig te achtervolgen met de plicht tot huwen, zou ik van het verschijnsel van het toenemen der huwelijksontbindingen willen terugvragen naar de huwelijksvoorbereiding.
Niet speciaal naar die van degenen wier huwelijk in een echtscheiding gestrand is, maar naar de huwelijks voorbereiding in het algemeen. Is die niet veel te oppervlakkig geworden? Is er niet over liefde en huwelijk zo onwerkelijk-romantisch gedaan, dat veel relaties daarop wel moesten en moeten vastlopen? Waar is de nuchterheid van het oude huwelijksformulier dat vroeger zo begon: "Aangezien de gehuwden gewoonlijk velerlei tegenspoed en kruis vanwege de zonde overkomt ... "? Let wel, ik pleit er niet voor dat deze zin in het huwelijksformulier moet staan, Hij is voor een trouwdag echt te zwaar.

Kerkelijk leven
Maar praten ouders en opvoeders in deze sfeer wel eens over het huwelijk met hun kinderen? Om hen zo te waarschuwen tegen overspannen verwachtingen die ze uit onkunde van het huwelijk zouden kunnen hebben? Weten trouwenden dat hun huwelijk voor crisis-tijden kan komen te staan? Zijn ze daarvan doordrongen zodat zij niet in paniek slaan als die tijden komen?
Beseffen de gehuwden wel voldoende, dat de huwelijkstrouw in de samenleving van vandaag een zeer aangevochten zaak is en dat de huwelijksontrouw de vastgelopenen van alle kanten als normaal aangereikt wordt? En niet alleen de vastgelopenen. In 't algemeen wordt de mensen vandaag een plat egoïsme aangepraat: "ik heb toch zeker recht op ... ?" Er is daarom vandaag in huwelijken meer vergeving nodig dan waar men vroeger mee toe scheen te kunnen. Echtbreken en ontucht breken openlijker naar buiten, schades worden meer zichtbaar - althans voor de partner. Er wordt minder verdrongen.
Morele afstomping en versuffing kunnen daarvan het gevolg zijn.
Maar ook zijn er huwelijken die door nederigheid, vergeving en humor (= acceptatievermogen) gelouterd en verdiept worden. Ik bedoel te zeggen dat de zonde een reële factor is in het huwelijk, waarmee gerekend moet worden, ook als ze de soms schokkende vormen van deze tijd aanneemt.
Als wij onze verontwaardiging over huwelijksmisdrijven negentiendeeeuws of ook vooroorlogs houden, dan geef ik weinig huwelijken kans van slagen. Er was namelijk in die tijden meer weerhouding (vgl. 2 Thess. 2: 6 v.). Daarom moeten wij nu bijstellen.
Maar is het dan niet zo, dat wie in zulke tijden van neergang heilig is, volgens Gods belofte nog meer geheiligd zal worden, zodat onder christenen van dat bijstellen geen sprake mag zijn? Zeker is er die belofte: Openb. 22: 11. Maar het is mogelijk dat deze belofte waar wordt langs de weg van vallen en opstaan, van schade en schande.
Zoals het in de tijden van de vroege christen-vervolging gebeurd is dat mensen pas door de zonde van de verloochening heen standvastige belijders zijn geworden. Zou de ruimte daarvoor misschien ook uitgespaard zijn in het griekse handschrift dat inde bedoelde tekst uit de Openbaring door de St. Vertaling gevolgd is: "en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde (i.p.v. hij bewijze nog meer rechtvaardiging); en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde"? Daar is dus sprake van toenemende heiligheid, - maar door rechtvaardiging en vrijspraak heen. De tegenstelling van het hele vers (22 : 11)
staat bij deze lezing minder open naar het moralisme en wordt minder bruikbaar voor de sekten. Bij hen immers staat de heiliging op gespannen voet met de rechtvaardiging, terwijl ze anderzijds sterk bevriend is met de onbarmhartigheid.

Terug nu naar de huwelijksvoorbereiding.
Daarvoor pleitend realiseer ik me dat ik op krachtige steun kan rekenen van de zijde van hen die het voorechtelijke samenleven voorstaan. Althans van de kant van een deel van hen.
"Huwelijksvoorbereiding! Inderdaad, dat bedoelen wij nu precies met onze onofficiële samenlevingsvorm.
Wij willen het risico van een slecht huwelijk of een echtscheiding zo klein mogelijk maken. En daarom gaan we al vast een tijdje bij elkaar wonen om te zien of we samen de grote stap kunnen wagen."
Zo kun je horen zeggen.
Maar het is duidelijk dat dit een huwelijks voorbereiding van een andere soort is.
De mijne bestaat hierin dat men de risico's van het overwogen huwelijk zo reëel en nuchter mogelijk tracht te peilen en onder de ogen te zien om dan, wanneer de wederzijdse liefdesband een zodanige beproeving glansrijk doorstaat, in vertrouwen op God samen de stap te wagen. De andere huwelijksvoorbereiding is echter geen echte vóórbereiding. Men grijpt op het huwelijk zelf, inclusief het binnenste ervan, vooruit om zo de risico's die er aan verbonden zijn, niet maar onder ogen te zien, maar (zo veel mogelijk) uit te sluiten. Pas na gebleken houdbaarheid wil men dan het huwelijk in de openbaarheid brengen en er de zegen van God en de hulp van de samenleving over inroepen.
Maar, in de eerste plaats, wanneer zal een relatie die voor het hele leven bedoeld is, houdbaar gebleken zijn? Toch eigenlijk pas aan het einde ervan? Het huwelijk immers bestaat uit verschillende fases die elk met eigen crisis-verschijnselen gepaard kunnen gaan. Is het voldoende één van die fases uit te proberen en daaruit dan conclusies te trekken voor de rest? Het lijkt mij erg moeilijk het moment vast te stellen waarop met een minimum aan risico's getrouwd kan worden.
Het doet me denken aan wat in de vroege kerkgeschiedenis wel voor kwam, dat christenen (ook uit gebrek aan vertrouwen) hun doop uitstelden tot op het sterfbed. Bij de doop kan dat nog (?), maar bij het huwelijk ... ? Is hier het godsvertrouwen niet ingeruild voor menselijke zekerheid? En hoe pover blijkt deze zekerheid!
Behalve dat, hoe moet het eigenlijk beoordeeld worden, wanneer bij het trouwen-na-de-proefperiode de kerkelijke huwelijkszegen en -voorbede worden begeerd? Levert dat niet iets tweeslachtigs op? Aan de ene kant: "Here, zegen ons en help ons", en aan de andere kant vaststellen dat men voor het examen al geslaagd is. Als voor de meest kritieke fase van het huwelijk, de proefperiode, Gods hulp niet publiek gevraagd behoefde te worden, waarom voor de latere fases die geacht worden min of meer risico-loos te verlopen, dan wèl? Zijn Gods zegen en hulp dan geen mosterd na de maaltijd? Ik zeg niet dat mensen dat zo bedoelen, maar ik nodig wel iedereen uit om over de vorm die zo ontstaat, na te denken. Overtuigt ze?
Mij niet. Religieus rammelt het hier.
Het is daarom te voorzien dat het bij de mensen die het officiële huwelijk willen laten voorafgaan door een onofficiële, voorbereidende fase, van uitstel tot afstel van het huwelijk zal komen. Voor het huwelijk immers zijn twee dingen nodig: ootmoed en vertrouwen. De ootmoedige erkentenis dat wij zondige mensen voor een duurzame verbintenis de hulp van God en van de samenleving in moeten roepen en het vertrouwen, dat God die zelf trouw is ook trouw zal maken.
Trouwen kan niet zonder vertrouwen.
Waar dat godsvertrouwen ontbreekt, zal gezocht worden naar een relatie-vorm, die natuurlijk de duurzaamheid nog wel bedoelt (want die zit in liefde en trouw opgesloten), maar niet meer uitspreekt.
Wie zijn partner publiek de trouw voor het leven belooft, kan dat eigenlijk alleen maar doen vanuit een religieuze verworteling.
Daarom is er verband tussen het verval van de huwelijksvorm en de ontkerstening van onze samenleving.
Men moet hier niet tegen in brengen dat vroeger toch talloze ongelovigen gelukkig en voor het leven getrouwd zijn geweest (en voor velen geldt dat nog), want dit heeft gekund dank zij het religieuze dat onze cultuur doortrok, al hadden zij daar persoonlijk geen deel aan.

Kort samengevat heb ik tegen het voor-echtelijk samenleven vierderlei bezwaar. Politiek: men kruipt vrijwillig in een subcultuur en laat de publieke zaak los. Sociaal: door de privatisering van de man-vrouwrelatie bevordert men het uiteenvallen van de samenleving. Psychologisch: man en vrouw kunnen elkaar zo aan de ziel beschadigen, dat hun relatie een vorm nodig heeft die hen voor God en de samenleving bereikbaar maakt, ter controle en hulp. Religieus: de ootmoed gaat ontbreken om zich publiek sterk te maken in de trouw van God voor de trouw aan elkaar.

Volgende keer hoop ik het amsterdamse kerkeraadsstuk over het voor-echtelijk samenleven in verband met de kerkelijke huwelijksbevestiging te publiceren en van een kort kommentaar te voorzien.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief