Aanzienlijk ambt
1980-06-13
Die twee woorden staan in het oude bevestigingsformulier voor ouderlingen. Je zou het anders niet zeggen: een aanzienlijk ambt. In de hedendaagse literatuur is de ouderling het mikpunt van spot en ook als hij niet achter zijn rug om uitgelachen wordt, vindt men hem een figuur, die minstens een halve eeuw bij de tijd achterop is. Hij is nergens echt goed in. Hij is geen theoloog, ook al verbeeldt hij zich van wel. Een goed hulpverlener is hij ook al niet, want hij is geen psycholoog. Als hij probleemgevallen benadert, blundert hij, zodat een ander de ravage weer opruimen kan. Hij lijdt aan functieverlies. Het is dan ook herhaaldelijk voorgekomen, dat een kerkenraad vrouwen op het tweetal zette voor ouderling; men is niet begonnen zich af te vragen of een vrouw ouderling kan of mag zijn, nee, de bezinning op bijbelse gegevens kwam naderhand. Men zat ermee, dat geen enkele man meer op de nominatie wilde staan. Dán maar een vrouw; een noodoplossing. Niet overal ging het zo, maar ik ken gemeenten waar de discussie over “de vrouw in het ambt”, uit de nood geboren werd. Ik weet ook van broeders, die verhuisden en toen ze hun attestatie inleverden, werd hun meteen gevraagd of ze beschikbaar waren als ouderling of diaken. En wat wordt het als er geen ouderlingen zijn? Ik heb op de televisie Maasbach gezien in heel zijn bedrijf van bidden, dopen en genezen en ik hoorde hem toen in die uitzending en voor de radio. Wat moet je daar nu van denken, vroeg m’n vrouw die de toestand volgde. Ik heb alleen gezegd: Die man mist ouderlingen.- Jaargang 24
- nummer 24