Een nieuw boek over de apocolyps
1980-06-13
In oktober 1979 verscheen bij W. Gaade b.v. te Amerongen van de hand van. de Utrechtse hoogleraar dr Gilles Quispel een boek onder de titel "Het geheime boek der Openbaring" (ISBN 9060179285).- Jaargang 24
- nummer 24
Het telt 192 pagina's, bevat meer dan 400 illustraties in vierkleurendruk en in zwart-wit en kost f 90,-.
Men zou bijna in de verleiding komen het verschijnen van dit boek te begroeten met de wanhopige verzuchting van een oudtestamentische wijze: "Er komt geen eind aan het schrijven van veel boeken..." (Pred. 12, 12; vert. Van der Ploeg).
En veel boeken zijn er in de loop der eeuwen geschreven over de Openbaring van Johannes. Een Duits nieuwtestamenticus kwam enkele jaren geleden voor de periode 1700-1974 tot meer dan 1500 titels! Wat moeten we dan met alwéér een boek over de Apocalyps? Toch is in de pers van het verschijnen van dit boek nogal wat ophef gemaakt. Het is dan ook in meer dan een opzicht een bijzonder boek.
De vormgeving en de uitvoering zijn eenvoudig schitterend. De graficus Emil Bührer bracht meer dan 400 illustraties bijeen, voornamelijk van schilderijen, tekeningen, etsen en houtsneden van kunstenaars, die sedert het begin der middeleeuwen de visioenen van Johannes opnieuw hebben beleefd en doorleefd, een rijke collectie waarop men niet spoedig uitgekeken raakt. En waarom zouden wij ons niet eens aan die bron laven, aan het werk van mensen, die door hun artisticiteit mogelijkerwijs een fijner afgestelde antenne voor het beeldend spreken van de Apocalyps hadden dan wij? En dat alles is gedrukt op een luxe, zware papiersoort en gebonden in een stevige band met een prachtige stofomslag. Aan alles is te merken met hoeveel minutieuze zorg deze uitgave is samengesteld. Mij is slechts een onbetekenend aantal drukfouten opgevallen. Op blz. 20 staat bijvoorbeeld 'aiän' in plaats van 'aiön'. Een ander schoonheidsfoutje is, dat op dezelfde bladzijde als jaar van verschijnen van Franz Boll's "Aus der Offenbarung Johannis" 1914 wordt opgegeven, terwijl de literatuurlijst op blz. 189 het jaar 1967 noemt. Dan had wel}even vermeld mogen worden, dat beide jaartallen juist zijn: het desbetreffende werk is inderdaad in 1914 verschenen, maar in 1967 ongewijzigd herdrukt. Merkwaardig genoeg is het eveneens op blz. 20 genoemde fundamentele werk van Scholem over de joodse mystiek niet in de literatuurlijst opgenomen, hoewel daarin toch wel andere publicaties genoemd worden, die niet specifiek op de Openbaring betrekking hebben. Van de commentaren op het laatste bijbelboek missen we in deze lijst eigenlijk die van Lohseen van Wikenhauser, die toch wel als representatief voor de stand van het onderzoek in resp. het Lutheraanse en het rooms-katholieke kamp worden beschouwd. Maar dat zijn allemaal slechts punten van ondergeschikt belang.
De tekst van het boek is van de hand van dr Gilles Quispel, hoogleraar in de geschiedenis van de vroege kerk te Utrecht. In een inleidend hoofdstukje zet hij uiteen, dat er twee sleutels zijn voor het begrijpen van de Apocalyps. De eerste ligt in het joodse christendom. De auteur van de Openbaring was een joods christen, een profeet in de oudchristelijke betekenis van het woord. De tweede sleutel is dan een van oorsprong heidens volksverhaal, dat echter door joden en joodse christenen werd doorverteld, nI. dat keizer Nero geen zelfmoord had gepleegd in het jaar 68, maar naar de Parthen ten oosten van de Eufraat was gevlucht en vandaar zou terugkeren aan het hoofd der Parthische troepen om het gehate Rome ten val te brengen. De uiteindelijke overwinning, ook van de verderfelijke Nero, zou echter aan (de God van) Israël zijn.
In het hoofdstuk "De man en zijn tijd" lezen we, dat de auteur van de Apocalyps niet de apostel Johannes was, die reeds lang voordat dit boek werd geschreven tegelijk met zijn broer Jacobus om het leven gekomen heet te zijn, maar een uit Jeruzalem afkomstige profeet, die naar Efeze was gekomen, onder de regering van keizer Domitianus om het geloof naar het eiland Patrnos was verbannen en daar zijn visioenen hard gekregen. We lezen tal van bijzonderheden over de drie steden, die in het leven en de gedachten van de schrijver een grote rol hebben gespeeld: Jeruzalem, Efeze en Rome. Het volgende hoofdstuk is gewijd aan "Nieuw licht op de Openbaring". We horen iets over het begrip "apocalyptiek" in joodse en christelijke kringen,geïnspireerd door de profetieën van Ezechiël. Franz Boll toonde, hoe astrologische symboliek in die tijd denken en spreken van de mensen in de hellenistische wereld bepaalde. De - joodse gel eerde Gershom Seholem opende de ogen voor de joodse mystiek, die een veel wijdere en diepere invloedssfeer gehad blijkt te hebben dan men vroeger dacht.
Deze drie factoren (apocalyptiek, astrologie en mystiek) krijgen in dit hoofdstuk de aandacht. Maar nog veel meer bronnen van "nieuw licht' heeft Ouispel op de Openbaring laten schijnen, zoals op talrijke plaatsen in het boek blijkt.
Na de laatste wereldoorlog vroegen Hans Joachim Schoeps en Jean Daniélou aandacht voor het joodse Christendom, waarvan men voordien zelfs het bestaan ontkend had.
Zij kwamen tot de conclusie, dat er een joodse vorm van christendom niet alleen heeft bestaan, maar zelfs uiterst belangrijk is geweest. "Tot ongeveer 150 ging de waarheid in het joods gekleed", schreef Quispel eens. Deze ontdekking kreeg een nieuwe dimensie, toen in 1945 bij Nag'Hammädi in Egypte zo'n 50 Koptische geschriften werden ontdekt, die weliswaar voor het merendeel gnostisch van aard zijn, maar op verschillende punten joodschristelijke gedachten blijken te bevatten.
Het Evangelie van Thomas, een van deze geschriften, waarin 114 spreuken staan die aan Jezus worden toegeschreven, is volgens Quispel niet gnostisch, maar bevat een traditie van woorden van Jezus, die onafhankelijk is van de kerkeIijke traditie in de canonieke evangeliën en teruggaat op de oergemeente van Jeruzalem. En dan is er nog de hernieuwde belangstelling voor de hellenistische cultuur van de eerste eeuwen van onze jaartelling. De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften leefden in een hellenistische wereld en daarom is het onderzoek van taal en cultuur van die wereld zo belangrijk om de betekenis en de achtergrond van bepaalde termen, begrippen en gedachten te achterhallen.
Dit onderzoek is in Nederland vooral op initiatief van wijlen prof. Van Unnik op gang gebracht en geschiedde in Utrecht onder leiding van prof. Vermaseren, die kort geleden door prof. Van den Broek is opgevolgd. Quispel heeft trouwens zelf aan de universiteit van Leuven een aantal jaren colleges in het hellenisme gegeven. En al deze achtergronden spelen mee bij Ouispel's verklaring van het laatste bijbelboek.
Na een "Samenvatting" van wat in de Openbaring allemaal wordt verteld, is op de bladzijden 34-119 links de volledige tekst van Openbaring afgedrukt (helaas in de berucht lelijke zg. Nieuwe Vertaling van het N.B.G.) met rechts in de marge en op de tegenoverliggende bladzijde Quispel's verklaring van alle daarvoor in aanmerking komende woorden, uitdrukkingen en passages. Op blz. 120 formuleert Quispel vier conclusies, die in het kort hierop neerkomen:
a. Johannes gelooft vast in de spoedige wederkomst van Christus om in Jeruzalem zijn koninkrijk te vestigen. "Dat is niet een kerk maar een staat, waarin de verloren eenheid van het volk Israël is hersteld."
b. "Johannes gelooft ook aan de wederkomst van Nero, het beest, 666."
c. "Johannes zegt voortdurend hetzelfde" (recapitulatie-theorie).
Zijn visioenen beschrijven steeds weer dezelfde gebeurtenissen: "de komende eindstrijd der wereldmachten, de laatste aanval op Israël, de uiteindelijke overwinning van de Messias."
d. In weerwil van zijn eigen gespletenheid aanschouwt Johannes toch een zg. verenigend symbool, de Vrouwe die een kind baart en wijst daarmee op de integratie van het onbewuste zielelven.
In helt hoofdstuk "De betekenis van de Apocalyps" laat Ouispel in kort bestek zien, tot welke moeilijkheden d!it bijbelboek in de loop der eeuwen. aanleiding heeft gegeven en dus tot welke totaal verschillende interpretaties. De oosterse kerk verwierp de concrete eschatologie van de Apocalypse en nam het boek niet in de canon op. De westerse kerk aanvaardde het boek en legde het met grote argeloosheid uit zoals het geschreven was: chiliasme was toen nog orthodox. Maar kort na Constantijn de Grote veranderde dat. Een zekere Tyconius kwam met een geestelijke uirlag: het zou in de Apocalyps niet gaan om de eindstrijd tussen Israël en Rome, maar om de eeuwige strijd tussen de agressieve, goddeloze wereld en de weerloze kerk Het duizendjarige rijk was al begonnen met de komst van Christus, het bestond al in de kerk en was ook de kerk.
Deze "uitleg", door Augustinus later overgenomen, heeft tot in onze dagen de orthodoxie beheerst. De paragraaf over "De wetenschappelijke benadering" (blz. 122-123) heeft mij nogal teleurgesteld. Quispel schetst vooral enkele kolossale geleerde miskleunen, maar er zijn over de geschiedenis van de exegese van de Openbaring toch wel wat meer en wat positievere dingen te vermelden, dacht ik. Via en schets van de esoterische benadering van het laatste bijbelboek door de antroposoof Rudolf Steiner komt Quispel terecht bij de psychologische benadering door zijn vereerde leermeester Carl Gustav Jung in diens boek Antwort auf Hiob" uit 1952: "Johannes' visioenen zijn opgeweld uit de onpeilbare diepten waar de oerbeelden leven als waren zij diepzeevissen.
Volgens Jung is de geboorte van het kind uit de Vrouwe (hoofdstuk 12 een voorspel op de nederdaling van de hemelse bruid Jeruzalem (hoofdstuk 21). Jeruzalem is Sophia (Wijsheid). De Vrouwe is ook Sopia, de wereldziel. Zij voegt het donkere bij het lichteçzij betekent de heilige bruiloft der tegenstellingen, en zij verzoent de natuur met de geest." Anders dan Quispel was Jung van mening, dat Johannes wel degelijk onze tijd met haar rampspoeden van reeds plaatsgehad hebbende en nog op komst zijnde oorlogen heeft voorzien:
"Wie durft in ernst te beweren, dat Johannes op zijn minst de mogelijkheden, die in de eindtijd van het christelijke tijdperk onze wereld direct bedreigen, niet vooruitgezien heeft." Quispel onderschrijft daarentegen de conclusie van de moderne wetenschap: "Johannes heeft onze tijd niet voorzien. Tegelijkertijd zijn wij ons ervan bewust dat dit verstand en gemoed onbevredigd laat. Want kan van de eenvoudige getuige van Jehova of de onontwikkelde baptist, die vervolgingen trotserend beleden dat de dictator van Duitsland of Rusland de Antichrist was, worden gezegd dat zij de Apocalyps zo verkeerd hebben begrepen? Johannes hebben zij in elk geval beter verstaan dan de talloze intellectuelen die de schanddaden van deze heersers vergoelijkten en verzwegen."
Maar waar gaat het dan volgens Quispel wel om? Wat is de betekenis van de Apocalyps, wanneer de auteur onze tijd niet heeft voorzien en wat hij wel voorzag nooit is gebeurd?
Volgens Quispel gaat het in de Apocalyps over het lijden van de onschuldige en dat is naar zijn mening "nog altijd de belangrijkste vraag in ieder mensenleven". En op die vraag naar het lijden van de onschuldige is maar één antwoord, dat het lijden voor de onschuldige draaglijk kan maken: eigenlijk lijdt niet hij, maar Christus lijdt in hem.
Quispel adstrueert dit met treffende voorbeelden uit het Nieuwe Testament en de oudchristelijke letterkunde.
Het kruis is het antwoord op deze meest fundamentele vraag in de crisis van het mensenleven.
Ten slotte beschrijft Quispel de Apocalyps als het verslag van een individuatieproces. "Dromen en visioenen hebben een bedoeling.
Zij openbaren hoe iemand werkelijk is zonder dat hij zich daarvan bewust is, maar ook dat er iets met hem gebeurt... Zo moet zich ieder mens ontwikkelen tot die geheel unieke persoonlijkheid die hij bestemd is te worden: aan het leven is een tendens tot zelfverwerkelijking eigen." Die zelfverwerkelijking heet nu met een vreemd woord 'individuatie' en volgens QuispeI heeft de profeet Johannes in de visioenen die hij beschrijft een individuatieproces doorgemaakt. Het is onmogelijk deze complexe materie en Quispels toepassing daarvan op de schrijver van de Apocalyps in het kort samen te vatten: we kunnen een en ander slechts signaleren. Wel willen we de conclusie citeren, waartoe Quispel na zijn wetenschappelijk onderzoek van de Apocalyps is gekomen (blz. 134): "
Op de een of andere wijze drukken de beelden van Johannes de werkelijkheid beter uit dan abstracte begrippen. Het beeldende denken zoals dat in de Apocalyps te vinden is, geeft diepe bevrediging aan het geprangde gemoed maar bevat bovendien eeuwige waarheid.
Johannes opent onze ogen voor het lijden van de onschuldige. Hij boezemt ons een heilzame afkeer in van de absolute staat die zichzelf verafgoodt en niets boven zich erkent.
Hij toont ons dat de werkelijkheid gruwelijker is dan vorige geslachten ooit vermoedden. Hij geeft aan dat de evolutie gaat in de richting van de éénwording der mensheid en de vergeestelijking van de materie. Hij leert ons goed en kwaad te scheiden, te lijden onder die tegenstelling. Hij laat ons zien hoe door individuatie het Zelf te ontdekken en het conflict te boven te komen. Doel is het huwelijk van hemel en hel. Hij vermaant ons met al deze woorden en al deze beelden de aarde trouw te blijven omdat hei Koninkrijk van God op de wereld komt."
Het uitvoerige laatste hoofdstuk gaat over "De nalatenschap van Johannes" en laat zien in hoe sterke mate beeldende kunstenaars sedert het begin der middeleeuwen door de Apocalyps zijn geïnspireerd aan de hand van de belangrijkste thema's, vooral 'het Lam op de berg Sion'.
We hebben met opzet de schrijver van dit nieuwe boek over de Apocalyps lang aan het woord gelaten, te uwer informatie. We willen nu eerst graag een paar vragen stellen:
1. Wat kan de reden geweest zijn, dat Johannes in hoofdstuk 7 bij de stammen van Israël niet de stam Dan noemt? Het punt komt in de uitleg niet aan de orde.
2. Gaat het, methodisch gezien, aan om bij de exegese van het beeld van de hoer in hoofdstuk 17 voorbij te gaan aan althans de mogelijkheid van een oudtestamentische achtergrond, waarbij vooral te denken valt aan Hosea en Ez. 23 (het volk van God, dat zich van Hem heeft afgekeerd)? De schrijver van de Apocalyps was een joods christen, dus toch in ieder geval óók een jood! Daarom hadden in het algemeen de wel met enig recht te veronderstellen oudtestamentische achtergronden van wat hij schreef wel wat meer reliëf mogen krijgen.
3. Was het, nu dit boek zoveel aandacht aan het cultuurhistorische belang van de Apocalyps schenkt, niet interessant geweest uiteen te zetten wat denkers en dichters zoals Thomas Carlyle, Paul Claudel en D.H. Lawrence hierover te zeggen hadden? Misschien kan prof.
Quispel ons daarover in ander verband nog eens inlichten?
4. Wij zouden ons ten slotte willen afvragen, of en in hoeverre de psychologische benadering van de schrijver der Apocalyps door Jung en Quispel inderdaad veel verduidelijkt.
Tot deze vraag komen wij, het zij nederig erkend, vooral door onze geringe kennis der psychologie, maar wij zouden ons heel goed een ondeugende lezer kunnen voorstellen, die de wrange vraag stelt of een dergelijke benadering ons niet meer over de psychische structuur van de exegese dan over die van de schrijver vertelt.
Doch dit zijn slechts enkele spontaan opgekomen kritische vragen over een paar ondergeschikte punten.
Het gaat in feite natuurlijk om veel fundamenteler zaken. Want het laatste bijbelboek is wellicht het meest problematische van alle bijbelboeken.
De reformatoren van de 16e eeuw wisten er niet goed raad mee. Luther nam het wel in zijn bijbelvertaling op, maar was van mening dat "Christus darinnen weder gelehrt noch erkannt wird". Een paar jaar later schreef Zwlngli: "Von der Apokalypse nehme ich kein Zeugnis an, denn sie ist kein biblisches Buch." Minstens zo sprekend is het zwijgen van Calvijn, die over alle bijbelboeken een commentaar schreef, maar niet over het laatste. En we zullen toch heel nuchter onder ogen moeten zien, dat er niet veel keuzemogelijkheden zijn. We kunnen aannemen, dat het duizendjarige rijk nog moet komen en dus chiliast worden. Als we dat niet willen, maar anderzijds de bewering, dat het duizendjarig rijk er al is sinds Christus, voor een verzinsel houden, een verlegenheidsoplossing die als zodanig nu juist geen oplossing is, blijft er niet veel anders over dan te erkennen, dat Johannes' verwachtingen niet zijn uitgekomen. Deze problematiek zullen we heel nuchter onder ogen moeten zien. Het boek van Quispel is nu niet alleen in cultuurhistorisch opzicht erg belangwekkend, maar vormt ook een uitstekend hulpmiddel om over de hierboven geschetste problematiek na te denken. Voor een definitief, afgerond en een het geheel omvattend onderdeel is de tijd nog lang niet rijp. Maar de hier voorgedragen opvattingen hebben een degelijke wetenschappelijke basis en zullen daarom ook slechts op wetenschappelijk-zindelijke wijze getoetst en beoordeeld kunnen worden. Wie de hik van de schrik krijgt, wanneer het woord "wetenschap" valt, kan dit boek beter ongelezen laten. Het is niet voor hem geschreven. Wie daarentegen geen heil van struisvogelpolitiek verwacht en angst met reden voor een slechte raadgeefster houdt, zal zich niet met confessionele uitvluchten van d'it boek willen afmaken, maar zich eerder geprikkeld voelen nuchter, voorzichtig en met zin voor wetenschap, dus kritisch over de hier aan de orde gestelde zaken mee en na te denken. En dat is dan misschien wel de grootste verdienste van dit boek.