Ambtsdragend of ambtenaar

1980-06-20
  • Jaargang 24
  • nummer 25
In de vroege christelijke gemeente waren de ambten niet scherp gescheiden. Stefanus, de diaken, werd gestenigd om zijn prediking, Paulus, de uitzendkracht van de gemeente te Antiochië, ondernam zijn derde grote reis voornamelijk als diaken voor de armen van Jeruzalem (Gal. 2: 10). Als het werk maar gedaan werd, dan deed het er minder toe door wie en in welke hoedanigheid. Men hoort er wel eens van, dat mensen die op kantoor werken of ambtenaar zijn, sterk op hun strepen staan of op hun ponteneur. Laat iemand van een andere afdeling niet iets doen wat onder jou ressorteert! Je neemt dan niet. Overigens moeten lezers of lezeressen die ambtenaar zijn, niet kriebelig worden van het opschrift boven deze notitie. De goeden niet te na gesproken gaat het mij er maar om, dat het in de gemeente van de Here Jezus anders moet liggen dan in de maatschappij. Want een ambt is geen positie, maar een taak. Al tekenen de verschillende opdrachten, zoals prediking, huisbezoek en hulpbetoon zich min of meer duidelijk af, ze vloeien ook herhaaldelijk in elkaar over. Het gebeurt, dat je een contact gelegd hebt buiten of binnen de gemeente en een ander neemt het opeens over. Moet je dan verontwaardigd zijn, omdat iemand zich met jouw werk bemoeit? Als onze gezindheid goed is, kwetst het ons niet in een gewaande ambtshoogheid.
We denken bescheiden: die ander kan wellicht meer bereiken dan ik. Paulus heeft dat met een treffende ootmoed beschreven in 1 Kor. 3. Paulus is niets en Apollos ook niet: God is alles. Wie plant en wie begiet staan gelijk. Met z’n allen ijveren we ernaar om allen tot Christus te bewegen en tot elkaar. Wat is dus Apollos helemaal? Of Paulus? We zijn dienaars, schrijft Paulus. Diakens. Dus geen hoge autoriteiten. Geen geestelijke of kerkelijke leiders. In de kerk kun je nooit carrière maken.
Om in het beeld van de voetwassing verder te gaan (Joh. 13): je hebt het in de gemeente al heel goed gedaan, wanneer je het tot schoenpoetser gebracht hebt. Vroeger zag ik twee zulke mannetjes bij de ingang van het spoorstation. Ze poetsten de schoenen van anderen; ze lagen erbij op hun knieën. Ik ben die twee mannen niet vergeten; ze hadden een hoog ambt. Niet in het oog van de wereld, nee, dat niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief