Van oude en nieuwe Gereformeerden

1980-06-20
  • Jaargang 24
  • nummer 25
Ds H. J. Velema schrijft in Jaarboek 1980 in zijn terugblik over 1979 dat er een zekere matheid is in het kerkelijk leven. Hij acht het zelfs niet onmogelijk dal er een zeker verband is tussen de matheid van de jaren zeventig, waarover algemeen geklaagd wordt (werd?) en de matheid in de kerken. JIk zelf zou me ste1liger durven uitdrukken dan ds Velerna doet als het gaat over onze kerken. Er is een teruggang ook bij ons in de betrokkenheid van de leden bij de kerk en wat er in en rond de kerk gebeurt, die nauw verband houdt met de tijd en de wereld waarin we leven.
Ik vermoed overigens dat de zaken bij ons nog wel wat ongunstiger liggen dan in de Chr. Gereformeerde Kerken. Met veel van wat ds Velema zegt ben ik het eens. Ik denk dat wij het ons nog sterker dienen aan te trekken. Overigens kan ook hierover alleen in het algemeen gesproken worden uiteraard.

Als we het proberen Bijbels te formuleren dan dient er meen ik gezegd te worden dat het nauwe verband tussen de sociale samenstelling van de gemeenten en de inhoud van het Evangelie er niet meer [s of niet meer zo is, als zou moeten zijn. Dr A. J. Verbrugh heeft in een interview in N.R.C.-Handelsblad van 3 mei j.l. gezegd dat het gemiddelde G.P.V.~lid een actieveling is," meest afkomstig uit de wat betere middenklasse, te Groningen, Overijssel en Zuid-Holland. Relatief veel intellectuelen en mensen uit het onderwijs. Neen, niet zozeer van het platteland: de kleine agrariërs vindt u meer bij de S.G.P." Als ik aanneem dat wat van het gemiddelde G.P.V.-lid geldt, óók geldt van de gemiddelde Vrijgemaakte en als ik aanneem dat wat van de gemiddelde Vrijgemaakte geldt, óók geldt van het gemiddelde lid van onze kerken, dan zal ik er wel niet ver naast zitten. Maar als we aannemen dat dr Verbrugh gelijk heeft - en ik ben het met hem eens; op dit punt - dan is het dus duidelijk dat onze kerken niet meer het beeld vertonen van dat van de gemeente van Corinthe, zoals Paulus daarover spreekt in 1 Corinthiërs 1 : 18-2 : 5. God is die God die uitkiest dat wat voor de wereld zwak, dwaas en onaanzienlijk is. Dat is in overeenstemming met Zijn handelen in Jezus Christus. Dat Evangelie is voor wijzen en verstandigen verborgen en het is aan kinderen geopenbaard. En daarom bestaat de gemeente uit de lagere bevolkingsgroepen.
De mensen van de hoge geboorte, van de macht en van het intellect zijn in de minderheid in de gemeente. Wat Paulus zegt in 1 Corinthiërs, geldt niet alleen van Corinthe, maar geldt van èlke gemeente, ja moet van elke gemeente gelden en als het dan zo ver komt dat we moeten zeggen dat de verhoudingen in onze kerken anders zijn, dat die 'n stempel ontvangen van de mensen van het intellect van de macht en van het geld dan is het tijd de stormbal te hijsen en de noodklok te luiden.

Gelukkig heeft de Here niets tegen rijke mensen, tegen aanzienlijken en tegen de mensen van het intellect. Maar dan moeten deze rijken wel arm zijn om door God rijk te zijn in Jezus Christus. Dan moeten de aanzienlijken toch ellendig zijn. Dan moeten de intellectuelen toch mensen zijn die zich geen raad weten als ze denken aan hun zonden en aan hun staat en stand voor God. Dan moeten deze rijken en aanzienlijken toch weten dat ze met de minsten van de minsten verheerlijkt moeten worden. Het is duidelijk dat er veel gevaren verbonden zijn aan het rijk zijn. De vele waarschuwingen in de H. Schrift zijn veelzeggend. Als er niet zulk een dodelijke kant aan de rijkdom zat, dan zouden er niet zo veel vermaningen gegeven zijn. Ais de rijken dan ook nog invloedrijk worden - en dat is helaas een veel
voorkomende verbinding - dan wordt het nog gevaarlijker. Want de mogelijkheid van de machtsuitoefening leidt makkelijk tot bederf.
Gereformeerden van nu zijn van eenvoudige mensen tot invloedrijken geworden. Ze vreesden de Here, ze gebruikten hun verstand, ze waren diep overtuigd van de noodzaak de geschonken talenten ook te moeten gebruiken. Abraham Kuyper kon door de Romeins terecht de klokkenist van de kleine luiden genoemd worden. En helaas zien we dan in de geschiedenis van gereformeerde gezindte hetzelfde als wat zo vaak te zien is in de geschiedenis van Israël: als Jeschurum vet wordt slaat het achteruit.
Men vergeet de HERE. Dik en vet gemest verwerpt men makkelijk die God, die ons gemaakt heeft. De neergang van het Gereformeerde leven is duidelijk aanwijsbaar. Ik kan me nog herinneren dat ds H. Colijn bij de herdenking van de Afscheiding in 1934 met trots een aantal excellenties begroette op de jubileumvergadering. De Cook zou er niet van gedroomd hebben, zo zei hij en hij had gelijk. Maar hoe zeer was toen de eenvoud al zoek.
En een verburgerlijkte machtshongerige gemeenschap ging snel de ondergang tegemoet, al psalmen zingend over de Heer die zou opstaan tot de strijd. Het aantal gewezen gereformeerden die het geloof der vaderen opzij hebben gezet is groot. Merkwaardig genoeg hebben ze vaak wèl de macht nog De ontwikkeling in de Gereformeerde Kerken na 1934, Vrijgemaakt en niet-Vrijgemaakt, is een iets andere geweest dan in de Chr. Gereformeerde Kerken. De reactie van de Chr. Gereformeerden op de idealistische theologie van dr Abr. Kuyper was die van de verontruste zondaar op hen die te makkelijk praten over de genade en het deel hebben aan de genade. De reactie van de Vrijgemaakten op de theologie van ds Kuyper was de reactie van de intellectueel die vond dat men hem geen onzin moest voorschotelen.
Ik weet natuurlijk dat ik overdrijf en de zaken zwart-wit stel, maar dat is nodig voor de duidelijkheid.
Ik weet dat de invloed van de doperse gedachtengang iq beide groeperingen ook groot was en is. Weinig vrijmoedigheid in het geloof en veel vrijmoedigheid over eigen gelijk (wij zijn de ware kerk!) hebben een gelijke wortel. Nu vrees ik dat de Chr. Gereformeerde Kerken het gevaarlopen een gelijke ontwikkeling door te zullen maken als de Gereformeerde Kerken doorgemaakt hebben. Wij zijn allemaal rijk geworden sedert 1945. Misschien dat er nu wat kentering in zal komen, maar dat is iets wat ik niet overzien kan. Dr Verbrugh zegt dat de kleine agrariërs bij de S.G.P. zitten. Als hij daarin gelijk heeft dan betekent dat: meer bij de Chr. Gereformeerden dan bij ons. Bij ons zijn de arbeiders al lang weg. Soms weggegaan.
Soms opgehouden arbeider te zijn, maar geworden tot een beter gesitueerde middenstander. De kunstenaars - wel steeds een kleine groep - zijn ook weg. Maar een gemeente waarin arbeiders en kunstenaars zich niet (meer) thuis voelen is geen goede gemeente, zelfs al heeft die gemeente een goede belijdenis en leeft het verlangen bij de belijdenis te blijven. Want de inhoud van het Evangelie heeft te maken met de sociale samenstelling van de gemeente. We hoeven echt niet mee te doen aan de modernistische kreten over "het evangelie voor de armen" om toch vast te houden aan wat Paulus ons leert.

De nieuwe Gereformeerden zijn niet zo gesteld op de kerkdienst als de oude waren. Het twee maal per zondag naar de kerk gaan wordt door velen bij ons (en door een kleinere groep bij de Chr. Gereformeerden) toch wel als iets overbodigs gezien. De twee kerkdiensten van anderhalf uur worden door velen teruggebracht tot één dienst die vooral niet langer dan een uur moet duren. En de gewoonte van veel Evangelieals in het buitenland om maar één keer kerk te houden sluit daarbij verwonderlijk goed aan. Ds Velema wijst terecht op de verandering van leefpatroon en op de weekendrecreatie, die ingrijpt op de zondagsviering.
De nieuwe gereformeerden wensen elkaar niet meer een goede zondag, maar wensen elkaar een prettig weekend. En zo wel voor Chr. Gereformeerden als voor Nederlands Gereformeerden geldt wel dat als ze naar het Zuiden verhuizen velen toch liever onder de moderne prediking van de Gereformeerde Kerken zitten dan zich te voegen bij een klein groepje, dat verdwijnt in het grote godsdienstige en ongodsdienstige geheel.

Wat moeten we doen?
De kerkelijke, politieke en maatschappelijke onvrede en verveeldheid van onze dagen is duidelijk vrucht van gebrek aan de prediking van de rechtvaardiging van de zondaar zonder de werken. Ook nu staan we voor de situatie dat de vergeving der zonden gepredikt moet worden aan mensen die daarom niet vragen. Maar die moed zullen we tóch moeten hebben, zoals de apostelen die hadden. Want niets anders kan ons redden. Niets anders kan de wereld redden. Maar kerkmensen en niet-kerkmensen moeten wei merken en horen dat we zelf daarbij met alle vezels van ons bestaan betrokken zijn. Alle hoorders moeten merken dat het wezen van onze bekering en het wezen van de bekering waartoe wij roepen, gelijk is en dat voor ieder mens geldt dat hij een arme zondaar voor God moet willen zijn, die alleen maar gered kan worden door Jezus alleen. Die niet alleen één keer gered moet worden, maar die ook elke dag opnieuw gered moet worden. Die elke dag weer van genade moet leren leven. Zo en zo alleen kan matheid verdwijnen. Zo en zo alleen zal de rijkdom ons geen strik zijn waarin we vallen. Zo en zo alleen blijft de intellectueel een eenvoudige van hart, die toch heel gewoon op gelijk niveau kan praten met arbeiders, soldaten en agrariërs op het niveau van de arme zondaar. Zo alleen kan ook de eenheid van alle christenen opbloeien.

28 mei 1980

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief