Het leven der gemeente
1980-06-20
We kunnen in dit opzicht zeker drieërlei onderscheiden. We kunnen proberen na te gaan hoe het leven van de christelijke gemeente de eeuwen door .geweest .is en zich ontwikkeld heeft. Voorts kunnen we zoeken naar een dwarsdoorsnee van het leven van de christelijke kerk in deze moderne eeuw om het laatst maar niet het minst uit de Heilige Schrift af te lezen welke de vereisten zijn, die de Geest heeft geformuleerd voor het zijn en welzijn van de samenleving der christenen binnen het instituut, dat kerk heet. Het is natuurlijk ondoenlijk om aan alle drie aspecten volle aandacht te schenken. Vandaar, dat we ons moeten beperken en dus een bepaalde keus doen. Het draait bij ons in de allesbeheersende plaats om de bijbelse notie van gemeenschap en wat naar de norm van de Bijbel absoluut noodzakelijk is voor een effectieve functionering van de kerk als gemeenschap der heiligen.- Jaargang 24
- nummer 25
1. Wie gemeente zegt, zegt gemeenschap. Die gemeenschap is gesticht door Christus. Hij is het Hoofd van het lichaam, zijn gemeente.
Iemand heeft onderzocht hoeveel beelden in de Bijbel voor de kerk worden gebruikt en kwam tot het belangwekkend aantal van 91. Maar het beeld van het lichaam is het meest centrale en treffende om de verhouding van Christus en Zijn gemeente aan te geven. Iemand, die wedergeboren wordt, dat is dus: die zich tot God bekeert, wordt ingelijfd, ingelichaamd, in dat lichaam van Christus ingezet. Die eenheid tussen Christus en zijn gemeente is zelfs zó sterk, dat Paulus in I Kor. 12 : 12 Jezus en ons als Christus betitelt: "Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft en al de leden van het lichaam, hoevele ook, één lichaam vormen, zo ook CHRISTUS." ZO regeert Jezus Christus over zijn gemeente. Maar we moeten dan wel het karakter van .die heerschappij van onze Heiland en Koning goed onderscheiden. Zijn heerschappij is geen heerschappij van een dictator of van een despoot. Zijn absolute heerschappij is een GENADE heerschappij! Er bestaat een organisch verband tussen hoofd en lichaam. In het hoofd heb je de gedachten en volgens de gedachten de wilsbesluiten. Het lichaam reageert op het hoofd. Maar dat is dus niet een zaak van dwang. Iedere dwang in de kerk is zonder meer duivels. Het gaat in de kerk om de zachte drang van Christus' liefde. Die liefde dringt, voorts door alles heen en moet het hart bereiken. Petrus werd eens door zijn Heiland aangekeken. En die blik ging hem door merg en been. Maar het was voluit een reddende blik! Dwang geldt bij Christus alleen voor zijn vijanden, niet voor hen, die Hij tot zijn vrienden gemaakt heeft. Hoofd en lichaam. Een prachtig beeld. Er is één bloedstroom in hoofd en lichaam. Daarin heerst één geest. Daarin klopt één leven. Die eenheid is zo hecht en innig, dat Paulus zelfs kon zeggen: Ik ben mèt Christus gekruisigd, ik ben mèt Hem opgestaan. Ik ben met Christus eigenlijk al in de hemel. (Zie o.a. Efeziërs 2 : 6). Het woordje: met (mede) heeft hier wel een geladen betekenis.
Alles wat in het hoofd gedacht wordt, uit zich via 't lichaam en krijgt via 't lichaam gestalte. Rembrandt had als kunstschilder van tevoren zo'n schilderstuk al in zijn hoofd. Bach had van te voren b.v. "Die hohe Messe" al in zijn hoofd. En het kreeg allemaal vervolgens via de handelingen van hun lichaam gestalte en vorm. Door middel van het lichaam kun je het ook ZIEN! Daarin wordt getast de vrucht van het zoeken van de dingen, die boven zijn, dat zijn de dingen, die van Christus zijn. (Col. 3 : 1 e.v.).
"Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de één tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet gij ook evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid". (Col. 3 : 12-14).
Wie zonder meer poneert: Het volmaakte bereiken we hier op aarde toch nooit, lanceert in het licht van het geciteerde gedeelte uit Col. 3 een puur liefdeloze opmerking! We moeten opstaan tot een nieuw leven en de nieuwe mens aandoen zoals we onze kleren aantrekken. Christus wijst het aan en reikt het aan. De gemeente moet en mag het orgaan zijn waardoor Christus wat Hij beoogt ook metterdaad in deze wereld realiseert. De gemeente wordt zo de proefpolder van het eeuwig Koninkrijk, van de eeuwige heerlijkheid, de proeftuin van het eeuwige paradijs. De gemeente van Christus moet in de eerste plaats laten zien, dàt ze er is door wàt ze is!
Ze moet profetisch-exemplarisch in deze wereld verkeren. Maar gij geheet anders -: gij hebt Christus leren kennen". Die tekst: (Efeziërs 4 : 20) is het adagium van de kerk. Ze markeert de tegenstelling van kerk en wereld.
Waar is die gemeente, die innerlijk los is van deze wereld en vol van de Here Christus? Niemöller heeft voorspeld, dat tegen het einde van deze eeuw er slechts nog scherven van de kerk resten. Dit betekent niet, dat de kerk in een gettomentaliteit zich mag terugtrekken en de wereld mag laten voor wat ze is. De beschutting van het kloosterleven is taboe. De christen verkeert midden onder de vijanden. Daar heeft hij zijn taak en zijn werk. "De heerschappij zal zijn in. het midden van uw vijanden. En Wie dat lijden niet dragen wil, wil niet onder de macht van Christus staan, maar on:der vrienden verkeren, op rozen en leliën zitten, hij wil niet onder slechte, maar onder vrome lieden zijn. O! gij lasteraars van God en verraders van Christus! Als Christus gedaan zou hebben zoals gij, wie zou er dan ooit zalig zijn geworden?" (Luther).
2. De gemeente is gemeenschap van het Woord.
In de wereld geplaatst zoeken de individuele gelovigen vanuit hun gezamenlijke en persoonlijke verbondenheid met de Here Christus gemeenschap met elkaar. Zij strijden samen in het leger van Gods heil tegen de zonde en de boze machten der wereld en de boze lusten van het menselijk vlees. Maar de verkondiging van het evangelie brengt hen bij elkaar en houdt hen bij elkaar. Het Woord is constituerend voor het ontstaan van de gemeente der gelovigen. Door de preek van Petrus op de Pinksterdag te Jeruzalem worden velen diep in hun hart getroffen. Zij komen op de oproep van Petrus tot aanvaarding van zijn woord, laten zich dopen en worden zo aan de gemeente toegevoegd. Het Woord schept de gemeenschap!
(T. Brienen). Die gemeenschap bestaat ook voort door het Woord! De eerste gemeenteleden bleven volharden in het onderwijs der apostelen. K. H. Miskotte parafraseert dit aldus: "Zij volhardden in de leer der apostelen ... dat wil niet zeg:gen: zij hielden vast aan de waarheid daarvan, maar: zij bleven bezig zich door de levende stem der apostelen te laten onderrichten." En C. H. Lindijer concludeert: "Miskotte's opmerking helpt om "de volharding in de leer der apostelen" niet als iets stars te zien." Maar wij zijn van mening, dat Miskotte een valse tegenstelling geschapen heeft. Want wat heeft dit dan voor betekenis voor ons, nu de levende stem der apostelen niet meer klinkt? Als Paulus aan de Filippenzen beveelt het woord van het leven vast te houden dan is dat toch het woord der waarheid in betrokkenheid op Christus, Die gezegd heeft: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". De gemeenschap van het Woord wordt bezegeld rondom het doopvont en aan de avondrnaalstafel, Het Woord verwijst ons naar elkaar. De Here heeft ons aan elkaar gegeven. Daarvoor gaf Hij zijn levensbloed. Daarom dienen we uitermate zuinig op elkaar te wezen. Maar zo wordt elke vorm van verstarring en verwarring tegengegaan. De dienst van het sacrament accentueert, dat het verkeer met de Heer en met elkaar ten diepste een feestelijke aangelegenheid is.
3. De gemeente is een gemeenschap van geheel eigen aard.
Ze is niet een sociologische grootheid zonder meer. Het verbindingsprincipe is niet gelegen in afkomst, milieu, beroep, stand, opleiding, een gelijke interessesfeer. De verticale band aan de ene Here Jezus Christus heeft tal van horizontale uitlopers. Christus bindt ons ook aan de medemensen. Als we die binding niet willen, sorteert ons geloven geen effect.
Geestelijke affiniteit of sympathie spelen hier geen rol, althans geen beslissende rol! Er heerst geen clubgeest of groepspressie, Ieder individu kan aan zijn trekken komen wat karakter, aanleg, afkomst etc. betreft. Maar men zal dit alles in dienst willen stellen van het grote doel van de gemeenschapsoefening, nl. de verheerlijking van Gold. Het is een ernstig minpunt als er in de gemeente bij ettelijke broeders en zusters een vorm van grote eenzaamheid heerst. Natuurlijk moet men ook zichzelf in een dergelijke situatie afvragen wat de achtergrond kan zijn van het feit, dat bijna niemand zich om je schijnt te bekommeren. Heb ik misschien door mijn kritiek velen van mij vervreemd? Heb ik door een supreme gestalte van eigenwijsheid misschien mij afgeschermd tegenover de massa?
Heb ik door een slordige kerkgang en een geïsoleerd leven de indruk gewekt, dat de kerk mij niets meer zei? Maar afgezien daarvan blijft gelden, dat eenzaamheid niet wordt doorbroken wanneer de mens, die geen partner heeft, passief aan de kant gaat staan en een afwachtende houding aanneemt en met felle kritiek komt wanneer de ander niet naar hem omkijkt.
Als de ene eenzame in de gemeente de andere eenzame nu eens gaat opzoeken, wordt eventueel de eenzaamheid van belden opgeheven. Dit ontslaat overigens de anderen niet van hun plicht om zich af te vragen wanneer en hoe men iets voor de eenzame kan -betekenen. Maar het zal dienen te komen tot de daad! lemand heeft eens opgemerkt, dat daden zonder evangeliewoorden je reinste humanisme is. Maar hij voegde daar direct aan toe, dat vrome woorden zonder daden eigenlijk inhoudt, dat je Jezus opnieuw kruisigt. En de slotconclusie luidde: "Een kerk zonder dáden is een synagoge van satan." In zijn "Brieven uit de hei" laat Lewis een duivel met het oog op een jonge christen zeggen: "Laat hij maar zwelgen in zijn vroomheid, als hij maar niet actief wordt!" We behoeven geen lijstje van mogelijkheden te leveren waaruit men kan kiezen om hard te maken, dat men inderdaad om de ander geeft. De liefde is zelf vindingrijk genoeg. Die liefde zal weten te troosten en weten te vermanen. Zo zal er ook plaats zijn voor onderlinge tucht. Dit gebeurt niet uit bedilzucht, maar om te stimuleren tot goede werken waardoor onze Vader, die in de hemelen is, verheerlijkt wordt! (Zie Hebreeën 10: 24, 25; en Mattheüs 5 : 16).
(wordt vervolgd)