Voor-echtelijk samenleven (4)

1979-11-23
  • Jaargang 23
  • nummer 44

Zoals ik de vorige maal toezegde, geef ik nu de tekst weer van de toelichting die ikzelf ooit (het was in 1974) schreef op een besluit van de kerkeraad van de (toen nog niet) Nederlands Gereformeerde Kerk van Amsterdam-centrum. Het besluit om jongelui die voorechtelijk samenleven en daarna voor een te sluiten huwelijk de kerkelijke bevestiging vragen, niet zonder meer ter wille te zijn. Hier volgt het toen geschrevene: "Enige tijd geleden heeft onze kerkeraad het besluit genomen, dat hij jonge mensen, die, zoals dat de laatste jaren in onze maatschappij steeds meer de gewoonte wordt, reeds voor het huwelijk zijn gaan samenwonen, niet zonder meer in het huwelijk zal bevestigen wanneer zij gaan trouwen.

Het gaat hier niet om jongelui die weliswaar op deze wijze hun huwelijk voortijdig begonnen zijn, maar die daarna tot het inzicht gekomen of gebracht zijn, dat dit begin van hun huwelijk niet goed was en die daarom nu hun fout willen goedmaken, een geordend huwelijk willen aangaan en daarvoor een kerkelijke bevestiging aanvragen. Wij zullen zo'n verzoek dan zeker niet afwijzen. Ben zodanig verzoek is voor ons wel aanleiding tot een pastoraal gesprek met de nodige diepgang om de mentaliteit van de aanvragers te proeven, maar wanneer dat gesprek een bevredigend verloop heeft, zullen wij van harte in een kerkelijke huwelijksbevestiging bewilligen.

Maar wij hebben met de genomen maatregel die gevallen op het oog, waarin jonge mensen als getrouwden samenleven en daarna tot een huwelijk besluiten om geen andere dan zakelijke redenen, bijvoorbeeld dat er een kind verwacht wordt, dat men een vaste betrekking gekregen heeft, dat er een betere woning beschikbaar is of dat men meent elkander voldoende te kennen om het samenleven door een officiëel huwelijk te bestendigen.

Wanneer in zo'n situatie een kerkelijke huwelijksbevestiging aangevraagd wordt is er ook dan voor ons reden om een pastoraal gesprek te organiseren en als dan blijkt, dat de jongelui op geen enkele wijze bereid zijn toe tegeven dat hun handelwijze onjuist is, dat zij juist omgekeerd geheel in .de verdediging gaan en derhalve blijk geven van een zeer bewuste en overdachte handelwijze, dan treedt in dat geval de aangenomen regel in werking. Wij weigeren dan een kerkelijke huwelijksbevestiging en spreken daarmee uit, dat wij aan de nieuwe moraal, die op dit punt bezig is zich in de samenleving te vormen, niet willen medewerken.

In overeenstemming met de gemeente van Christus van alle eeuwen en alle plaatsen houden wij staande, dat alleen openlijk gesloten huwelijken te erkennen zijn en dat onderhands gesloten huwelijken, hoe zuivere en wederzijdse liefde en trouw daar ook achter staan, de weg effenen voor de hoererij.
Zulke verbintenissen behoeven zelf geen hoererij te zijn, maar heel objectief gesproken werken zij hoererij in de hand. "Om der wille van hoererij", zegt Paulus, "moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man" (1 Cor. 7 : 2). Trouwen wil zeggen: openlijk tegen de samenleving zeggen: dit is mijn vrouw, dit is mijn man, u mag ons daar aan houden. Het is ook een vraag aan de samenleving: respecteer onze verbintenis. Op deze wijze heeft iedere man zijn eigen vrouwen iedere vrouw haar eigen man. En Paulus vindt dat een goede zaak met het oog op de hoererij. Niemand zal mij van hersenschimmen verdenken, als ik zeg dat dit gezichtspunt in onze tijd en in onze stad nog beachtenswaard is. Wij zijn allemaal zondige mensen en niemand kan zeggen, dat hoererij voor hem geen gevaar is. En het is dan ook opvallend, dat de nieuwere moraal, die het zonder officiële huwelijkssluiting denkt af te kunnen, althans voor een tijd, oppervlakkig denkt over de zondige natuur van ons mensen. Het officiële huwelijk, waarin je je publiek vastlegt op de belofte van trouw is een bescherming, voor onszelf en voor de samenleving. En voor de samenleving dragen wij elk persoonlijk verantwoordelijkheid.

Het medicijn tegen het euvel is dan ook vooral niet dat de jongelui dan maar zo gauw mogelijk moeten trouwen, om zo aan hun samenleven een wettige vorm te geven. Dan doen wij niet anders dan het probleem voor ons uit schuiven. De lichtvaardigheid komt dan in het huwelijk voor de dag en veelvuldig echtscheiden is daarvan het gevolg. Ik geef dan ook die jongelui gelijk, die zeggen: zo'n proeftijd vóór het huwelijk is beter dan het verbreken van een huwelijk.

Inderdaad, maar wat beter is, is daarom nog niet goed.
Nee, het alternatief is niet een onvoorbereid huwelijk. Ál kunnen verlovingen te lang duren, tegenwoordig duren ze te kort (als ik tenminste met zo'n ouderwets woord als verloving nog terecht kan!). Hoe dan ook, een degelijke voorbereiding, maar dan ook een vóórbereiding en niet een voorbereiding-al-doende, De huwelijksintimiteit behoort bewaard te blijven voor de tijd dat men zich officiëel voor het leven aan elkander heeft verbonden. Dat is omdat men elkaar met de laatste intimiteit ook voor het leven beïnvloedt. Deze diepste intimiteit behoort door de grootst mogelijke zekeringen omgeven te worden. Het één vlees worden is geen zaak om lichtvaardig mee om te springen.

Ik kan mij voorstellen dat iemand nu vraagt: en wat doet u nu met jongelui, die dan wel niet openlijk samenwonen, maar toch doen alsof zij getrouwd zijn? Vroeger kwam dat door de gevolgen wei in de openbaarheid, maar tegenwoordig zijn er genoeg middelen om dat te voorkomen. Is de maatregel daarom niet wat huichelachtig?
Toch niet. Wij keuren dat even sterk af als het openlijk samenwonen.
Zeggen zelfs, dat de openlijken in ieder geval hierdoor zich gunstig onderscheiden van de heimelijken, dat ze niet stiekum doen. Maar wij voelen ons niet geroepen als detectives op nasporing te gaan. Het is dus mogelijk dat ze, in zonde levend, aan onze aandacht ontsnappen.
Maar dat is geen reden om nu in alle gevallen maar werkloos toe te zien. "De intimis non iudicat ecclesia", "Op wat heimelijk gebeurt heeft de kerk geen verhaal" - is een oude spreuk. Maar de publieke zede is een aangelegenheid van de christelijke gemeente en daarom, waar we zonder speurderswerk achter kunnen komen, daar doen we wat aan en voor de rest volstaan we met te zeggen, wat de Here gebiedt, verwijzend naar Hem, die waarheid in het verborgene wil (Ps. 51). "Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de hoererij, dat ieder uwer in heiliging en eerbaarheid zijn vat wete te verwerven, niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten. . . want de Here is een Wreker van dit alles... want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging', (1 Thess. 4 : 3 v.v.)."

In de strekking van besluit en toelichting kan ik me nog goed vinden.
Dat is trouwens voor iedereen te constateren, die mijn geschrijf van toen vergelijkt met datvan nu in deze artikelen. Toch is het geen onfeilbaar stuk. Het achteraf lezend en herlezend merk ik op dat er tussen de regels door een gedachtengang loopt die door de jongere generatie niet zo gemakkelijk 'herkend zal worden. Alsof het grote en enige motief tot voorechtelijk samenleven het met elkaar naar bed gaan zou zijn. Zo ervaren onze jongeren dat niet, geloof ik nu. Bij hen is het sexuele opgenomen in een breder pakket. Men zoekt gezelligheid en warmte bij elkaar. In mijn stuk is echter een generatie aan het woord die aan de poorten van het huwelijk stond te trappelen van sexueel ongeduld en die samenlevende jongelui in deze tijd alleen of vooral daarop aankijkt.

Dat wordt zo niet letterlijk gezegd, maar dat proef ik nu een beetje achter de woorden.
Wij waren vroeger ook een beetje ziek, maar weer anders, zo wil ik zeggen. In alle tijden is de sexualiteit een moeilijk te hanteren gegeven geweest. Dat kun je zien aan de sterk wisselende modes op dit gebied. Een heen en weer tussen preutsheid en losbandigheid. Waar was ooit het evenwicht? Het is een argument om als mensen van verschillende generaties met elkaar solidair te zijn en elkaars lasten te dragen (Gal. 6: 2), samen zoekende naar de wil van God. Dat had wel wat meer mogen doorklinken in het stuk. Dat zeg ik met handhaving van alle genoemde argumenten.
Was de maatregel er een van kerkelijke tucht, zo is ons wel eens gevraagd. Het lijkt wel zo. Immers, er wordt gesproken van zonde en als men zich van zonde niet bekeert, komt men automatisch in de sfeer van de tuoht terecht. Dus logisch, dat het besluit in dat licht wel is gezien.

Toch wil ik er op wijzen dat strikt genomen hier niets anders gebeurt, dan dat een kerkeraad op 'n vraag tot medewerking een weigerend antwoord geeft. De gedachte zit hier achter dat de kerk niet het sullige instituut is dat zich overal voor laat gebruiken. Speciaal als 't er over gaat, de jongeren aan zich te binden of vast te houden, zie je kerken vaak rare capriolen uithalen.
Is dat onder het motto: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst?

Tegen dat heidendom is hier dan nee gezegd. Wie Gods beloften en Gods geboden heeft en bewaart, die heeft de toekomst.
Tucht? De kerkvader Cyprianus van Carthago heeft eens gezegd dat als een zonde een algemeen karakter draagt, niet naar de straf maar naar de onderwijzing gegrepen moet worden. Dat is hier ook van toepassing. Onderwijzing van de hele gemeente, oud en jong, getrouwd en ongetrouwd. Want vergeet niet dat samenlevende jongelui thuis heel vaak een slecht huwelijk als voorbeeld hebben meegekregen en dáárom bang zijn om te trouwen. En zo blijkt dan dat wij samen ontaard zijn (ps. 14 : 3).
Dat is geen sfeer voor tucht, Volgende week hopelijk iets afsluitends.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief