pastorale notities
1979-11-30
De Joden zeiden eens tegen Jezus: "Zeggen wij niet terecht dat Gij een Samaritaan zijt en bezeten zijt?" Hij antwoordde: "Ik ben niet bezeten". Hij zei niet: Ik ben geen Samaritaan. Hij ontkent wel, dat Hij door een duivel gedreven zou zijn. Bij de demonen wil Hij niet gerekend worden. Tot de Samaritanen wel. Wanneer Jezus gezegd had, dat Hij geen Samaritaan was, dan had Hij de waarheid gesproken, doch daarmee de leugen gediend. De vele Samaritanen, die tot het geloof in Hem gekomen waren, zouden in dat geval tot elkaar hebben kunnen zeggen: Hij schaamt zich kennelijk voor ons. De Joden en de Samaritanen leefden toen tegenover elkaar in een grote apartheid, Joh. 4 : 9. En de Here Jezus wil niet tot de Joden naderen, door Zich van de Samaritanen te verwijderen.- Jaargang 23
- nummer 45
Wanneer de Joden zeggen: Gij zijt een Samaritaan, dan laat Hij dat zo en daarmee zegt Hij veel.
In een diskussie tussen broeders gaat het over de actuele vraagstukken van de maatschappij, over stakers en krakers, over lonen en vermogensdelingen, over ondernemingsraden en collectieve ontslagen.
Opeens zegt iemand: "Ik geloof dat jij nogal links bent, je leest ook een linkse krant". Het wordt meteen stil, want links-zijn, dat valt niet goed in onze kringen.
Als je dan gaat zeggen: ,,0 nee, links ben ik natuurlijk niet", dan is dat voor velen een geruststelling.
Maar allicht is er ook een jonge broeder, die bij zichzelf denkt: dominee wil zich aan alle kanten dekken; hij durft er niet voor uit te komen, dat hij ons gelijk geeft. Hij is geen valse profeet, hij is geen ware profeet, hij is in het geheel geen profeet.