Het C.D.A. en de economische orde (3)
1979-11-30
4. Kritiek op het rapport- Jaargang 23
- nummer 45
Het rapport is een poging aan de overlegcommissie gestalte te geven. De opstellers hebben zich niet gemakkelijk van de problemen afgemaakt.
Men heeft een christelijke maatschappij opvatting willen geven, getuige het willen oriënteren van de verantwoordelijkheid op rentmeesterschap en solidariteit. Men heeft met name gedachten willen aandragen voor het opzetten van het mezo-niveau, ook al stelt men, dat op tal van terreinen het zwaartepunt van de besluitvorming over sociaal-economische aangelegenheden binnen de ondernemingen (op het micro-niveau dus) valt. Het rapport heeft echter iets dualistisch: men pleit enerzijds voor de eigen verantwoordelijkheidsbeleving op een zo laag mogelijk niveau van de maatschappij, terwijl men anderzijds stelt, dat vanwege de reikwijdte-effekten particuliere ondernemingen niet de volle verantwoordelijkheid kunnen dragen voor tal van zaken, die deze direkt raken.
Men vertrouwt de particuliere ondernemingen kennelijk toch niet helemaal.
Dit blijkt ook uit dat gedeelte van het rapport (blz. 92), waarin gesteld wordt, dat de Overheid aan de burgers een minimum materiëel bestaan moet garanderen. Het garanderen van deze minimale materiële bestaansvoorwaarden behoort volgens ons echter niet tot de Overheidstaak; het past ook niet zonder meer in een christelijke maatschappij-opvatting, tenzij men ons wil laten geloven, dat de verzorgings- of welvaartsstaat een typisch christelijke samenleving voorstelt. De vraag is hier waarom de burgers voor dat bestaansminimum niet zelf verantwoordelijk gesteld moeten en kunnen worden. Het C.D.A. zal hier het antwoord geven, dat de vrije markteconomie daar niet altijd voor kan zorgen; dat de vrije markteconomie het bestaansminimum niet kan garanderen; derhalve moet de Overheid dat doen. Men zet zich nl. nogal af tegen de vrije markteconomie.
De belangrijkste omissie van het rapport vinden wij dan ook, dat het zonder meer de vrije markteconomie afwijst, daarvoor onvoldoende argumenten aandraagt en vervolgens zonder nadere motivering stelt, dat de Overheid een minimum bestaan van de burgers moet garanderen. Het dualisme van het rapport vindt U hier wanneer het (blz. 92) het grondmotief voor het Overheidsoptreden in twee velden uiteen laat vallen, nl.: 1. het respecteren van de vrijheid die mensen en organisaties nodig hebben om tot verantwoordelijkheid te kunnen komen; 2. het nastreven van zekere materiële bestaansvoorwaarden die evenzeer nodig zijn voor het kunnen toekomen van mensen aan hun bestemming.
Het gaat hier volgens het rapport om het bereiken van het juiste evenwicht tussen beide velden van Overheidszorg.
Het rapport doet daarom wat ongeloofwaardig aan: men begint met de (individuele) verantwoordelijkheid als struktuurbeginsel voor de inrichting van de samenleving centraal te stellen, deze (individuele) verantwoordelijkheid te oriënteren op rentmeesterschap en solidariteit om vervolgens te eindigen met een lange lijst van Overheidstaken, die er niet om liegen: het gehele terrein van de sociale zekerheid is o.m. volgens het C.D.A. Overheidstaak.
Veel van wat het rapport tot de taak van de Overheid rekent kan naar onze mening ook door de vrije markt tot stand worden gebracht. Daaraan had het rapport aandacht moeten schenken. Men heeft wel wat snel de Overheid met (vele) taken belast. Ook vragen wij ons af of een sterk uitgebouwd mezo-niveau, ondanks het feit, dat de Overheid slechts als waarnemer tot het overleg op dit niveau. wordt toegelaten, niet tot een vorm van corporatisme leidt. De beslissingen op dit niveau zullen de werking van de vrije markteconomie in mindere of meerdere mate buiten werking stellen, waarvan de consument de dupe kan worden. Om dit tegen te gaan zal toch de Overheid er weer aan te pas moeten komen, Het is natuurlijk ook zeer de vraag of bij een sterk uitgebouwd mezoniveau en de omvangrijke taken, die de Overheid door het C.D.A. krijgt toebedeeld het probleem van de afwenteling van lasten op anderen dan degenen, die de baten incasseren bevredigend wordt opgelost. En juist dit is thans één van de belangrijkste economische problemen.
Het rapport stelt wel, dat de inkomens voor een groter deel dan thans binnen de onderneming moeten kunnen worden bepaald (blz. 115). Op dat niveau kunnen de inkomens immers het beste worden afgewogen tegen de te realiseren produktie, produktiviteit, de in te schakelen techniek, de arbeidstijden, etc. Wij zijn het daarmee eens. Maar men neemt dit als het ware weer terug door te stenen (blz. 116) dat, om de inkomensfluctuaties per onderneming te beperken, uit overwegingen van solidariteit, de onderneming met andere ondernemingen tot enige onderlinge afstemming moet komen wat de inkomens betreft. Bovendien zal de Overheid haar collectieve voorzieningen zodanig willen financieren, dat de lasten naar draagkracht worden opgelegd. Dit beginsel zal een nivellerende invloed uitoefenen op de verschillen in inkomens, die in onze benadering zullen ontstaan, aldus het rapport (blz. 116/117). Voorts kunnen al te grote verschillen in produktiviteitsontwikkeling tussen ondernemingen het gerechtvaardigd maken om verschuivingen in de heffingsgrondslag voor belasting en sociale premies te overwegen van arbeid naar bijv. de toegevoegde waarde van ondernemingen. Op deze wijze kunnen al te grote individuele inkomensverschillen worden tegengegaan en binnen aanvaardbare (wat is dat?, vK) verhoudingen worden teruggebracht (blz. 117).
De Overheid heeft ook met de inkomensontwikkeling te maken volgens het rapport (blz. 97) wanneer het gaat om het in stand houden van de bestaansvoorwaarden van de samenleving. Inzake het vrije loonoverleg dient de Overheid de eigen verantwoordelijkheid van mensen en hun organisaties af te schermen naar het gezichtspunt van de materiële bestaansvoorwaarden.
Men neemt hier met de linker hand als het ware terug wat men met de rechter gegeven heeft. Op dit dualisme stuit men steeds lin het rapport. Het wekt de indruk, dat men toch vooral niet in strijd wil komen met de heersende opvattingen op het terrein van het sociaal-economisch leven. Van een eigen gezicht van het C.D.A. blijft op deze wijze dan niet veelover.
Het is ook in strijd met de gedachte van de vrije markteconomie om ondernemingen, die beter produceren, extra zwaar te willen belasten; het C.D.A. wil dat echter, getuige haar verhaal over verschuivingen in de heffingsgrondslag voor belasting en sociale premies (blz. 117). Ook dit belemmert nl. de werking van de vrije markteconomie, van het prijs- en marktmechanisme. Omdat de Overheid altijd onder invloed van de mensen en hun organisaties staat (daarvan thans veelal de speelbal is) is het zeer de vraag of toch weer niet afwenteling van lasten op anderen ontstaat; iets waartegen het rapport juist een oplossing aan de hand wil doen door de inkomensvaststelling per onderneming te laten geschieden.
Maar men vreest kennelijk daarmee in strijd te komen met de heersende inkomensnivellerende opvattingen in onze samenleving.
Het rapport heeft te weinig oog voor de ordende funktie van het prijs- en marktmechanisme van de markt. Het verwijt de markt kortzichtigheid.
De markt zou geen rekening houden met de reikwijdte-effekten van op dat niveau genomen beslissingen. Het is natuurlijk zeer de vraag of met een zekere collectivering van het economisch leven via bedrijfstakorganen deze kortzichtigheid voorkomen kan worden. De ervaring van deze tijd leert, dat juist door de opgetreden collectivering van het economisch leven op grote schaalafwentelen van lasten op anderen mogelijk geworden is. Kortzichtigheid is er niet alleen op het micro-niveau. Naar onze mening heeft de Overheid zich pas dan met de inkomens te bemoeien, wanneer hier sprake is van kennelijk onrecht, Bijv. wanneer machtsvorming in het ruilverkeer optreedt; wanneer de markt niet of niet goed werkt, omdat aan de voorwaarden niet voldaan is voor een goede werking van de markt. De Overheid zal dan moeten zorgen, dat aan deze voorwaarden voldaan wordt. Zij zal voorts o.m. voor een goede intra-struktuur moeten zorgen, ondernemingen met strukturele moeilijkheden moeten helpen en inzake de concurrentie tussen de ondernemingen regels moeten geven.
Ook in de vrije markteconomie is er voor de Overheid genoeg te doen, want een gezonde economie ontstaat niet vanzelf. Collectivering zal leiden tot verstarring van het economisch leven en de consument wordt daarvan uiteindelijk de dupe.
Een volgens bezwaar van het rapport is, dat het de verantwoordelijkheid het struktuurbeginsel voor de inrichting van de samenleving noemt (blz. 22). De verantwoordelijkheid is volgens ons één van de struktuurbeginselen voor deze inrichting; vrijheid en gelijkheid (of gerechtigheid) kan men nl. evenzeer struksuurbeginselen voor de inrichting van de samenleving noemen; vrijheid en gelijkheid (of gerechtigheid) zitten nl. ook in mens en schepping besloten. Het christelijk getuigenis vervaagt wei in sterke mate wanneer men vervolgens de verantwoordelijkheid gaat oriënteren op rentmeesterschap en solidariteit en aan deze termen geen goede bijbelse inhoud geeft. Het rentmeesterschap normeert het rapport aan de beheersopdracht van God aan de mens. Men verwijst daarvoor naar Genesis 2 : 15 (blz. 22), d.w.z. naar de tijd vóór de zondeval. Wil men de term rentmeesterschap echter goed bijbels funderen, dan dient deze genormeerd te worden aan de liefde tot God en de naaste. Daaromtrent worden in de Bijbel zeer veel aanwijzingen gegeven. Hier wreekt zich volgens ons, dat het rapport met geen woord rept over de zondeval en over het Koninkrijk Gods. Dit Koninkrijk had centraal moeten staan bij het gebruik van de termen rentmeesterschap en solidariteit. Daarop had men deze termen moeten betrekken. Nu heeft men ze daarvan losgekoppeld, hetgeen de termen een gesaeculariseerde, "inhoudsloze" inhoud geeft. Natuurlijk dienen wij de schepping te bewaren en te beheren, maar deze opdracht wordt in de Bijbel nimmer losgekoppeld van de komst van Gods Koninkrijk in deze wereld. Hoofdregel in het Koninkrijk Gods is God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Verantwoordelijkheid wordt in het rapport helaas ook niet in verband gebracht met aansprakelijkheid.
Dit wreekt zich wanneer men over de medezeggenschap in de onderneming schrijft. Medezeggenschap dient met aansprakelijkheid te worden verbonden; daarom zijn bepaalde vormen van medezeggenschap ook onaanvaardbaar. Maar daarover vindt U niets in het rapport. Van de term solidariteit geldt hetzelfde als wat wij schreven van de term rentmeesterschap.
Solidariteit zegt volgens het rapport iets van het gericht zijn op elkaar. De mens vindt zijn bestemming en vervulling in het gericht zijn op de ander (blz. 23). Ook hier had centraal moeten staan het Koninkrijk Gods, hetgeen betekent, dat wij God moeten liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Daaruit volgt, dat wij lasten op ons nemen voor de naaste, de ander. Het rapport heeft hier het gebod de naaste lief te hebben als onszelf losgekoppeld van het eerste en grote gebod God lief te hebben boven alles. En dat kan in een werkelijk christelijk getuigenis niet. Ook de term solidariteit heeft in het rapport dus een gesaeculariseerde inhoud gekregen. De mens kan volgens de Bijbel de naaste, de ander niet liefhebben zonder niet eerst God lief te hebben. Wij vinden het een kwalijke zaak, dat men in het rapport doet alsof men dat niet weet.
Wij zijn het met het rapport eens dat de inhoud van de termen rentmeesterschap en solidariteit verstrekkende gevolgen heeft voor de visie op eigendom, arbeidsverhoudingen, gezagsverhoudingen, de aanwending van macht en de organisatie van het economisch leven. De term rentmeesterschap wordt in de Bijbel echter ook altijd heel concreet en heel individueel verbonden met hetgeen ieder mens van God ontvangen heeft: zijn bezittingen, zijn gaven en zijn talenten.
Ook collectieve solidariteit bestaat niet. Afgedwongen solidariteit staat gelijk met dwang, indien althans niet alle leden van de groep het met het genomen besluit eens zijn om "solidair" te zijn. Collectieve solidariteit heeft ook iets totalitairs in zich. Het is voorts de vraag of de termen rentmeesterschap en solidariteit opgevat in de gesaeculariseerde, collectieve betekenis van het rapport, normen opleveren voor het concrete handelen van de mensen en van de Overheid. Het is vervolgens de vraag of van de Overheid solidair optreden kan en moet worden verwacht. De Overheid heeft alleen tot taak voor de publieke rechtsbedeling te zorgen, 'Ook wat betreft het economisch leven. Vanuit dit ambt van de Overheid dient volgens ons de Overheidstaak te worden benaderd.
5. Het eigen standpunt
Organisaties kunnen tal van reikweide-aspecten beter behartigen dan de mensen individueel, aldus het rapport op blz. 37. Zij kunnen echter niet voor de volle honderd procent in de plaats treden van de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen voor de beslissingen die in hun direkte leef- en werkomgeving genomen moeten worden, aldus ook het rapport op blz. 37.
Eén van de kenmerken van de Reformatie in de zestiende eeuw in Europa is de benadrukking van de individuele vrijheid en de individuele verantwoordelijkheid van de mens in de verhouding God en mens. De mens is gezet in de vrijheid en gesteld tot verantwoordelijkheid. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn niet van elkaar los te zien, Verantwoordelijkheid houdt o.m. in, dat degene, die men verantwoordelijk stelt, vrijheid van handelen heeft. Het houdt ook in, dat men degene, die men verantwoordelijk stelt, ook aansprakelijk stelt voor zijn of haar woorden en/of daden.
Het is naar onze mening in strijd met het karakter van genoemde Reformatie de individuele mens zijn verantwoordelijkheid voor een belangrijk deel af te nemen en die te leggen bij organisaties op het terrein van het sociaal-economisch leven. In de vrije markteconomie vallen vrijheid, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de volle honderd procent samen. In de vrije markteconomie kan niemand lasten op anderen afwentelen.
Een ieder is in deze economie voor de volle honderd procent verantwoordelijk en aansprakelijk voor zijn daden en ondervindt daar ook de gevolgen van. Uit bijbels oogpunt verdient deze economie naar onze mening dan ook de voorkeur boven een economische orde, waarin op andere centrale vragen bijv. op gelijkheid, de nadruk wordt gelegd, De vrije markteconomie werkt ook het meest doelmatig, omdat de markt beter dan welk ander systeem voor gedecentraliseerde kennis- en informatieoverdracht zorgt in het economisch leven. Het zorgt er ook voor, dat noodzakelijke aanpassingsprocessen in de economie niet geblokkeerd worden. In het C.D.A-rapport wordt, naar vermeld, de ordende functie van de markt onderschat. In het prijs- en marktmechanisme, in vraag en aanbod op de markt komt naar voren wat vrije en verantwoordelijke mensen werkelijk willen. Voor hetgeen zij willen, betalen ze ook zelf de lasten, de kosten.
Ook wij zien wel taken liggen voor het mezo-niveau, maar willen deze bescheiden houden. Organisaties in het economisch leven ontaarden doorgaans vrij spoedig in pressiegroepen in de samenleving, die de Overheid dan weer onder druk zetten. Zij leiden doorgaans tot collectivering van het economisch leven met alle gevolgen van dien. Het gevaar is niet denkbeeldig, aldus ook Minister Albeda in AR.-Staatkunde van september 1979 (blz. 334), dat de overlegeconomie toch weer uitmondt in een gecentraliseerde economie. Bedrijfstakorganen kunnen volgens ons tot deze gecentraliseerde economie bijdragen. In de ondernemingen dient men volgens ons de inkomens vast te stenen. Daarop dient men niet op verschillende manieren weer afbreuk te doen, zoals het C.D.A dat in het rapport wel doet.
De Overheid heeft ook in de vrije markteconomie een omvangrijke taak.
Juist de Overheid, omdat in deze economie niet de organisaties voor een belangrijk deel in het economisch leven de verantwoordelijkheid dragen.
De Overheid wordt door ons gezien als de enige hoedster van het algemeen belang, indien en voorzover daarvan sprake is. Organisaties in het economisch leven kunnen die taak van de Overheid niet, ook niet voor een deel, overnemen. De vrije markteconomie vergroot niet alleen de vrijheid, de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van de mensen, het kan ook het gekrookte riet verbreken en de rokende vlaswiek uitblussen.
De Overheid dient erop toe te zien dat het vrije ruilverkeer eerlijk verloopt, opdat de zwakke in de samenleving niet door de sterke wordt vertreden. Een gezonde economie ontstaat immers niet vanzelf.
Wij gaven reeds de taken van de Overheid aan. De vrije markteconomie past het meest bij mondige, verantwoordelijke mensen. Zij is daarom ook het meest bevorderend voor het Koninkrijk Gods. Men kan in die economie daarvoor het beste werken, omdat de mensen daarin werkelijk vrije burgers zijn met een werkelijk eigen verantwoordelijkheid. Hoe de mensen die verantwoordelijkheid beleven, hangt af van hun levens- en wereldbeschouwing. In een democratie dient men de mensen binnen zekere grenzen te laten leven naar de doeleinden, die zij zich zelf gesteld hebben, naar hun eigen levens- en wereldbeschouwing.