Literatuur of lectuur?
1979-11-30
Waarom heet het ene boek literatuur en het andere lectuur? Die vraag wordt nogal eens gesteld, ook door lezers van Opbouw.- Jaargang 23
- nummer 45
Als ik naga wat er zo al over dit onderwerp is geschreven, kom ik tot de conclusie: het is een zaak van verschil in kwaliteit. Mijns inziens is er geen principieel, maar een gradueel verschil.
Op een bepaald moment interesseert mij het hele probleem trouwens niet meer: ik lees een boeken heb over dát boek te oordelen.
Dan vraag ik niet: is dit nu wel literatuur? Ik zoek naar de kwaliteiten van het boek en ik signaleer eventueel ook de tekorten. Blijkt het werk beneden de maat te zijn, dan constateer ik dat, en misschien voeg ik er dan aan toe: dit is hoogstens nog lectuur, maar beslist geen literatuur. Dat heb ik b.v. gezegd van het verhaal Ouderlingenbezoek door Maarten 't Hart.
Dat er met die twee begrippen ook moeilijk te werken valt, blijkt wel uit het feit dat er zo'n groot "niemandsland" is, een tussengebied waarvan niet te zeggen is tot welke groep het eigenlijk hoort. Wat moet ik zeggen van Anne de Vries? Is zijn werk minder dan dat van Anton Cool en?
Het verschil tussen een meesterwerk en een prul is gemakkelijk aan te wijzen, maar wat moet ik met de vele romans die niet tot de top gerekend kunnen worden? Onze zondagse organisten leveren in het algemeen geen spel dat kan wedijveren met wat iemand als Piet van Egmond presteert. Maar daarom kunnen we er nog wel waardering voor hebben! Met schilderijen gaat het net zo. En is dáár de grens tussen kunst en kitsch haarfijn aan te geven?
Het is mijns inziens weinig zinvol veel te werken met begrippen lectuur en literatuur: de grens is niet duidelijk te trekken. Hierboven heb ik wel zo losweg gezegd: blijft het werk beneden de maat, dan constateer ik dat, maar wát die maat is, wordt zelden duidelijk gemaakt.
Een volgende keer hoop ik enkele soorten argumenten te noemen die bij de beoordeling van literatuur en/of lectuur worden gehanteerd.
Nu heb ik er behoefte aan eerst enkele opmerkingen te maken naar aanleiding van wat lezers mij hebben geschreven of gezegd.
Allereerst: het is een tijdlang gewoonte geweest wat elitair-neerbuigend te spreken over “lectuur" waartoe dan zowat alle streekromans werden gerekend. Maar daar zijn heel wat goede boeken bij waar veel mensen genoegen aan hebben beleefd! En we hoeven toch ook niet altijd zo moeilijk te doen? Ook de "geleerde"
wil zich wel eens ontspannen met het werk van een goede verteller; mag dan iemand die wat minder aanleg heeft voor scherp denkwerk, misschien plezier beleven aan boeken die voor hem of haar begrijpelijk zijn?
In de tweede plaats: sommigen merken bescheiden op dat zij "maar" lagere school hebben gehad en "dus" niet goed over een boek kunnen oordelen. Het zijn vooral oudere lezers die dat zeggen. Ook dat misverstand moet de wereld uit! Smaak en inzicht kunnen ontwikkeld worden. Wie zich daarvoor inspant, zal dat merken. Dat betekent dan natuurlijk wel dat men niet steeds de "gemakkelijke" boeken als die van Kortooms kan blijven lezen, maar dat betekent evenmin dat men direct moet overstappen naar Brecht of Camus, en zéker niet dat men steeds moet proberen op het hoogste niveau te lezen. Tenslotte leest men ook nog eens voor zijn plezier! Ik voelde mij verplicht déze categorie van lezers een hart onder de riem te steken.
Laat ik deze keer besluiten met een voorbeeld van een m.i. mislukt gedicht. De grondgedachte is wel goed, maar de vorm van het gedicht, met name de beeldspraak, is zó gezocht dat wij nauwelijks wat meer bij die grondgedachte bepaald worden.
Ja, de mens is slecht, maar moet je dat nou zó zeggen? De lezer kan het gedicht zelf gemakkelijk aanvullen met uitdrukkingen waarin lichaamsdelen genoemd worden. Misschien iets voor een gezelschapsspelletje?
Lachspiegel
Klein mens,
sta je voor een lachspiegel?
Dat mag ook best:
je hebt te lange tenen,
je werkt met je ellebogen, je kijkt niet verder
dan je neus lang is.
Neem je geen blad voor de mond?
Ik zou ook geen blad weten,
dat groot genoeg is voor je mond.
Je buik is je god,
maar je gezicht is uitgestreken.
Klein mens,
als je voor de spiegel staat, lach je dan ook?
Wie niet kan lachen
is mismaakt.
En zó ben jij toch niet geboren?
(Thijs Weerstra, Uit: Een zingende pechvogel)