WIJSHEID
1979-12-07
Deze wijsheid dan - vanwaar komt zij.- Jaargang 23
- nummer 46
en waar toch is de verblijfplaats van het inzicht?
(Job 28: 20
Indien echter iemand van u in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom
(Jak. 1:5)
Het was een heel plechtig moment in het leven van koning Salomo, toen hij bij het begin van zijn regering naar Gibeon trok om daar de Here een offer te brengen en des Heren aangezicht te zoeken. Jong was hij nog en onervaren en desondanks geroepen om een zeer zware taak te vervullen: het bestuur op zich te nemen over een groot volk, als opvolger van zijn vader David. Juist op dat moment had hij behoefte aan gemeenschap met God (1 Kon. 3: 1-15). Toen de jonge koning aangekomen was bij de offerplaats, verscheen de Here in een nachtgezicht en zei tegen Salomo: "Wat zal Ik u geven? Vraag het maar!". Een verrassende uitlokkende vraag van de God die Zijn beloften wil bevestigen. En op die uitnodigende vraag gaf Salomo ten antwoord: "Geef uw knecht een opmerkzaam hart om het volk te kunnen richten en te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad".
Wijsheid: niet iets van jezelf
Deze bede om wijsheid van koning Salomo getuigt van erkenning van Gods leiding en van ootmoed, van een "het-niet-van zichzelf verwachten"
En Job 28 maakt dat ook nog eens duidelijk: de pogingen van de mens om de wijsheid op te delven, zijn vergeefs. Het gaat bij "wijsheid" dan ook niet om geleerdheid of kennis en wetenschap maar meer om inzicht en onderscheidingsvermogen, om een gave die voor een mens onmisbaar is. Het bijbelse begrip "wijsheid" laat zich misschien het beste als volgt omschrijven: het inzicht hoe je in bepaalde situaties moet handelen of spreken. Het is de gave om met helderheid de dingen te zien, toestanden te beoordelen en in verschillende omstandigheden op juiste wijze te handelen. Het is niet iets wat je door wetenschappelijk onderzoek kunt verwerven, maar het is een gave Gods.
Gebrek aan wijsheid
Jakobus schrijft over een gebrek of tekort aan wijsheid en speciaal in allerlei beproevingen en tegenspoed. Als het daarbij aan wijsheid ontbreekt dan mag je haar van de gevende God begeren. In geloof, in besef van onwaardigheid, in ootmoed, net als koning Salomo, want wijsheid is niet iets wat uit de mens zelf voortkomt, maar iets wat in een mens komt van de kant van God, die geven wil. De mens kan nog zo zijn best doen om wijsheid op te diepen, waarvandaan dan ook, het is allemaal vergeefse moeite: wijsheid komt niet van beneden, uit het diepste van de aarde, maar wijsheid komt van boven, van de allerhoogste God. De echte, ware wijsheid is geen vrucht uit eigen tuin, maar wortelt in de Vreze des Heren. Waar de Here zijn licht laat opgaan, daar wordt een mens wijs tot zaligheid.
Welgelukzalig de mens die ook de wijsheid niet van zichzelf verwacht.
Wijsheid-van-zichzelf kan toch eigenlijk nooit meer zijn dan eigenwijsheid. Maar wie in een ootmoedig geloof God vraagt om wijsheid, mag rekenen op een gewillig oor bij God die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt: God hoeft niet eerst bij allerlei instanties te gaan informeren of wij wel krediet-waardig zijn. God geeft ook niet met bijbedoelingen, om er iets voor terug te krijgen of er zelf beter van te worden, zoals wij mensen nogal eens doen. Nee, God geeft zonder zwarigheid of karigheid aan een ieder, naardat hij nodig heeft. Om Christus' wil.