Identiteit van de Nederlands Gereformeerde Kerken (1)
1979-12-07
In de maand september heeft ds H. de Jong in dit blad de identiteit of eigenheid van onze kerken aan de orde gesteld aan de hand van drie vragen: 1. Hoe gaan we denken over het Schriftgezag; 2. hoe over de binding aan de reformatorische belijdenisgeschriften; 3. hoe gaat ons kerkverband er uitzien.- Jaargang 23
- nummer 46
Het was te verwachten dat met name de vraag hoe we gaan denken over het Schriftgezag verontrusting zou geven in onze kerken.
In de door de kerken aanvaarde belijdenis wordt duidelijk over dit gezag gesproken en daarom doet het op zijn minst gezegd vreemd aan, wanneer deze zaak in discussie wordt gebracht.
Wanneer ik de schrijver goed heb aangevoeld heeft hij ook zichzelf in verlegenheid gebracht, hetgeen zou kunnen blijken uit het slot van de artikelen waarin hij zo ongeveer de hoop uitspreekt dat er iemand opstaat die hem aantoont dat de geringste stap op deze weg met innerlijke noodzaak leidt tot verwoesting van het bijbelse geloof.
Wanneer ik in enkele artikelen de handschoen opneem, ben ik mij er van bewust dat het niet mogelijk is om uitputtend in te gaan op alles was ds De Jong met name over de aard van het Schriftgezag te berde brengt.
Laat ik beginnen enige zaken te noemen, waarin ik eens-geestes ben met collega De Jong, om vandaar uit mijn bezwaren kenbaar te maken.
Aangezien ik in dit bladen elders meermalen de identiteit van onze kerken ter sprake heb gebracht heeft het mijn hartelijke instemming, wanneer ds De Jong deze zaak aan de orde stelt.
In een artikel: Kerken buiten verband: Waarheen, heb ik de vraag gesteld: Hoe functioneren de kerken in het geheel van het lichaam van Christus.
Die vraag is niet eerst aan de orde gekomen toen de kerken een nieuwe naam hebben aanvaard, maar was aanstonds aan de orde, nadat zich de breuk in de vrijgemaakte kerken had voltrokken.
Zelf behoor ik tot de door ds De Jong genoemde mensen, die aan de oude naam de gedachte van voorlopigheid verbonden, die spraken van kerken in de verstrooiing. Het feit dat onze kerken zich nu Nederlands Gereformeerde Kerken noemen zegt mij niet zoveel en zou ik niet graag zien als een soort consolidatie van de kerkelijke verbrokenheid.
Ik droom nog tegen hoop op hoop van een vereniging van kerken van gereformeerde belijdenis in ons land.
Wel stem ik toe dat we een "identiteitsversteviging"
nodig hebben, want het kerkelijk besef lijdt in de verstrooiing aan slijtage.
Er groeit in de "gereformeerde wereld" een jeugd op, die van de vrijmaking en de strijd in de vrijgemaakte kerken weinig weet heeft en daarvoor ook moeilijk belangstelling kan opbrengen. Jonge mensen vragen terecht aandacht voor hun strijd.
Ik verschil met coll. De Jong van mening, wanneer hij schrijft zich er van bewust te zijn dat hij door het spreken van een eigen identiteit degenen die ijveren voor éénwording met de Christ. Geref. Kerken niet aangenaam is, omdat hierdoor de zaak van de fusie op de lange baan zou worden geschoven.
Zou het ooit tot een vereniging komen met Christ. Geref. Kerken en anderen (!?) dan mag dat niet met zich meebrengen dat onze kerken zonder meer opgaan in een groter verband, want dat zou neerkomen op een capitulatie.
Onze kerken hebben als gereformeerde kerken, die in 1945 tot vrijmaking kwamen en in 1967 buiten verband zijn gesteld, in de vergadering van Christus' kerk en al de strijd daaraan verbonden veel ontvangen rond de prediking van het evangelie en daarom een inbreng in het geheel, waar zij anderen mee kunnen dien.
Bij een vereniging geeft men zijn identiteit niet prijs maar brengt die in. Daarbij komt dat de Christ.
Geref. Kerken, om ons daartoe te beperken, hun eigen strijd hebben rondom wat men wel eens het Christelijk Gereformeerd beginsel noemt.
Kort geleden kon men in de kranten lezen van de moeiten in deze kerken b.v. rondom het zg. grensverkeer.
Het komt bij hen voor dat gemeenteleden, die in de plaats A. wonen niet lid zijn van de kerk aldaar, maar zich voegen bij de kerk te B. en omgekeerd, omdat men zich niet kan vinden in de prediking in eigen plaats.
Ik kan mij voorstellen dat men in de Christ. Geref. Kerken moeite heeft niet bepaalde opvattingen binnen onze kerken over het kerkverband en daarover tot klaarheid wil komen, maar ik hoop dat de broeders aldaar zich kunnen voorstellen dat wij ons afvragen wat kerkelijke gemeenschap en kerkverband inhouden, wanneer het "grensverkeer" een gewone zaak wordt.
Daarom: wanneer aandacht wordt gevraagd voor de eigenheid van onze kerken behoeft dit niet in mindering te komen op het streven naar vereniging of hereniging met kerken van gereformeerd belijden.
Het doet mij dus genoegen dat ds De Jong de vraag naar de identiteit bespreekt en daarin ook reageert op de door mij gestelde vragen.
Er zijn inderdaad mensen, die zeggen dat de identiteit van de kerk is dat zij de vergadering is van gelovigen en dat Gereformeerde kerken slechts bedoelen christelijke kerken te zijn.
In de Reformatie is Prof. dr G. Doekes 1) in een aantal hoofdartikelen ingegaan op wat ik in ons blad over deze zaak heb geschreven en daaruit blijkt dat voor hem de vraag naar de identiteit een kwalijke zaak is, omdat toch vast staat wat de kerk is naar ons belijden.
Hij schrijft vervolgens een lang artikel over de kerk dat ik voor een groot deel onderschrijven kan.
Terecht schrijft ds De Jong dat de binnen-verbanders, met hun pretentie de ware kerk te zijn, menen aan de vragen die zich hier voordoen te kunnen ontkomen.
Hetzelfde geld tvoor kerken, die zich alleen christelijke kerken noemen en menen op deze wijze oecumenisch werkzaam te zijn.
Elke kerkelijke gemeenschap, die niet pretendeert de enige ware kerk te zijn, krijgt te maken met de vraag hoe ze op de rechte wijze haar plaats inneemt in het geheel van Christus' kerk en op welke wijze zij zal voldoen aan de opdracht van de Meester om de eenheid van zijn kerk te zoeken en met al de heiligen op te trekken de bruidegom tegemoet.
Zijn collega De Jong en ondergetekende het dus eens over het feit dat er duidelijkheid moet komen over de vraag waar we met onze kerken aan toe zijn en waar we heengaan, over de vraag inzake de weg die we daarbij hebben te gaan zijn we minder eenstemmig.
Het feit dat onze kerken een nieuwe naam hebben betekent niet dat we afscheid hebben genomen van ons verleden en totaal opnieuw beginnen.
Onze kerken hebben uitgesproken dat zij hun eenheid vinden in de aanvaarding van de Schrift en van de belijdenis van de Gereformeerde kerken en zoeken nog met elkaar naar een herziening van de K.O.
De aanvaarding van Schrift en belijdenis behoren tot onze identiteit.
In die aanvaarding hebben we el kaar gevonden en trouw beloofd.
Hier zet mijn kritiek op de artikelen van ds De Jong dan ook in.
Daarbij wil ik eerst ingaan op de vragen over de belijdenis en het kerkverband, om vervolgens uitvoeriger te spreken over het Schriftgezag.
Uit het artikel van ds De Jong zou men de indruk kunnen krijgen dat het ondertekeningsformulier voor predikanten in onze kerken in onbruik is geraakt.
"In het algemeen zal men het onder ons niet meer opnemen voor het dordtse ondertekeningsformulier", zo lees ik in zijn artikel.
Hiertegenover wil ik vaststellen dat mijn ervaring in classicale of regionale vergaderingen is dat alle predikanten het formulier hebben ondertekend.
Verder is het een algemeen gebruik in onze kerken dat ouderlingen en diakenen hun instemming betuigen met de belijdenis.
Het is mogelijk dat er uitzonderingen zijn op deze regel, maar dit is niet legitiem voor onze kerken.
Uit besluiten van de landelijke vergadering in Wezep is duidelijk dat daar is uitgegaan van de aanvaarding van de binding aan de belijdenis.
Wanneer ds De Jong de voorkeur geeft aan de formulering dat de binding aan de drie formulieren van enigheid onbekrompen en ondubbelzinnig zal zijn, begrijp ik niet waarom dit in mindering moet komen op het ondertekeningsformulier.
We moeten ons niet blind staren op wat er in de zestiger jaren in de vrijgemaakte kerken zich heeft afgespeeld.
Zelf behoor ik tot de predikanten, die in verband met de binding aan de belijdenis zijn veroordeeld, daarom heb ik enig recht van spreken.
Maar veroordelingen, uitgesproken zonder de mensen ook maar te horen, waarbij de aanklagers gelijk rechters waren. hebben maar weinig te maken met een handhaven van de waarheid van ons algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof.
Zou het handhaven van de ondertekeningsformulier betekenen dat er zich in de kerken weer tonelen afspelen als in de zestiger jaren, dan zou er terecht worden opgeroepen dit nader te bezien.
Evenwel, de binding aan de belijdenis is een goede zaak.
De binding is niet absoluut, want de belijdenis wijst zelf de Schrift aan als hoogste rechter en het formulier geeft aan welke weg we moeten gaan als er zwarigheden komen.
Het feit dat "de historische belijdenisgeschriften iets situationeels bepaalds hebben en dat het mogelijk moet blijven dezelfde dingen onder een geheel andere gezichtshoek te belijden" zal iedereen ds De Jong toestemmen en een christelijk en geestelijk omgaan met het belijden dat ons is overgeleverd niet in de weg staan.
Tenslotte: over formulieren is onder het beslag van Gods Woord altijd te spreken in Gereformeerde Kerken, maar de binding aan en de handhaving van het belijden behoren tot de identiteit van deze kerken.
1) Zodra ik daarvoor tijd en gelegenheid heb hoop ik op het belangrijkste artikel van dr Doekes in te gaan.