"Bijne goddelijk"
1979-12-07
n.a.v. Oek de Jong: "Opwaaiende zomerjurken"- Jaargang 23
- nummer 46
Als er één boek is dat van zich heeft doen spreken de afgelopen weken is het wel "Opwaaiende zomerjurken"
van Oek de Jong. Deze jeugdige auteur die ruim twee jaar geleden debuteerde met de verhalenbundel "De hemelvaart van Massimo", lijkt met zijn jongste verhaal te zijn toegetreden tot de beperkte groep van schrijvers wier werkstukken een lofprijzing weten te ontlokken aan vrijwel de hele kring literatuur-critici die ons land rijk is. Het warme onthaal dat deze roman te beurt is gevallen heeft ook zijn weerslag gevonden in de verkoopcijfers: al enkele weken prijkt hij op de eerste plaats van de boeken top-tien.
We hebben in Oek de Jong dan ook te doen met een kunstenaar van formaat die, net zoals de hoofdpersoon van zijn boek, Edo Mesch, zich erop heeft toegelegd de verschillende momenten van zijn leven te grijpen en te beschrijven om ze zo uit te tillen boven het nietszeggende en vergankelijke van losstaande fragmenten. Afzonderlijke gebeurtenissen worden door hem omgesmeed tot schakels die in hun samenhang een keten vormen, zodat de veelheid van voorvallen en invallen, gebeurtenissen en gedachten, tot een eenheid groeit. Elke belevenis, iedere ervaring vindt in het geheel van het boek haar plaats als onderdeel van een symfonie, zij zijn als steken die samen een bont weefsel vormen.
De verscheidenheid is in deze roman op verschillende manieren aanwezig, Allereerst in de keuze van de stof: "Opwaaiende zomerjurken" is een drieluik over de ontwikkeling van Edo Mesch van jongen tot man. In het eerste deel "Oskar Vanille" ontmoeten we Edo als 8-jarige, in het tweede "Het systeem" is hij inmiddels 17 jaar geworden en de lezer verlaat in het derde deel 'Scherm der reflexie' een 24-jarige Edo. We hebben zodoende drie uiteenliggende bladzijden van een familie-album die ons vertrouwd maken met dezelfde jongen die in zijn ontwikkeling doorlopend met dezelfde vragen worstelt.
Dat meervoudige van de ervaring weerspiegelt zich ook in de vorm.
Beschrijvingen van buitenaf ("hij") en van binnenuit ("ik") wisselen elkaar voortdurend af, evenals de plaats in tijd en ruimte. Dit vergemakkelijkt de taak van de lezer niet, die mee moet gaan in alle sprongen, die meestal onverwachts gemaakt worden. De kracht van deze stijl ligt in de éne stem die tenslotte opstijgt " uit dit veelstemmige koor. Het meervoud van vorm en stofkeuze mondt uit in het enkelvoud van de thematiek.
Ik leg hierop zo de nadruk omdat de spanning tussen de eenheid en de veelheid die op de lezer afkomt vanuit de vorm van deze roman, tegelijk de gemeenschappelijke grond wil aanwijzen waarop de veelheid aan observaties steunt. Deze tegenstrijdigheid tussen eenheid en veelheid is namelijk ook het inhoudelijke hoofdmotief van "Opwaaiende zomerjurken".
Toegegeven, dat klinkt allemaal nogal filosofisch. Toch hoef je beslist geen (beroeps) filosoof te zijn om dit boek te lezen en te begrijpen. Het boeiende van deze roman is juist dat hij laat zien hoe het oeroude probleem van de spanning tussen eenheid en veelheid, dat spanningsveld waarop de hele griekse filosofie berust, geen puur theoretisch probleem is waar enkel filosofen van wakker kunnen liggen. Ieder mens ervaart die tegenstelling aan den lijve, zij het in verschillende vormen. Het ene moment kun je ontroerd worden door de onderlinge verbondenheid en samenhang van alle schepselen, terwijl je soms ook verward kunt zijn vanwege de tegenstrijdigheid, de ongerijmdheid van het leven. Bij Oek de Jong neemt die vraag vooral de vorm aan van een tegenstelling tussen harmonie en kakofonie.
Het boek beschrijft, zoals gezegd, de ontwikkeling van Edo Mesch, een jongen die getrokken wordt tussen die twee polen van eenheid en van veelheid, van harmonie en van kakofonie.
Twee schijnbaar tegenovergestelde gevoelens duiden de harmonie aan: het gevoel van het onbeweeglijke en het gevoel te zweven. Als Edo als jongetje op een warme zomermiddag zijn buurjongen vol ontzag bespiedt, voelt hij "voor het eerst in zijn leven het onbeweeglijke. .. zonder te weten wat het was. Met een zacht plofje landde het in zijn hart." (p. 37). Dat gevoel lijkt hem te maken "als een steen op de bodem van een kolkende beek" (p. 38), een rustpunt in de maalstroom van de tijd.
Met zo'n gevoel wordt het leven de jonge Edo tot een verrukking, een blij avontuur.
Maar die vreugde om het gevoel van het onbeweeglijke is zo intens, juist omdat hij ook het tegenovergestelde gevoel zo dikwijls heeft ervaren: verwarring en paniek, die hun kop opsteken zodra het gevoel van het onbeweeglijke hem even ontglipt (pp. 50,59).
Verwant aan het gevoel van het onbeweeglijke is "dat gelukzalige gevoel van die opwaaiende zomerjurken"
(p. 49), waaraan de roman haar titel dankt. Dat laatste gevoel blijft onlosmakelijk verbonden aan de fietstocht die hij eens maakte met zijn moeder, de buurvrouwen haar zoon. Achterop de fiets gezeten ziet hij de jurken van de beide vrouwen door de wind opbollen en in die ruisende stilte heeft hij het gevoel ,of hij zich na een lange aanloop in de lucht verhief en in plotselinge stilte wegzweefde" (p. 41). Dat gevoel te zweven keert ook regelmatig in zijn leven terug (b.v. pp. 113-4) en dan lijkt alles bij elkaar te horen (p. 49). Het is een gevoel van vervoering om de harmonie, de overeenstemming (p. 173), de volmaaktheid (p. 199) die hij dan ervaart. De momenten waarop die eenheid van het leven, de harmonie van alle dingen centraal staat, leven op gespannen voet met al de tijden waarop Edo zich verliest in de kolkende veelzijdigheid van het bestaan. "Ik probeer te ontsnappen aan de tegenstellingen", bekent hij zijn moeder (p. 244), maar hij ontkomt daaraan niet. Het hart en de rede, zijn gevoelsleven en zijn verstandelijkheid spreken elkaar vaak tegen. Is liefde nu een wetenschappelijke realiteit of een romantische schijn? Wat is waar? (p. 165). Eigenlijk kent hij "alleen maar verwrongenheid, tegenstrijdigheden, onvolmaaktheid, woede, angst, onrust, bedreiging ... " (p. 188). De schaarse momenten van harmonie, het gevoel van het onbeweeglijke en het gevoel te zweven, staan in schril contrast met de levensgrote angst die de onuitgesproken drijfveer is achter zijn wanhopige pogingen de wirwar van tegenstrijdigheden te doorbreken (p. 249). Daardoor is zijn hele leven erop gericht de tegenstrijdigheid te overwinnen, "er als een vogeltje boven te vliegen", zoals zijn moeder hem eens aanraadde (p. 44).
Die koortsachtige gedrevenheid het geheel samen te zien en tot één factor te kunnen herleiden komt op bijzondere wijze tot uiting in zijn zoeken naar "het systeem", dat het hoofdthema vormt van het tweede deel van de roman. In zijn speurtocht naar orde, naar een systeem (p. 94) is hij enorm geboeid door de griekse natuurfilosofen, die ook bezeten zijn van dezelfde zucht naar eenheid (p. 109). 0, als hij maar eenmaal een symmetrisch systeem zal hebben ontdekt waarin alle stukjes van de puzzle passen, dan zal hij niet langer hoeven te zoeken, eindelijk tot overeenstemming gekomen met zichzelf en de wereld om hem heen. Maar in zijn hartstochtelijke jacht naar de verlossende kennis die hem met het bestaan zal verzoenen schiet hij enkel schimmen. Tekenend voor zijn vergeefse zoeken is de onvrede die het laatste woord heeft en een symbolisch hoogtepunt bereikt in de beschrijving van een voortijdig afgebroken liefdesspel dat zodoende geen vervulling kent (PP. 146-49). De eenheid is onbereikbaar, ongrijpbaar en wat er werkelijk gebeurt is onbegrijpelijk (p. 150).
Zijn zoeken om al tastende de harmonie van het bestaan te vinden, gebeurt tegen de achtergrond van een cultuur die in een crisis verkeert en vol is van "onzekerheid" en "desintegratie", een samenleving waarin "het verpletterende gevoel van machteloosheid"
de boventoon voert (p. 266). In die cultuur is God ook de grote Afwezige. En daarmee raken we de bodem van Edo's angstige en paniekerige zoeken. Als hij zeker wist "dat zich ergens in het heelal, onder die reusachtige overkapping, een camera bevond die dit alles vastlegde"
(p. 210), zou hij vrede kunnen hebben, verzoend met de veelkleurige rijkdom van de schepping die bestond bij de gratie van de Schepper. Nu spreekt Edo enkel een lege hemel toe: "Jij bent al die jaren mijn grootste obsessie geweest. Omdat jij er niet was moest ik mijn eigen goddelijkheid maar construeren" (P. 268). Want dat lijkt hem de enige mogelijkheid tot verlossing: Hij zou goddelijk moeten zijn, onbereikbaar en almachtig (p. 214). Als alle verhalen over God enkel "sprookjes" zijn (p. 244), zit er niets anders op om zelf als een god aan de ondraaglijke spanning tussen de eenheid' en de veelheid te ontstijgen.
Maar de enige keer dat Edo zich als een god ziet, erkent hij met zijn eigen bewoording het pijnlijk belachelijke van die illusie: "Een god ben ik in mijn eigen benauwde wereld" (p. 233). Het blijft bij een droom temidden van de nachtmerries van zijn leven.
De harmonie blijft onbereikbaar, de spanning onoverbrugbaar en het is niet voor niets dat Oek de Jong als motto voor zijn boek een uitspraak van F. C. Terborgh liet afdrukken: "Of is ons heimelijk bewust dat wij het essentiële, dat wij begeren, nooit zullen zien?' Op het vertrek komt het aan, op de steeds hernieuwde poging, het opbreken, het zich niet gewonnen geven." Met zijn roman doet Oek de Jong zo'n "steeds hernieuwde poging", die niet anders kan dan mislukken. Want iedere mens "wat hij ook is, voorlang is zijn naam genoemd en het is bekend dat hij mens is: hij kan niet rechten met Hem, die sterker is dan hij" (Pred. 6 : 10). Verschillende malen tijdens het lezen van deze roman heb ik moeten denken aan de uitspraak over de mens van Psalm 8: "Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt ... " Die verwonderde uitroep die bedoeld is om de heerlijkheid van de mens te tekenen, kan voor de mens die geen God meer kent een wanhopige constatering zijn.
"Bijna goddelijk", dat is het noodlot van Edo Mesch, die daardoor gedoemd is een eeuwig verscheurde te blijven, gevangen in zichzelf en ten prooi aan de gespletenheid van zijn bestaan. "Bijna goddelijk", dat kan ook de vreugdekreet zijn van de mens die leeft binnen het refrein waartussen de achtste Psalm geklemd staat: ,,0 HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde."
We hoeven niet goddelijk te zijn om ontzag te hebben voor de verscheidenheid van de schepping en tegelijk daarin de 'veelkleurige wijsheid' van de éne Schepper te herkennen. Met een vernieuwde geest en ogen die het optisch bedrog dat de zonde bewerkstelligt doornen (voor zover wij dat kunnen) openbaren eenheid en veelheid zich aan ons in een rijke harmonie.
Wie in die wereld ademt kan in Jezus Christus verzoend zijn met zichzelf, zijn naaste en zijn bestaan omdat hij verzoend is met God.
Die laatste zinnen moet U niet zien als een vrome opmerking waarmee ik de roman van Oek de Jong af zou willen doen. Laten we zo'n schrijver vooral uit laten spreken: de diepte aan angst en vervreemding zijn ook ons niet onbekend. We mogen ook blij zijn met zo'n knap boek dat op doordringende wijze de conflicten die ieder mens wel kent blootlegt. Juist vanuit de wederzijdse herkenning mogen we onze naaste aanspreken om ook een andere, nieuwe richting te wijzen: de verlossing in Jezus Christus die onze naam tot zijn recht doet komen. "Wat is de mens? ..
Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond".