Het is toch niet zo?
1979-12-14
(Literatuur en werkelijkheid)- Jaargang 23
- nummer 47
Wij kunnen een boek mooi vinden omdat het volgens ons zo goed de werkelijkheid weergeeft: zo was of is het precies! De meeste mensen rageren net 2)0, als ze een getekend of geschilderd partret zien; hun hoogste lof is: Het lijkt sprekend! Als het boek of het portret afwijkt van wat wij menen dat de werkelijkheid is, zijn wij geneigd negatief te oordelen: het portret is niet geslaagd en het boek ,,klopt" niet.
MAAR! Geen enkel portret, ook geen foto, geeft de werkelijkheid volledig weer. En ook een schrijver kan nooit de MIe werkelijkheid weergeven. Dat zou trouwens ook erg saai worden. Stel je voor dat hij alles van seconde tot seconde zou beschrijven! Het allerbelangrijkste is evenwel dat een kunstenaar dat ook niet wil! Rembrand legde in zijn "Nachtwacht"
ook niet vast wat hij gezien had. Hij rangschikte de mensen en dingen zó, dat hij een resultaat kreeg dat hèm aanstond. Ook een schrijver vormt elementen uit de werkelijkheid óm, en daarmee brengt hij zijn "waarheid".
Dat is één van de meest wezenlijke kenmerken van literatuur. Bertus Aafjes zei het zó: Dichters liegen de waarheid!
Dat we hier met een ingewikkeld probleem te maken hebben, zal duidelijk zijn. Enerzijds moet een schrijver herkenbare elementen uit de alledaagse werkelijkheid gebruiken, anders is hij onverstaanbaar. Anderzijds wil hij beslist niet slechts weergeven wat hij met of beleeft.
Bij de beoordeling van literatuur kunnen we dan ook niet volstaan met alleen realistische argumenten. Of we nu een roman uit de tijd van de nieuwe zakelijkheid lezen of een werk dat tot het magisch realisme hoort, we kunnen net zo reageren als op een zoetelijk doktersromannetje: zij stemmen niet overeen met het "echte" leven, want dat is toch niet zó?
"Kunst ist Gabe, nicht Wiedergabe"
(Kandinsky)
De bezwaren tegen de wijze waarop de "werkelijkheid"
wordt getekend, zijn vooral van morele aard. Juist moreel zijn de fondantverhalen verwerpelijk: Zij hebben hetzelfde effect als soft drugs. Zij brengen de lezer in een rozige droomwereld die tijdelijk verdovend werkt. En het èchte leven wordt daarmee ontvlucht!
Literatuur doet het tegengestelde: al onttrekt zij ons enerzijds aan het dagelijks leven, zij confronteert er ons ook mee. Literatuur vraagt ook inspanning van de lezer. En niet iedereen is daarop gesteld.
In "Trouw" van 29 september heeft T. van Deel de laatste roman van Maarten 't Hart besproken: "De aansprekers". Mijns inziens terecht wijst hij als één van de zwakke punten aan: "de pogingen om precies te beschrijven hoe destijds (toen het boek werkelijkheid was) de gevoelens waren, de omgevingen en gedragingen.
Zulke passages leggen de onmacht van een schrijver bloot: hij moet niet een werkelijkheid beschrijven, maar een werkelijkheid schèppen. Die laatste schrijvershouding levert gecompliceerdere literatuur op, maar ook minder lezers."
(En de boeken van 't Hart worden goed verkocht!)
Misverstanden
Hèt voorbeeld van de man die alle literatuur afmeet naar zijn idee van wat de werkelijkheid is, vinden wij in de Max Havelaar van Multatuli: Droogstoppel. Zijn naam is een begrip geworden, juist als aanduiding van iemand die er geen begrip van heeft. De man is één en al bekrompenheid, egoïstisch en schijnvroom.
Ik citeer tot lering en vermaak: (Dr. heeft het over romans en gedichten die volgens hem in strijd zijn met waarheid en gezond verstand) "Een meisje is een engel! Wie dat het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid! Men vlucht met het een of andere voorwerp naar het eind der aarde! De aarde heeft geen einden, en de liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met mijn vrouw - zij is een dochter van Last & Co, makelaars in koffie - niemand kan iets op ons huwelijk aanmerken. Ik ben lid van Artis, zij heeft een sjaallong van tweeennegentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is tussen ons toch nooit sprake geweest.
\ Toen we getrouwd zijn, hebben wij een toertje naar Den Haag gemaakt - ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken Hèt voorbeeld van de man die alle literatuur afmeet naar zijn idee van wat de werkelijkheid is, vinden wij in de Max Havelaar van Multatuli: Droogstoppel. Zijn naam is een begrip geworden, juist als aanduiding van iemand die er geen begrip van heeft. De man is één en al bekrompenheid, egoïstisch en schijnvroom.
Ik citeer tot lering en vermaak: (Dr. heeft het over romans en gedichten die volgens hem in strijd zijn met waarheid en gezond verstand) "Een meisje is een engel! Wie dat het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid! Men vlucht met het een of andere voorwerp naar het eind der aarde! De aarde heeft geen einden, en de liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met mijn vrouw - zij is een dochter van Last & Co, makelaars in koffie - niemand kan iets op ons huwelijk aanmerken. Ik ben lid van Artis, zij heeft een sjaallong van tweeennegentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is tussen ons toch nooit sprake geweest.
Toen we getrouwd zijn, hebben wij een toertje naar Den Haag gemaakt - ze heeft daar flanel
gekocht, waarvan ik nog borstrokken
Ironie en andere humor
De misverstanden worden compleet als lezers geen gevoel voor humor hebben. Er is een ze ker vermogen tot relativeren voor nodig en dat ontbreekt met name nogal eens in onze degelijke, gereformeerde kringen. En juist wij lenen ons voor een wijze van benaderen als b.v. Klei in Trouw toepast.
Het is toch ook lachwekkend dat in sommige kerken niet ritmisch gezongen mocht worden, maar wèl op hele en halve noten? En een toneelstukje mocht ook niet! Wèl een samenspraak.
En wat hebben we gelachen op de jaarvergadering van de zangvereniging! Ja, we hadden wèl onze eigen-aardigheden.
Gelukkig leven we nu in een andere tijd. Daarom durf ik nog wat serieuze humor te geven, meer tot lering dan tot vermaak.
Droogstoppel vertelt ergens dat hij een brief geschreven heeft aan een Duitse klant, de firma Stern. Hij is geëindigd met de mededeling "dat bij ons de Here gediend wordt", en hij vertrouwt óns toe: die kan hij in zijn zak steken, want de Sterns zijn Luthers!
Er is weinig verschil met het grapje van Fons Jansen over de (gereformeerde) dominee die tegen de pastoor zei: "Wij dienen toch dezelfde Heer? Gij op uw manier, ik op de Zijne!" Ook dát heeft met een kijk op de werkelijkheid te maken. En ook bij dát grapje zie ik sommigen denken: "Maar dat is toch ook zo?"