Over het Hooglied

1979-01-05
  • Jaargang 23
  • nummer 1
Erover preken?
"Kunt u bij de bevestiging van ons huwelijk over het Hooglied preken?" vroegen mij een aanstaande bruid en bruidegom. Die vraag bracht mij in verlegenheid: hoe kun je daar een preek over houden, en: over welk gedeelte? Daar hadden zij wel een antwoord op: "want sterk als de dood is de liefde, onverbiddelijk als het rijk der doden de hartstocht" (8 : 6b).
Ik geef toe: dat is de kern, het hart van het lied - de sterke, onweerstaanbare liefde. Maar er over préken? Je zou altijd te veel in altijd te korte tijd moeten zeggen.
En: over het Hooglied moet je niet préken - je moet het opvoeren als een bijbels blijspel. Alleen al het voordragen vereist stem en tegenstem en koor - bruid en bruidegom en bruidsstoet, bruidsmeisjes en broers van de bruid - om over het décor van het landschap, de paradijselijke (4: 13!) entourage nog maar niet te spreken ...
Preken over het Hooglied - dat grenst aan hoogmoed: wie zal de dichter, een Salomo, zelfs maar evenaren? 't Is vermetel, 't schijnt een waagstuk, 't grenst aan heiligschennis - dan wel: 't wordt als genant ervaren: dat zijn geen zaken waar je in het openbaar over spreekt of zelfs preekt. Je brengt alleen al lezend de mensen in verlegenheid ...

Ontweken
Ik zocht boeken om me te helpen, commentaren. Eén daarvan was onthullend. Het bevatte een opgave van literatuur over het Hooglied: zeven dichtbedrukte pagina's vol met alleen maar titels en schrijvers ...
Zoveel lectuur - en nauwelijks ooit één preek over het Hooglied, letterlijk: het lied der heidenen, het lied in de alles overtreffende trap.
Maar ditzelfde lied der heidenen is blijkbaar een probleem geworden in kerk en synagoge. Dit is te merken aan de wijze waarop het de eeuwen door, althans vanaf de tweede eeuw na Christus, werd uitgelegd - zowel in synagoge als kerk. Men diende, dacht men, dit lied niet letterlijk te nemen. Inde synagoge (waar het behoort tot de vijf feestrollen) werd het gezien als te slaan op de liefde tussen God en zijn volk Israël - vandaar dat het (dat wèl) in zijn geheel gelezen wordt op de hoogtijdag van het Pascha.
Eenzelfde weg volgde de kerk.
Met dien verstande, dat het nu moest zien op de liefde tussen Christus en zijn bruid, de gemeente: u kunt heel wat merkwaardige voorbeelden van die vergeestelijkende uitleg vinden in de kanttekeningen van de Statenvertaling.
In de middeleeuwen wordt zelfs de Maria-verering erin betrokken: het Hooglied wordt verklaard als een gesprek tussen Christus en Maria - zelfs Mariahemelvaart meent men iets later er in te kunnen terug vinden.

Mijn hart trilt van blijde woorden (Ps. 45)
Ik neem aan dat ook dát u niet aanspreekt. Maar dan blijft wel de vraag: wat dan. Een heel stingente vraag, die ik nog wat scherper formuleer: hoe komt dit boek in de canon van de bijbel? - een boek waarin dan ook nog meer één keer (en hoe! 2 : 6c) de naam van God in voorkomt ... Maar het stáát in de bijbel en het behoorde al lang, zo'n vier eeuwen, tot de canonieke boeken, toen rabbi Akiba ( plm. 200 n.C.) ieder vervloekte die gedeelten van het Hooglied in het wijnhuis (vgl. 2 : 4!) dorst te profaniseren - dat gebeurde blijkbaar!
Zo goed als er een dag is geweest dat een dichter dit blijspel tot leven riep. Een zekere Salomo, die man van wie in 1 Kon. 4 : 29 v.v. staat geschreven: "en God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een begrip zo wijd als het zand aan de oever der zee ... hij sprak immers drieduizend spreuken, en liederen van hem waren er duizend vijf; hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon af tot de hysop toe, die aan de muur uitschiet; hij sprak ook over het vee, het gevogelte, het kruipend gedierte en de vissen." Ja, en hij sprak, hij zong ook over de liefde, de liefde tussen man en vrouw. Hij sprak en zong ervan in verrukking en vervoering. Hij kwam bijna woorden en beelden tekort om uit te beelden hoe schoon, hoe wonderlijk, hoe adembenemend (8 : 6) de jonge liefde is tussen man en vrouw - het is (Ps. 45) met geen pen haast te beschrijven.

Herwonnen paradijs?
Hier en daar wordt in de H. Schrift lGen. 24 : 16,67; 26: 8; 29 : 20) met tere woorden in die richting gewezen. Eenmaal als van heel nabij: "uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd: een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar liefkozingen" (Spr. 5 : 18). Maar zo argeloos en onbevangen, zo teer en ontroerend en geestdriftig als in het Hooglied gezongen wordt van de schoonheid van vrouw (4: 1-15; 7 : 1 v.v.) èn man (! 5 : 10 v.v.), zo vindt u het nergens elders. 't Is alsof het weer is als in den beginne: " ... en zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkaar niet" (Gen. 2 : 25).
Achterhaald lijkt wat wij als een bestraffing menen te horen: " ... en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen" (Gen. 3 : 16). Is het niet de vróuw die in het Hooglied als eerste haar begeerte bekent: " ... hij kusse mij met de kussen van zijn mond!" (1 : 1 v.v.), die bezwijmt van liefde (2 : 5; 5 : 8), die zich bloot geeft in het alleszeggende "van mijn geliefde ben ik - en van mij is mijn geliefde" (6: 3)?
Hoe kan dit alles zo zuiver, zo paradijselijk, zo onbevangen, zo wáár geschilderd worden - zonder dat aan vergeestelijking behoeft te worden gedacht?

Liefde in nieuwe vrijheid
Naar ik meen geeft een commentator (er zullen er wel meer zijn) het goede antwoord. De volkeren rond Israël, zegt hij, kennen natuurlijk ook de liefde, de sexualiteit.
Maar daar is de liefde ondergeschikt aan de mythische vruchtbaarheidsreligies met hun cultusprostitutie van man zowel als vrouw. Paring en baring worden in de Kanaänietische cultus gezien als een gebeuren waarin de godheid betrokken is. Als een magische imitatie van het samenkomen van god en (moeder)godin, en daarom als een bevordering van en garantie voor de vruchtbaarheid van "moeder aarde": de oogst zou er door gedijen, het vee rijkelijk jongen werpen. In feite dus een angstige poging de godheden op magische wijze te dwingen.
Temidden van die gedachtenwereld leeft een volk, dat van zijn God bij monde van een Salomo leert van de speelse liefde tussen man en vrouw. De liefde is (evenals de dood) onttrokken aan die sfeer van afgoderij en angstig bijgeloof. Pure liefde als iets schoons, als iets echt menselijks, iets waarin de mens (ook) tot zijn recht komt als Gods "handwerk" .
Bij de Kanaänieten is de liefde schaamteloos, de schaamte voorbij.
Bij Israël is zij een Godsgeschenk, niet iets waarvoor men zich hoeft te schamen of een dwangmiddel.
In Israël is God Schepper, Schepper van de mens - man en vrouw schiep Hij hen, als zijn beeld schiep Hij hen. In Israël behoeft noch man noch vrouw zich te verlagen tot het dierlijke en angstvallig liefde te bedrijven om daardoor "zeker" te zijn van een goede oogst of van een groot gezin (Ps. 45; 127; 128 enz. enz.). Israël belijdt zijn God als almachtige Schepper en kan vanuit zijn verlossing en verkiezing tot Gods volk zich verheugen ook over het minnespel en daarvan zingen als in het Hooglied. Wie God kent leert ook zichzelf weer kennen en mag zichzelf weer zijn: mens. Niet dat ons alledaagse leven altijd al zo ideaal is. Maar waar God de HERE beleden wordt als Schepper van hemel en aarde begint het licht ook over het liefde-leven weer door te breken - daar scheuren de wolken en breekt de zon door. Wie zou deze belijdenis nu ervaren als een rem, en dat in een wereld waar de mens een "stuk", een (lust)object is geworden, waar liefde is gereduceerd tot sex, waar sex een van de afgoden is waaraan mensen hun ziel en zaligheid opofferen als ware dat het hoogste goed? Als gemeente van Christus zulen we ons rein bewaren om wèrkelijk te kunnen genieten, om - bijbels gezegd samen bruid van Christus te kunnen zijn: rein, heilig en onbesmet.
Met een hooglied op de lippen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief