GOEDE MACHTEN

1979-01-05
  • Jaargang 23
  • nummer 1
Op de drempel van het nieuwe jaar kijken we om en zien vooruit. Naast dank voor talloze zegeningen, ook in de vorm van beproevingen, in het oude jaar genoten, hebben we veel gebed nodig voor het nieuwe jaar. De Heere zal ons vermoedelijk veel goede en kwade dingen toezenden. Zouden wij het goede uit zijn hand wel ontvangen en het kwade niet?
Een van de schoonste gebeden, die Gods volk ter beschikking staan, is lied 398 uit het algemeen Liedboek voor de kerken. Dat lied is bij uitstek geschikt voor de jaarwisseling. Want ondanks onze optimistische wensen voor veel heil en zegen, blijft de beklemming van een rijpende wereld, die zijn ondergang tegemoet gaat; blijft onze verwachting van Christus' wederkomst; blijft ook de aankondiging van moeilijke tijden voor wie de Heer waarachtig liefhebben.
Lied 398 is een ernstig lied, geschreven uit diepten van ellende, gezongen toch ook vanaf de toppen van het dichterlijk geloof. Een realistisch lied, voor ernstige mensen. Een bemoediging, voor gelovige christenen. Een gebed om vrede op aarde: inclusief de komst van de Vredevorst.

De dichter was de Duitse predikant Dietrich Bonhoeffer (1906-1945).
Bonhoeffer was een van die predikanten, die lang voor de oorlog inzagen dat de theologische studenten moesten weggehaald worden uit de officiële opleiding - en op zuiver bijbelse leest geschoeid. Hij werd hoofd van dit seminarie. Zijn werk is niet tevergeefs geweest. Tal van onafhankelijke predikanten hebben Duitslands Belijdende Kerk gediend, zonder een knie te buigen voor het beest uit de afgrond.
Bonhoeffer, die een dode orthodoxie in de Duitse kerken had geroken, was al vroeg begonnen een Evangelie te preken, dat beslag legde op de mensen-van-de-week, in plaats van een stichtelijk uurtje voor de Zondag te bieden. Toen zijn vaderland in handen van de nazistische ideologie geraakte, was dit voor hem de proef op de som. Hij moest met zijn preken, mede via studenten en vrienden, het christenvolk immuniseren tegen de satanische leer en paraat maken voor de christelijke strijd tegen het moderne heidendom.
Dat bracht hem spoedig onder verdenking. Daar kwamen zijn vele internationale christelijke contacten bij. Toen de oorlog begon meldde hij zich als legerpredikant. Niet zo zeer om van verdenking af te zijn - als wel om op die post zijn internationale contacten voort te zetten, zijn plicht te doen tegenover zijn falend land, in een breed spionagecomplot mee te werken en actief de ineenstorting van het Derde Rijk voor te bereiden.

Met grote moed heeft hij gedaan wat hij in die omstandigheden als zijn christenroeping zag. De laatste twee jaren van de oorog heeft hij dan ook in gevangenschap doorgebracht. Vlak voor het einde is hij geëxecuteerd.
Zijn voorlaatste brief, uit de harde SD-gevangenis gesmokkeld, bevatte een gedicht, waarvan lied 398 de vertaling is. Zijn gedicht was gezonden aan moeder en verloofde, was alzo een zeer persoonlijke boodschap aan zijn twee meest-geliefden. Zijn moeder was 28 december jarig - de dichter gebruikte deze datum als uitgangspunt voor zijn profetisch nieuwjaarslied.

Maar zijn lied gaat ver uit boven nieuwjaarspoëzie, ver uit boven een kinderlijke verjaarswens aan moeder, of een liefdesgroet aan zijn beminde.
Alleen in het eerste couplet worden die twee aangesproken, zoals wanneer gelovigen, samen neerknielend, een enkel woord tot elkander spreken om zich daarna tot God de Heere te richten. Ook alleen in het eerste vers komt het woord "ik" voor; een woord waarvoor psalmzingende christenen overigens niet bang zijn, aangezien de "ik" in de psalmen nooit voor zichzelf spreekt, maar altijd voor Gods volk.
De andere coupletten gaan uit van "ons" en zijn gericht tot onze Vader in de hemelen. Zowel in de aanvang als in het slot worden de "goede machten" genoemd. Die term is uiterst belangrijk - het lied is er naar genoemd.

Wat zijn goede machten? Wij weten meer over boze machten dan over goede machten. De geestelijke boosheden in de lucht, de zeven duivelen, de legio demonen, het zijn allemaal bekende grootheden. Maar minder vaak staan we stil bij het feit, dat Gods goede Geest ons geleidt - en daarbij gebruik maakt van engelen. De gedienstige geesten, uitgezonden om onzentwil, die ons rechts en links behoeden, die rapport uitbrengen voor Gods aangezicht - zij zijn het, die ons Goddelijke troost influisteren, die ons Gods beloften indachtig maken, onze geestelijke en lichamelijke krachten bijladen, ons bijstaan in moeilijke uren. Zij zijn het ook, die ons beschermen tegen satanische machten; en die bij ons zijn zijn meer dan die aan de overkant staan.

De dichter, geen dag zeker van zijn leven en toch zo gehecht aan een aardse toekomst, beleefde en beleed zijn geloof in de woorden van dit lied.
Al hoeft zijn spanning niet de onze te zijn, zijn taal is universeel. Want hij wist en gevoelde: geen seconde was hij alleen, voortdurend werd hij door engelen gediend.
Zo moge zijn zwanenzang ons aller lied worden. (1) Bizonder bij de intrede van een nieuw jaar. Dankbaar voor wat we hebben ontvangen, in blij vertrouwen op Gods toekomst, wetend dat Gods Zoon de vijand en zijn rijk reeds hééft verslagen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief