JEREMIA
1979-01-05
Dwaas ?- Jaargang 23
- nummer 1
Vindt u dit niet een merkwaardige verhaal? Er was in die dagen niemand meer in Jeruzalem die nog akkers en wijngaarden en huizen kocht.
De toekomst was veel te onzeker.
Wie geeft er nu geld uit voor een huis als de kans groot is, dat het over een week of een paar weken verwoest zal zijn? En wie koopt er nu een akker, als de verwoesting van de oorlog morgen over je kan losbarsten en je kan vellen? Dat doet geen mens.
Het is niet verstandig.
Jeremia doet het wel. Maar wat zijn optreden nog merkwaardiger en vreemder maakt, is het feit dat hij zelf ook nog in de gevangenis zit.
Wat moet je nu in zo'n situatie, terwijl jezelf ook nog een gevangene bent, met een akker? Jeremia kan er zelf niet eens komen!
Waarom doet die man dat nu? Dat hebben de mensen die erbij waren, zich afgevraagd. Wat bezielt hem?
Hoe komt hij zo gek?
Die vraag leefde niet alleen bij de omstanders, maar ook bij Jeremia zelf. Als de transactie voltrokken is en iedereen weer vertrokken is en Jeremia weer alleen is in de gevangenhof, gaat hij naar de HERE toe en legt die vraag aan Hem voor.
U moet er eens even op letten hoe gewoon en normaal dat gaat. Er is een open verhouding tussen Jeremia en Jahweh. Het is voor Jeremia een vanzelfsprekendheid, dat hij met zijn probleem naar de HERE toegaat.
Zo moet het kunnen. Zo mag het ook.
In zo'n sfeer van vertrouwen, waarin je je moeiten en zorgen en problemen zomaar aan de HERE kunt voorleggen. Jeremia blijft er niet zelf mee tobben. Hij probeert niet met alle geweld er zelf mee klaar te komen.
Hij gaat ermee naar de HERE.
Zo hoort het ook.
Het is ook goed even te noteren, dat in Jeremia's gebed niet alleen maar zijn persoonlijke problematiek aan de orde komt. Jeremia is niet uitsluitend vol van zichzelf en van zijn eigen moeite. Het is niet zo, dat hij dat laat domineren en daar alleen maar oog voor heeft. Hij geeft ook de HERE de eer die Hem toekomt.
Daar kunnen wij nog veel van leren
Door goede machten trouwen stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven
en met u ingaan in het nieuwe jaar. (2)
Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,
drukt nog de last van 't leed dat ons beklemt,
o Heer, geef onze opgejaagde zielen
het heil, waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd. (3)
En wilt Gij ons de bittre beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand. (4)
Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn. (5)
Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
We weten het, uw licht schijnt in de nacht. (6)
Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied. (7)
In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag. (8)
Tenslotte nog enkele kanttekeningen, als het mag.
1) De Nederlandse vertaling is van dr J. W. Schulte Nordholt. De melodie is gecomponeerd door Adriaan C. Schuurman.
2) De liefsten zijn, in tweede instantie, álle christenen, alle geliefden in onze Heere Jezus Christus. Met hen "leven" betekent: als met broeders samenwonen.
3) Daat is zo veel te klagen - maar we gaan niet alleen door het leven.
4) Aan wie van ons zal in 1979 elke beproeving worden bespaard? We kunnen zelfs denken aan Gethsemané. Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer.
5) Aan de gelovigen werken alle dingen mede ten goede. Maar als wij snel onze beproevingen vergeten, vergaat ook snel onze dankbaarheid voor de uitreddingen.
6) Mogen we denken aan de kerstkaarsen, die tot Driekoningen blijven branden? Aan het symbool voor de Zonne der Gerechtigheid? Aan de lampen, die blijven branden zo lang wij de Bruidegom verwachten? Of ook aan het licht, dat voor de rechtvaardige gezaaid wordt, waardoor de nacht een licht om ons heen wordt?
7) De Heiland heeft gevraagd: zal er nog verwachtend geloof worden
gevonden, wanneer Ik terugkom? De dichter hoorde steeds minder geloofszang klinken, vernam wel geroep van Heere-Heere, maar weinig psalmen in de nacht. En hij bad of, als de kerk ooit tot zwijgen zou worden gebracht, Gods schepping dan het danklied zou mogen overnemen, opdat Gods naam in een gedurig lofoffer eeuwig geprezen zij.
8) De "omgevende goede machten" van de aanvang vinden de "bergende goede machten" aan het eind, als een passend schakelslot. De kring is gesloten. De dichter is "getroost" voor de toekomst; niet alleen in de Nederlandse zin van "van troost voorzien" - maar ook in de zin van het Duitse woord "getrost", dat is gerust.
Zo mogen we getroost worden in ons vurig geloof: dat de Heiland legioenen tot zijn beschikking heeft terwille van degenen, die de zaligheid beerven.
Zijn goede Geest leidt onze schreden. Geen dag en geen nacht of Hij ziet ons, hoort ons, luistert naar ons, bewaakt ons, beheert ons als zijn eigendom, gebruikt ons als zijn goede instrumenten. Zo worden wij, door goede machten omgeven, zelf tot goede machten. Tot de dag aanlicht en de morgenster opgaat in onze harten.