JEREMIA

1979-01-12
  • Jaargang 23
  • nummer 2
Gebed
In Jeremia's woorden komt God naar ons toe als een geweldige God, een God die je met eerbied vervult en van wie je onder de indruk komt, zodat je er helemaal stil van worden kunt als je bedenkt, dat die God jouw God wil zijn en dat je zomaar vertrouwelijk bij Hem mag komen.
Ach, Jahweh, zegt Jeremia, Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt door uw grote kracht en uitgestrekte arm.
De hemel en de aarde. Dat is nogal wat. Dat is geen kleinigheid. Ze zijn door Jahweh gemaakt. Het moet wel een geweldige God zijn, die zoiets maken kan. Hij moet wel zo machtig zijn, dat niets voor Hem te wonderlijk is. Voor die God die de hemel en de aarde heeft kunnen scheppen, is niets te moeilijk. Hij is voor geen enkel ~at te vangen. Hij staat nergens voor.
Dat blijkt ook uit wat Hij nu nog doet. Hij bewijst aan duizenden goedertierenheid.
Goedertierenheid is een woord dat door veel mensen niet meer begrepen wordt. In de bijbel duidt het de welwillende gezindheid, het welwillende optreden van de ene verbondspartner ten opzichte van de andere aan. Goedertierenheid is altijd gebaseerd op een verbondsverhouding.
Die verhouding ligt eraan ten grondslag.
Zo heeft de HERE zijn verbond opgericht met Israël. Op basis van dat verbond is Hij goedertieren voor hen die Hem liefhebben. Hij is hun toegenegen en bewijst hun zijn welwillendheid.
Maar wanneer zijn verbondspartners van hun kant zich niet aan zijn verbond houden en niet beantwoorden aan de verwachting die de HERE op grond van het verbond van hen mag hebben, vergeldt Hij dat.
Hij laat dat niet over zijn kant gaan.
Dan trekt Hij zijn goedertierenheid terug. En als de vaderen zich dan niet bekeren, slepen ze hun kinderen mee in het verderf. Dat kan dan geslachten lang doorwerken, omdat de vaderen eens het verkeerde spoor namen.
Jahweh is inderdaad de grote, sterke God met wie niemand zich kan meten.
Hij is Jahweh der legerscharen, groot van raad en machtig van daad.
Niets ontsnapt aan zijn aandacht.
Zijn ogen zijn open voor alle wegen der mensenkinderen om aan ieder te geven naar zijn wegen.
Dat is allemaal geen droge theorie over God, maar zo heeft Hij zich gemanifesteerd, b.v. bij de verlossing van Israël uit Egypte en toen Hij het land Kanaän aan zijn volk gaf. Zo bewijst Hij zich ook in zijn oordeel over Juda en Jeruzalem, nu de Babyloniërs hun belegeringswallen tot aan de stad gebracht hebben en nu het duidelijk is, dat Jeruzalem in de macht van Babel gegeven is.
Voor Jeremia is het glashelder: wat met Jeruzalem gebeurt, is onvermijdelijk.
Omdat het volk Gods verbond niet meer naleefde, kán Jahweh niet meer goedertieren zijn. Omdat de ongerechtigheid van het volk niet te stuiten is, is ook Jahweh's oordeel niet te stuiten. Zo is Jahweh immers.
Daarom begrijpt Jeremia niet waarom hij die akker moest kopen. Dat klopt niet met de situatie. Het valt helemaal uit de toon. Het strookt niet met de realiteit.

Gods laatste woord
Op Jeremia's gebed geeft de HERE een verklaring van zijn opdracht aan Jeremia. In die verklaring komen zijn genade en liefde en beloften stralend naar voren.
Zou iets voor de HERE te wonderlijk zijn? Zou de ontrouw van zijn volk zijn trouw teniet kunnen doen? Zou hun zonde sterker zijn dan zijn genade?
Dat kan gewoon niet.
Dat wil niet zeggen, dat het oordeel niet doorgaat. De verzen 28-35 laten daar geen twijfel over bestaan. Israël heeft de HERE gekrenkt, staat er liefst drie maal. Het heeft Hem maar laten praten zonder zich iets van Hem aan te trekken. Daarom moet Ik Jeruzalem wegdoen uit mijn ogen, zegt de HERE. Dat kan eenvoudig niet anders meer.
Maar dat oordeel is niet het einde.
Het is niet Gods laatste woord. Over het oordeel heen wijst de HERE naar zijn beloften van heil en verlossing en van een toekomst met Hem, die door Hem geschapen wordt.
Daar wordt het oordeel niet minder ernstig om. Vaak wordt de fout gemaakt, dat men het oordeel daarom minder ernstig neemt en zegt: dan valt dat dus nog wel wat mee! Maar dat is niet waar. De verwoesting van Jeruzalem en het zwaard, de honger en de pest vielen bepaald niet mee.
En ook vandaag is Gods oordeel echt niet iets om luchthartig overheen te stappen.
Maar midden in het verpletterende oordeel opent God toch het zicht op de toekomst en laat Hij zien, dat zijn oordeel geen definitief einde maakt aan zijn belofte van heil.

Eén hart en één weg
Toen heel het volk in de illusie van vrede leefde en dacht dat hun niets overkomen kon, moest Jeremia zeggen: vergis je niet. De toekomst is niet rooskleurig. Het oordeel van Jahweh komt.
Nu het oordeel gekomen is en bezig is zich te voltrekken en de toekomst voor iedereen een groot zwart gat is, mag Jeremia zeggen: God doet de toekomst open. Er zullen weer akkers gekocht worden. Want Jahweh zal een keer brengen in uw lot.
Die omkeer is het werk van Jahweh.

Daar valt de volle nadruk op. IK verzamel hen uit alle landen. IK zal hen naar deze plaats terugbrengen (vs.
37). IK zal hun één hart en één weg geven (vs. 39). IK zal een eeuwig verbond met hen sluiten. Mijn vrees zal IK in hun hart leggen (vs. 40). IK zal hun weldoen en hen voorgoed in dit land planten (vs. 41).
Israëls toekomst is het werk van Jahweh. Gods heil kan nooit door de mens gerealiseerd worden. Wij kunnen nooit van onszelf uit dat heil verwerkelijken. 0 zeker, we kunnen wel wat aan de omstandigheden sleutelen en daar wel eens wat verbetering in brengen, hoewel het nooit ideaal wordt. Maar het hart van Gods heil is iets dat wij niet tot stand kunnen brengen. Ik zal hun één hart en één weg geven, mijn vrees in hun hart leggen en een eeuwig verbond met hen sluiten. Dat is de kern van Gods heil. En dat is zijn werk.
Er wordt tegenwoordig - terechtveel nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de mens. De mens is ook inderdaad voor honderd procent verantwoordelijk. Maar dat mag ons niet uit het oog doen verliezen, dat het heil ook voor honderd procent Gods werk is: IK zal mijn vrees in hun hart leggen. Dat ons hart vernieuwd is, hebben we te danken aan Hem

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief