Bezinning op de ambten(diensten)

1983-09-02
  • Jaargang 27
  • nummer 32
Ter overweging
Op de voortgezette zitting van de Landelijke Vergadering op 25 september 1982 werden de artikelen van het Akkoord van kerkelijk samenleven aanvaard. De kerkenraad van Groningen had voor deze vergadering aan alle kerkenraden een stuk toegestuurd waarin vanuit de Schrift uitvoerig kritiek geleverd werd op een aantal van deze artikelen. Tijdens de bespreking op de Landelijke Vergadering werd o.a. door een van de leden van de Commissie Functieverband Kerkverband opgemerkt, dat met name de door Groningen aangeroerde argumenten met betrekking tot de ambten van predikant, ouderling en diaken, nadere overweging verdienden en eigenlijk in een veel vroeger stadium aan de orde hadden moeten komen om bij de vaststelling van deze artikelen nog te kunnen meewegen. De kerkenraad van Groningen wil deze nadere overweging graag bevorderen en binnen de kring van onze kerken een discussie op gang brengen over de vraag wat de Schrift ons te zeggen heeft over de functies van predikant, ouderling en diaken. Omdat de argumenten van Groningen in 1982 reeds op de kerkenraadstafels gedeponeerd zijn, leek het niet zinvol ze nog eens naar de kerkenraden te zenden. Daarop besloot de kerkenraad er in de vorm van enkele artikelen in Opbouw aandacht voor te vragen, in de hoop dat er zo een discussie over deze zaak in onze kerken op gang komt en we gezamenlijk meer zicht mogen krijgen op wat de Schrift ons in dit opzicht te zeggen heeft.

Driedeling
De art. 2-14 van het Akkoord van kerkelijk samenleven gaan uit van de reformatorische driedeling met betrekking tot de kerkelijke diensten (ambten) en grenzen de taken van predikanten, ouderlingen en diakenen tegen elkaar af. Het mag bekend worden verondersteld, dat met name Calvijn aan de wieg gestaan heeft van deze driedeling. (Om precies te zijn: er was bij hem in feite sprake van een vierdeling, omdat hij 'Ook het ambt van "docteur" introduceerde, dat ook in de oude DKO terug te vinden is). Het belang van Calvijns werk in dit opzicht kan niet gemakkelijk overschat worden. De aandacht die hij vroeg voor de prediking van het evangelie is van wezenlijke betekenis. En toen hij de ouderling zijn plaats gaf in het kerkelijk leven, zette hij - naar een woord van O. Noordmans - met deze pion de paus schaakmat.

Twee lijnen
Hoe wezenlijk dit alles ook was en hoe doorslaggevend ook voor de ambtsopvatting in de gereformeerde kerken, toch kan niet ontkend worden dat er bij Calvijn enkele onduidelijkheden en tegenstrijdigheden voorkomen met betrekking tot de ambten. Dr Soon Gil Huh die in 1972 aan de Theol. Hogeschool (vrijgem.) te Kampen promoveerde op een proefschrift "Presbyter in volle rechten" (Groningen, 1972), wijst daar uitdrukkelijk op. Enerzijds vinden we bij Calvijn de lijn dat presbyteros (oudste) en episkopos (opziener) identiek zijn, waarbij hij deze beide benamingen uitsluitend reserveren wil voor de dienaren des Woords, terwijl hij in onderscheid daarvan het ouderlingschap dan fundeert op de in 1 Cor. 12 : 28 genoemde gave om te besturen. Maar we vinden bij hem ook een andere lijn, die ervan uitgaat dat er in het Nieuwe Testament sprake is van twee soorten ouderlingen, nl. ouderlingen die arbeiden in het Woord en ouderlingen die dat niet doen, maar die wel regeren (leerouderlingen en regeer-ouderlingen). Beide lijnen zijn niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Dr Huh concludeert dan ook, "dat er geen algehele overeenstemming tussen de verschillende uitspraken is. Het is alsof Calvijn op dit punt voor zichzelf niet tot een consistente gedachtegang is gekomen"(a.w. p. 126). Dr A. N. Hendriks wijst erop, dat ook in de oude bevestigingsformulieren twee lijnen te vinden zijn en dat onze vaderen moeite hadden met de schriftuurlijke fundering van het ambt van de dienaar des Woords. Hij sluit zich aan bij de mening van prof. dr C. Trimp, dat wij het ons zo vertrouwde beeld van de drie ambten niet zonder meer kunnen of mogen teruglezen in het Nieuwe Testament (Om de bediening van de Geest, Kampen, 1983, p. 26-37). "De drie ambten van het gereformeerde kerkrecht zijn niet kant en klaar in het Nieuwe Testament terug te Vinden" (a.w, p. 47).
We vinden dat een belangrijke constatering, want maar al te vaak wordt zonder meer uitgegaan van een identificatie van onze praktijk met de nieuwtestamentische gegevens. De erkenning dat deze identificatie niet reëel is, maakt het mogelijk onszelf de vraag te stellen of het Nieuwe Testament ons misschien aanwijzingen geeft, die corrigerend op de bestaande praktijk moeten inwerken. Wij menen dat er zulke aanwijzingen zijn en dat het daarom geen goede zaak geweest is, dat de traditionele ambtsopvatting zonder meer in het Akkoord van kerkelijk samenleven is vastgelegd. Graag willen we daarvan in het volgende rekenschap geven.

Historisch gegroeid
Volgens de traditioneel gereformeerde opvatting bezit een predikant meer bevoegdheden dan een ouderling. Zo mag een predikant preken en doop en avondmaal bedienen, maar een ouderling niet. Waarop baseert men dit verschil in bevoegdheden? Niet op de Schrift, zoals we nader hopen aan te tonen. Prof. dr H. Bouwman moet toegeven, dat oorspronkelijk het ambt van dienaar des Woords en van ouderling één was en dat de scheiding tussen beide historisch gegroeid is. Vanuit de oorspronkelijke eenheid geredeneerd zou deze scheiding helemaal opgeheven moeten worden. Maar daarmee zou men dan hetgeen onder de leiding des Heren in de Reformatie- tijd tot stand gekomen is, teniet doen. En dat is ongeoorloofd (Prof, dr H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, deel I, Kampen, 1928, p. 371). Opvallend is hier, dat Bouwman het historisch gegroeide evenveel - om niet te zeggen: meer - gewicht toekent als de Schrift. De Reformatie heeft plaats gevonden onder de leiding des Heren. En daarom mag er niet gemorreld worden aan wat toen ontstaan is. Deze gedachtegang lijkt als twee druppels water op die van de Roomse Kerk, die aan de traditie evenveel gezag toekent als aan de Schrift. Het is hetzelfde argument dat Luther en Calvijn voor de voeten gegooid werd. Als zij zich door dat argument hadden laten leiden, zou er nooit een reformatie geweest zijn.

Imitatie of ruimte?
Een soortgelijk argument komen we tegen bij prof. dr C. Trimp. ook hij erkent, dat de drie ambten zoals wij ze kennen, in deze vorm niet rechtstreeks uit het Nieuwe Testament zijn af te leiden. "Aan het Nieuwe Testament is dan ook onmogelijk een drieledige systematiek terzake van de ambtelijke diensten te ontlenen"(prof. dr C. Trimp, Zorgen voor de gemeente, Kampen, 1982, p.48). "Het zal o.i. daarom ook niet meevallen om uit de bijbel te bewijzen dat deze twee diensten (nl.van predikant en ouderling) zo diep onderscheiden zijn als de bevestigingsformulieren van de zestiende eeuw ons willen doen geloven. Heel de figuur van de predikant, die tot taak heeft het Woord en de sacramenten te bedienen te catechiseren, zieken te -bezoeken en kerkenraadsvergaderingen te presideren, kunnen wij in de bijbel niet zó belijnd getekend vinden als wij hem in de door de Kerkorde geregelde praktijk thans 'kennen" (a.w. p. 49). Toch moet volgens Trimp niemand proberen deze historisch gegroeide praktijk met een goedkoop beroep op de Schrift voor waardeloos te verklaren (a.w. p. 50). Want dat zou getuigen van een onhistorisch, independentistisch, biblicistisch, onschriftuurlijk inzicht. "De Heilige Geest heeft in de bijbel ons het verhaal van de eerste christen- gemeenten niet verteld, opdat wij al de toenmalige situaties zouden imiteren of kopiëren, maar ,Hij wil dat wij, als mondige kerk van het nieuwe verbond en in christelijke vrijheid, regels zouden stellen die bevorderlijk zijn voor zijn bedoeling met de kerk en overeenstemmen met zijn heilige orde" (a.w. p, 49). Iedereen zal het wel met prof. Trimp eens zijn, dat het niet de bedoeling is dat we alle situaties uit , de tijd van het Nieuwe Testament imiteren of kopiëren. Het ligt trouwens niet erg voor de hand dat er mensen zijn, die daarop uit zijn. Iedereen begrijpt toch immers dat dat niet kan, ook al zou men het willen. Het opponeren ertegen heeft dan ook veel weg van het befaamde vechten tegen windmolens. Het gaat ons niet om het imiteren van toenmalige situaties, maar we willen wel ruimte scheppen voor Bijbelse richtlijnen en mogelijkheden. In de traditionele gereformeerde ambtsopvatting worden richtlijnen en mogelijkheden die het Nieuwe Testament geeft, uitgerangeerd en op dood spoor gezet. Kerkelijke regels die dat effect hebben, kunnen niet goed zijn. Zodra ze Bijbelse mogelijkheden afsnijden, krijgen ze het karakter van bovenschriftuurlijke bindingen.

Onbijbelse invloeden
Men kan volop Gods leiding in de Reformatie erkennen en er tegelijkertijd oog voor hebben, dat de reformatoren in bepaalde opzichten zich niet volledig hebben kunnen onttrekken aan de invloed van het roomse theologische denken en de zuurdesem van een traditie die de Schrift verduisterde, niet helemaal hebben kunnen uitzuiveren. Dr Huh wijst er b.v. op dat Calvijn, ondanks het feit dat hij blijkt te beseffen dat het onderscheid tussen clerus (geestelijkheid) en leken niet schriftuurlijk is, omdat in het Nieuwe Testament heel de gemeente clerus genoemd wordt, toch de term 'clericus' is blijven gebruiken om degenen die een kerkelijk ambt bekleden, aan te duiden. Huh betreurt dit, omdat zo het gevaar aanwezig blijft, "dat mèt de term ook het verkeerd begrip invloed gaat oefenen (a.w.p. 160, 161). Datzelfde kan gezegd worden ten aanzien van het gebruik van het woord sacrament ter aanduiding van doop en avondmaal. Ook dat is een spraakgebruik dat niet aan de Schrift ontleend is, maar regelrecht afkomstig is uit de heidense mysterie-religies. Omstreeks de vierde eeuw na Christus blijken doop en avondmaal niet slechts sacramenten genoemd te worden, maar ook helemaal het karakter aangenomen te hebben van de sacramenten zoals die in de heidense mysterie-religies voorkwamen (""gil. Kittel, TWNT, IV, s.v. mystèrion). In deze religies waren sacramenten heilige handelingen en riten, waardoor het heil en de verlossing tegenwoordig gesteld werden: Wie aan deze sacramenten deel had, kreeg daardoor automatisch deel aan de verlossing. Voorwaarde daarvoor was niet geloof van de kant van degene die het sacrament ontving, maar uitsluitend een correcte voltrekking van het sacrament. D.w.z.: de juiste handelingen moesten worden verricht, de exacte formules moesten worden gebruikt en de voltrekking mocht uitsluitend plaatsvinden door gewijde, geautoriseerde priesters. A1s aan deze voorwaarden voldaan was, realiseerden de sacramenten het heil ex opere operato, d.w.z. simpelweg door de voltrekking ervan. Het is duidelijk, dat deze heidens-
magische visie kenmerkend geworden is voor de roomse sacramentsleer. De Reformatie heeft deze roomse sacramentsleer op een wezenlijk punt doorbroken en er sterke nadruk op gelegd, dat doop en avondmaal niet automatisch het heil meedelen, maar alleen effectief zijn in relatie met het geloof van hen die ze ontvangen. Helaas bleef men ze desondanks toch sacramenten noemen en bepaalde men, dat ze uitsluitend voltrokken mochten worden door speciaal daarvoor gewijde en geautoriseerde figuren, i.c. de predikant.

Wie mag dopen?
In het Nieuwe Testament vinden we daarvan niets terug. Doop en avondmaal zijn daar geen sacramenten. De bediening ervan werd dan ook niet aan speciaal daarvoor geautoriseerde personen gebonden. Met name met betrekking tot de doop vinden we daarvan in het Nieuwe Testament duidelijke aanwijzingen. Zo vertelt Hand. 10 b.v. dat Cornelius en de zijnen niet gedoopt werden door Petrus, maar door de zes broeders uit Joppe, die met Petrus meegekomen waren. Petrus verkondigt aan Cornelius met zijn familie en vrienden het evangelie. En als hij merkt dat ze de Heilige Geest ontvangen hebben, geeft hij aan deze broeders uit Joppe het bevel hen te dopen. Deze zes broeders die . dus actief bij de doop van heidenen betrokken waren, zijn daarna ook samen met Petrus naar Jeruzalem gegaan om verantwoording af te leggen van hun optreden in Caesarea (Hand.11 : 12). Dit verhaal maakt duidelijk, dat de doop in de tijd van het Nieuwe Testament niet door de prediker zelf bediend behoefde te worden, maar dat ook gewone gemeenteleden dat konden doen. En dat niet slechts in noodgevallen, als er geen bevoegde ambtsdrager aanwezig was, maar ook als er een apostel in hoogst eigen persoon tegenwoordig was. Om de doop te kunnen bedienen was blijkbaar geen speciale bevoegdheid vereist.
Deze stand van zaken vormt ook de achtergrond van Paulus' opmerking in 1 Cor. 1 : 17, waar Paulus schrijft: Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen. Bij gereformeerde mensen die er vanuit hun traditie automatisch van uitgaan dat de doop alleen maar door bevoegde predikers bediend mag worden, komen deze woorden van Paulus vreemd over. Hoe kan Paulus, die toch ook geweten heeft wat Christus zijn discipelen kort voor zijn hemelvaart opdroeg (Matth. 28: 19), nu beweren dat Christus hem niet gezonden heeft om te dopen? Voor Paulus bestond dit probleem niet, omdat de doop voor hem geen sacrament was, dat alleen maar door speciaal daarvoor geautoriseerde ambtsdragers bediend mocht worden.
Paulus heeft geruime tijd in Corinthe gewerkt en er zijn in die tijd velen tot geloof gekomen (Hand. 18 : 8, 10). Toch weet Paulus in 1 Cor. 1 niet meer dan drie namen te noemen van mensen die door hemzelf gedoopt zijn. Alle anderen zijn natuurlijk wel gedoopt, maar niet door Paulus. Dat was ook niet nodig. Want de doop kon door elk willekeurig gemeentelid bediend worden. Zo was Paulus zelf b.v. ook door een gewoon gemeentelid uit Damascus, Ananias, gedoopt (Hand. 9 : 18).

Geen sacrament
Deze voorbeelden maken wel duidelijk, dat de doop in het Nieuwe Testament geen sacrale, heilige handeling, geen sacrament, was en dat er voor de bediening van de doop geen speciaal geordende man nodig was. Dat viel ook niet te verwachten. Want de doop is de vervulling van de besnijdenis en wordt door Paulus dan ook de besnijdenis van Christus genoemd (Col. 2 : 11, 12). Om de besnijdenis te voltrekken was ook geen priester vereist. Elke Israëliet mocht een jongetje besnijden. Gewoonlijk deed de vader dat zelf. Maar ook een buurman mocht het doen. Ook vrouwen waren ertoe bevoegd (vgt. Ex. 4: 25). Als dat de stand van zaken was in het Oude Testament, toen het volk van God nog onmondig was, ligt het inderdaad niet in de lijn der verwachting dat in het Nieuwe Testament ineens speciale ambtsdragers nodig zouden zijn voor de bediening van de doop. De hierboven genoemde gegevens uit het Nieuwe Testament laten duidelijk zien, dat dit ook inderdaad niet het geval was. De doop kon door elke christen bediend worden. Uit de christelijke kerk in de tijd na het Nieuwe Testament is bekend, dat vrouwen wel gedoopt werden door diaconessen. Later, toen de doop een sacrament werd, veranderde dat.
Een sacrament mocht immers alleen maar door een speciaal daarvoor gewijde priester voltrokken worden. Door de bevoegdheid om te dopen uitsluitend aan predikanten toe te kennen heeft de gereformeerde traditie zich niet volledig kunnen ontworstelen aan de invloed vaneen heidens sacramentalisme, dat zich in de roomse kerkleer genesteld had. Wezenlijk voor een goed zicht op doop en avondmaal is te beseffen, dat ze in het Nieuwe Testament niet het karakter van sacramenten dragen en dat de bediening ervan daarom ook niet aan een speciaal ambt gebonden is. Nieuwtestamentisch gezien is er geen enkele grond om de bediening van doop en avondmaal uitsluitend aan predikanten te binden. In het Nieuwe Testament vinden we geen spoor van sacramentalisme en al evenmin van clericalisme. In de gereformeerde traditie vinden we er wel sporen van.
(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief