PSALM 103

1979-01-19
  • Jaargang 23
  • nummer 3
Uit de diepte naar de hoogte
De melodie van Psalm 103, zoals wij die kennen, mag dan erg "uit de hoogte" zijn i.t.t. het "uit de diepte" van Ps. 130, het feit blijft dat naar dit lied slechts een enkele keer bij een bruiloft, wat vaker op verjaardagen (m.n. van ouderen), maar het meest bij begrafenissen wordt gegrepen. Toch begint de dichter zo vrolijk: loof den HERE, mijn ziel ... (vs. 1). Als vaker in de bijbel voert hij een gesprek met zichzelf. Dat betekent nog niet, dat het om de alleenspraak van een enkeling gaat. Zoals bijv. in Ex. 15 : 1; Richt. 5 : 1,3; Ps. 91; Ps.
11 kan tegelijk heel Israël aan het woord zijn, terwijl toch ieder voor zich zingt. Eigenlijk is het pas dan goed, wanneer heel de gemeente eenparig is in geloven, belijden, lofzang.
Loof den HERE - eigenlijk: zegen Hem (als in Ps. 134 o.a.), zeg goede dingen van Hem en tegen Hem. Daar is alle reden toe: ... en vergeet niet een van zijn weldaden (vs. 2). Het woord "weldaden" is hier overigens wel een kwestie van interpretatie door de vertaler. Wij zijn er sinds de Statenvertaling aan gewend, maar in het hebreeuws staat niet meer dan "daden". Daden die bijna altijd getuigen van vergelding, bestraffing. Persoonlijk kies ik voor de vertaling: vergeet niet wat Hij gedaan heeft (in de zin van: vergeet zijn bestraffing niet. De reden daarvoor blijkt vanzelf uit wat volgt.

De achtergrond
Intussen noemen de volgende verzen weldaden zonder tal: die al uw ongerechtigheden vergeeft; die al uw krankheden geneest; die uw leven verlost van de groeve ...(vs. 3, 4).

Nu kan de vraag rijzen: in hoeverre is dat waar? Geneest God elke zieke? Komt wie gelooft niet in het graf? Een argeloos mens zou dit er toch uit mogen opmaken - maar het strijdt wel met de werkelijkheid ...
Stëièchter eens, dat het hier gaat om de beëindiging van die afschuwelijke periode waarin God Israëls ongeloof vonniste met de straf dat alle manschappen van twintig jaar en ouder het beloofde land niet zouden binnenkomen maar in de woestijn zouden sterven (Num. 14: 29)?
In dat geval worden deze verzen duidelijk. Het eerste dat wordt gezegd is, dat God nu Israëls ongerechtigheid (wat hebben zij Hem getergd! vgl. Ps. 95) vergeeft (vgl.
Jes. 40 : 1). Het tweede is, dat aan die tijd van veelvuldige ziekte (ondanks Ps. 91 : 10 v.v.) en abnormale sterfte (vgl. Ps. 90 : 10) een eind is gekomen. De dagen en jaren van Gods verbolgenheid (Ps. 90 : 7 v.v.) zijn voorbij. God stelt Israëls ongerechtigheden niet meer vóór zich (Ps. 90 : 8), maar Hij vergeeft ze: Mozes' gebed is verhoord.
Israël leeft niet meer in de ban van de dood (Ps. 90 : 3, 7 V.v., vgl. Ps. 116 : 3) maar kan opgelucht zingen van Hem "die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel verzadigt met het goede (er is meer dan manna voor nodig om met plezier te kunnen eten en drinken!), zodat uw jeugd zich vernieuwt als een arend (diens vedertooi vernieuwt zich elk jaar).
Anders gezegd: Israël leeft weer op, heeft weer perspectief - dankzij Gods barmhartige welwillendheid ten opzichte van (toch) zijn volk.

De bloem des velds kan weer bloeien!
Was deze houding niet altijd kenmerkend voor God? De dichter weet: de HERE doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten (mensen die onder onrecht lijden).
Toen Israël bijv. in Egypte verdrukt werd (Ex. 1) verschafte God hun recht (vgl. Ex. 2 : 23-25).
Slaven herkregen de vrijheid en verkregen hun uitgesteld loon (Ex. 12: 31-37). Meer nog: dit volkje zonder land en koning kreeg zowel land (Kanaän) als koning: God zelf. Op de Sinaï proclameerde Hij zich tot Koning van dit volk en maakte Hij Mozes (en dus Israël) zijn wegen bekend (wetten ten [even), de kinderen Israëls zijn daden. Hij ging hun voor, baande de weg, ontsloot het beloofde land (vs. 7). Dit alles geconcentreerd in (het verbond gesloten op) de Sinaï.
Juist zonder te vergeten wat Hij hun gedaan had (zijn straffen) kunnen ze volmondig Gods zelfopenbaring (Ex. 33 : 13) beamen: barmhartig is de HERE en genadig, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid (vs. 8).
Zo is de HERE dus echt. Zijn volk heeft het ervaren. Ook al hebben zij 38 jaar "doelloos" moeten rondzwerven in de woestijn: niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Mij toornen (vs. 9). Hij doet ons niet naar onze zonden: ... zover het Oosten (het Overjordaanse, de woestijn?) is van het Westen (Kanaän), zover doet Hij onze overtredingen van ons (vs. 10-12)!
Hij is voor zijn volk als een ontfermende vader (een schaars beeld in het O.T.), die elk van zijn kinderen kent en "onderscheidenlijk" helpt. Die ook weet dat de mens broos is, vergankelijk als het gras, als een bloem waarover de woestijnwind gaat (dat geldt intussen ook de machtigen van Babel, Jes. 40 : 6-8).
God wéét dat - is die mens niet zijn maaksel? - en houdt er rekening mee: behandelt zijn kinderen als kostbaar porcelein (vgl. Ps. 116 : 16; 56 : 9). Maar hoe broos die mèns ook is, Gods woorden blijven er even sterk en betrouwbaar om en zijn goedertierenheid, welwillendheid (de vierde keer in deze psalm!) is van eeuwigheid tot eeuwigheid (vs. 17). Heeft Hij die welwillendheid niet keer op keer betoond totdat Hij tenslotte zijn eigen Zoon gaf tot een offer voor de zonden van zijn volk!

Scheppingsoratorium
Mag ieder zich dit dus zo maar toeëigenen? Wie in rekening brengt "wat God gedaan heeft" (bestraffend), verstaat dat dit geldt "voor wie Hem vrezen, die zijn verbond onderhouden en aan zijn bevelen denken om die te doen (vs. 17, 18).
Is dat niet precies wat staat aan het slot van het tweede verbondswoord?
God bezoekt de ongerechtigheid der vaderen (ook) aan de kinderen, tot in het derde en vierde geslacht, als die namelijk in de wegen van hun vaderen gaan. De rampzalige woestijntocht illustreert dat. Maar omgekeerd doet God barmhartigheid aan afstammelingen tot in het duizendste geslacht van hen die Hem liefhebben, d.i. die zijn geboden onderhouden. Respect en gehoorzaamheid - meer vraagt de HERE niet. Maar dit moet blijken in gelovig vertrouwen. Dan zullen zelfs "kindskinderen" profiteren van zijn "gerechtigheid", d.i. van het recht verschaffen aan verdrukten (vs. 17 en vs. 6).
Want God is niet de eerste de beste.
Zijn troon staat in de hemel: wie zal opklimmen en Hem van de troon stoten? Zijn koningschap is onbeperkt, gaat over alles (vs. 19).
Hij gebiedt en het gebeurt (Gen. 1; Ps. 33). Staan niet rond zijn troon zijn dienaren klaar om zijn Woord ten uitvoer te brengen: Joz. 5 : 13 V.v.; Ps. 91 : 11, 12; Dan. 10: 20 v.; Op. 12: 7 v.v.; enz. enz.? Hij is de HERE der heerscharen, der legermachten (Dan. 7 : 10; Ps. 68 : 18; enz.). En zij zijn er, daarge laten of een mens een persoonlijke beschermengel heeft, in elk geval óók om Gods volk ons alle omstandigheden te beschermen en te begeleiden (vgl. ook Ex. 32 : 34 bijv.).
Op Gods bevel brengen zij mede Gods heilsgeschiedenis ten uitvoer (Ps. 91 : 11, 12). Het zijn dan ook geen ijle wezens met gazen vleugeltjes, maar "krachtige helden", die gereed staan Gods wil te volbrengen (vs. 20, 21).
Mogen zij den HERE loven, moge heel zijn schepping Hem loven, allerwegen, aan alle plaatsen zijner heerschappij (vs. 24). Mogen zij Hem zegenen, goede dingen over en tegen Hem zeggen! Hij gaf en geeft er alle reden toe. En dat is de reden, waarom de dichter eindigt met de woorden van het begin: de inzet is tevens het slotkoor Israël moge hoofd voor hoofd meezingen in het scheppingsoratorium: "loof den HERE, mijn ziel!"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief