De naam der kerken

1979-01-19
  • Jaargang 23
  • nummer 3
Verschillende malen al heb ik iets gelezen over de officiële naam die de in de wandeling buitenverbandse kerken genoemde kerken in de toekomst zullen gaan dragen. Het laatste stuk dat mij daaromtrent onder ogen kwam stond in het dagblad Trouw van 28 november j.l. In dat stuk lees ik dat op de landelijke vergadering, gehouden te Wezep, twee namen overbleven, nl. "Nederlandse gereformeerde kerken" en "Vrijgemaakte gereformeerde kerken". Voorts dat tot de afgewezen namen behoorde die van "Vrije gereformeerde kerken". Volgens het verslag zou een der afgevaardigden opgemerkt hebben dat iemand die zegt: "Ik ben vrij gereformeerd" de reactie uitlokt van: "Ik ben tamelijk hervormd". Tenslotte las ik dat als argument voor de naam "Vrijgemaakt gereformeerd" genoemd is, dat deze de herkomst der kerken aanduidt en een blijvend appèl inhoudt aan de binnen verband se kerken die "Gereformeerd vrijgemaakt" heten.
Naar aanleiding hiervan zou ik graag een paar opmerkingen willen maken.

Na de vrijmaking van 1944 hielden we vol dat we De Gereformeerde Kerken in Nederland waren, de wettige voortzetting van die kerken die we vanaf 1892 onder die naam gekend hadden. Er moest echter iets op gevonden worden om verwarring te voorkomen. Vele kerken noemden zich in het dagelijks verkeer: Gereformeerde Kerk, vrijgemaakt naar art. 31 K.O. Maar Greijdanus betoogde dat het niet maar ging om de naleving van art.
31 op dat bepaalde moment van de geschiedenis doch om de onderhouding ervan bij de voortduur. Vandaar dat ingevoerd werd, met volledige handhaving van de naam: Gereformeerde Kerk(en), de postale aanduiding: onderhoudende art. 31 K.O. Die aanduiding had dus het uitsluitende doel verwarring bij de P.T.T. te voorkomen. Buitenstaanders hebben daarvan niets of vrijwel niets begrepen. Ik hoor nóg wel zeggen: Die en die is lid van artikel 31. En nog maar een paar maanden geleden vroeg iemand mij ergens in het land: Welke kerk is dát nu eigenlijk, artikel 31? Zelfs heb ik een keer het volgende meegemaakt: Ergens stond een vrijgemaakt iemand als no. 1 op de A.R.-lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Het G.P.V. bestond ook al.
Tijdens een treinreis hoorde ik toen enkele mensen praten over de komende verkiezingen. Een van hen sprak zijn bevreemding erover uit dat de bewuste man op de A.R.-lijst stond, o.a. in deze bewoordingen: hij is toch artikel!

Nu moet er dan een officiële naam komen, ná de splitsing van ruim tien jaar geleden. Dat zal wel nodig zijn, al zou het alleen maar wezen voor de betrekkingen met de overheid. En ik kan mij er heel wel in vinden dat in die naam ook voorkomt het woord "Gereformeerd", al zou men ook dáártegen wel bepaalde bezwaren kunnen aanvoeren. Ge-reformeerd is een verleden deelwoord, en men zou kunnen zeggen: het komt er niet maar op aan dat we in ons voorgeslacht eenmaal tot reformatie gekomen zijn, het komt erop aan dat we in die lijn blijven en dat we voortdurend ge-reformeerd wórden, en ons voortdurend reformeren.
Ecclesia reform a semper reformanda, een kerk die tot reformatie gekomen is moet steeds (verder, opnieuw) tot reformatie komen. Maar goed, de naam "Gereformeerd"
is zó ingeburgerd dat ik er toch wel aan hecht die te bewaren.

Nu is het de vraag: wat moet daaraan ter onderscheiding toegevoegd worden? Er is gepleit voor "Vrijgemaakt Gereformeerd", waarin dan de historische herkomst aangeduidt zou zijn en een blijvend appèl gedaan zou worden op de binnenverbandse kerken ("Gereformeerd vrijgemaakt"). Het komt mij voor dat dit niet erg duidelijk zou zijn.

Als iemand mij zou vragen: Wat bent u kerkelijk?, en ik zou antwoorden: Vrijgemaakt Gereformeerd, dan zou de reactie allicht zijn: 0, u behoort dus bij die Gereformeerde vrijgemaakten, die nog al eens schermen met "de ware kerk" en dergelijke dingen? Dan zou ik moeten gaan uitleggen dat "Vrijgemaakt Gereformeerd" iets anders is dan "Gereformeerd Vrijgemaakt" enz. enz. Ik vind het maar een verwarrende zaak. Bovendien: als we het verleden deelwoord "vrijgemaakt" gebruiken, zitten we toch weer in het schuitje van de historische herkomst en verdwijnt het principieel juiste van Greijdanus' betoog.
Ik voor mij voel het meest voor de naam "Vrije Gereformeerde Kerk(en)”.

In de kerkelijke strijd van de jaren dertig en daarna ging het m.i. om de vrijheid: om de vrijheid van de autoriteit van meerdere vergaderingen, om de vrijheid der exegese, om de vrijheid der plaatselijke kerk, om de vrijheid van overgeleverde dogmaticale stellingen, de vrijheid der wetenschap, en ga zo maar door. Het lag veel dieper en was veel breder dan datgene waarvan art. 31 sprak: de vrijheid om bepaalde besluiten van meerdere vergaderingen niet te accepteren, al heeft de zaak zich inderdaad daarop toegespitst. Het ging, naar het mij voorkomt, om de waarachtige christelijke vrijheid waarvoor Paulus telkens weer op de bres sprong. Die vrijheid, het moet helaas gezegd worden, heeft de kerk in de loop der eeuwen nooit aangekund, nooit aangedurfd, zij heeft er ook nooit aan gewild. Altijd werd weer gezocht naar autoriteiten die de dienst moesten uitmaken.

Er kwamen bisschoppen, er kwam een paus, er kwamen na de reformatie synodevergaderingen. En er werd om gevráágd. In de bezettingstijd werd gevráágd: Laat de synode ons nu toch eens vertellen welke houding we moeten innemen tegenover de bezetters, op dit punt, op dat punt. In vroeger en later tijd is erom gevráágd, dat vanaf de preekstoel zou worden gezegd welke krant we moesten lezen, op wie we onze stem moesten uitbrengen.

Maar we zijn in Christus vrije mensen.
Die vrijheid hèbben we, en óók: we moeten haar telkens weer grijpen, hetgeen we doen met veel vallen en opstaan. En dát zou ik nu uitgedrukt willen zien in de naam der kerken. "Gereformeerd", best, want we staan in de lijn van de reformatorische traditie. Maar dan nu daarbij: niet "vrijgemaakt" (ervóór of eráchter; wat was het verschil ook weer?), waarmee we teruggrijpen op een bepaald moment van de kerkgeschiedenis, maar: "vrij", waarmee we een christelijke wezenstrek aangeven, die blijvend bij de kerk behoort.
In de zomer van 1944 moest ik naar de geldende regels verlenging van mijn preekconsent aanvragen bij de classis van die kerken die mij tevoren praeparatoir geëxamineerd hadden. De vrijmaking was toen juist hier en daar begonnen. Ik heb toen - zonder er overigens op dát moment zo diep over na te denken - mijn stukken en mijn aanvrage gestuurd naar de eerstkomende classis Rotterdam van de vrije Gereformeerde Kerken. Nu de zaak van een officiële naam in bespreking is, en straks een definitieve beslissing genomen zal worden komt dit feit mij weer in de herinnering. En ik moet zeggen dat voor de naam "Vrije Gereformeerde Kerken" wel een en ander aan te voeren is.

De opmerking dat een uitspraak: ik ben vrij Gereformeerd, een reactie: ik ben tamelijk Hervormd, zou kunnen uitlokken beschouw ik als een aardig grapje, dat echter moeilijk als serieus argument kan dienen.
Inderdaad kennen wij het woord "vrij" in de zin van "tamelijk": "Het is op het ogenblik vrij koud". Maar als iemand zegt: "Ik ben Vrij-Evangelisch", dan heeft "vrij" een andere intonatie dan in het zoëven vermelde zinnetje. En ik ben banger voor het misverstand "Gereformeerd-Vrijgemaakt" / "Vrijgemaakt-Gereformeerd" dan voor misverstand dat zou kunnen rijzen bij "Vrij Gereformeerd".

Natuurlijk kunnen er misverstanden rijzen. Men kan in een naam nu eenmaal niet alles zeggen. En men moet althans iéts van de historie weten om een naam te kunnen begrijpen. Men moet óók iets van de historie weten om een passende naam te kunnen kiézen. Maar dan moet de historie wel recht verstaan worden. Ik voor mij zou het jammer vinden wanneer we vastgepind zouden worden op een naam die verbonden is aan een bepaald gebeuren in de geschiedenis van de kerken in Nederland.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief