Het Liedboek

1983-09-02
  • Jaargang 27
  • nummer 32
Lied 218
Dit lied kenmerkt zich door goede gedachten: de opstanding heeft zijn alles omvattende betekenis niet alleen voor de toekomst, maar is ook bepalend voor het leven hier en nu. De glorie van de nieuwe morgen overstraalt het lijden van de tegenwoordige tijd. Daarbij biedt het toch belangrijk meer perspectief dan in strofe 6 (weerzien) tot uitdrukking komt. In 't algemeen laat de uitwerking van de betekenis van het opstandings-evangelie in taal en stijl te wensen over. Het origineel is in dit opzicht beter. Een nieuwe berijming zou daarom wel gewenst zijn. De melodie is dezelfde als van Lied 63.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 219
Het begin, van dit lied stamt uit de tijd dat de dichter bezig was met een berijming van Psalm 81 en is daarna tot dit Paaslied uitgewerkt. Het is evenwel geen sterk lied gewonden en vergelijking met genoemde Psalm leidt zonder meer tot de conclusie dat deze beter is dan dit lied, zij het dan dat daar de nadruk meer komt te vallen op een zondagslied dan op een paaslied. De zin van de laatste regel van strofe 1 “levenden en doden" is niet duidelijk, Ook voor strofe 4 geldt dit, terwijl strofe 6 onjuist spreekt van "God is opgestaan". De melodie is die van Psalm 81.
Tekst: 1; melodie: .3.

Lied 220
Deze liedtekst bevat diverse, in velerlei opzicht, onduidelijke en deels ook nog minder juiste beelden en zegswijzen. Zo spreekt strofe 3: "maar in het graf deed Hij Zijn werk", strofe 5: "bloeien aan dorens van de rouw lachend de rozen open" en strofe 7: "brandend met vuren tongen". Als kerklied voldoet het o.i. dan ook niet aan de eisen van goede verstaanbaarheid en begrijpelijke samenhang. De melodie is weliswaar onbekend, maar niet moeilijk.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 221
Op het thema van dit lied valt weinig aan te merken, maar stijl en woordkeus zijn toch wel zodanig verouderd dat een nieuwe berijming gewenst is. Uitdrukkingen als "der zaal'gen sabbaths-vree" (strofe 1), "leer ons duizendwerven" (strofe 2), "schoon eerlang 't 'Oog ons, breek" en "welk een dag der ruste zal 'dat wezen" (strofe 3) mogen als genoegzame illustratie dienen.
Wat de melodie betreft, de bouw is zeer eenvoudig: regel 3 en 4 zijn herhaling van 1 en 2, regels 5 en 6 zijn gelijk 7 en 8 ook en zijn daarbij gelijk aan regel 2, die een verkorting. van regel1is. Ze is daardoor niet vrij te pleiten van een zekere saaiheid'. (Comp, p.547).
Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 222
Dit lied bevat een 3-tal vrij bewerkte strofen van het oorspronkelijk achtstrofige gedicht van-
Homburg en kreeg via de liederenbundel van Van Woensel Kooy bekendheid. "Zo veeleisend voor de gemeentezang Bachs stralen de melodie is, zo pretentieloos is de tekst”, aldus het oordeel in het Compendium (p. 548). Deze mening kunnen we wel onderschrijven. Als voorbeeld daarvan noemen we de weinig zeggende uitdrukkingen in strofe 2: "Hij heeft ridderlijk gestreden, hel en duivel neergetreden. Woedt de vijand nog zo zeer, schaden kan hij ons niet meer".
T.a.v. de melodie moet worden opgemerkt dat deze zich meer leent voor een solistisch optreden dan voor de gemeentezang.
Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 223
Volgens de dichter is dit lied geschreven voor de tweede Zondag na Pasen en heeft daarom te maken met Psalm 33 (van oudsher het aanvangslied voor deze Zondag). Aan Psalm 33 : 5 en 6 ontleent het dan ook zijn aanhef: "de aarde is vervuld van goedertierenheid". 'Dit moet worden bedacht, wil het lied niet veel van zijn zeggingskracht verliezen. "Maar omdat héél het geloof doordrongen is van het Pascha zal het zonder enig bezwaar ook bij andere gelegenheden gezongen kunnen worden. Het spreekt echter wel des te klemmender als men beseft waar zijn oorsprong ligt" (Cornp. p. 552). Een goede vertolking van vele Bijbelse gedachten.
De eenvoudige en gave melodie levert een belangrijke bijdrage tot de bekendheid van het lied in wijde kring.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 224
In tegenstelling met het voorgaande is de tekst van dit lied zowel naar zegswijze als naar Bijbelse inhoud niet acceptabel. Wat het laatste betreft: de vereenzelviging van het O.T. ische Israël en de N.T. -ische gemeente is onjuist (strofen 3 tot 5). En wat de zegswijze aangaat: "bronnen geslagen als wonden" (strofe 4), "bloed uit de flank van de rots, water en bloed om het even" (strofe 5) niet fraai. Wat de melodie betreft: de vraag rijst of het opvallende trustteken aan 't begin van de 2e regel wel tot zijn recht komt.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 225
Het gaat in dit lied niet zomaar in 't algemeen over het lofzingen, dat het zo prijzenswaardig is en door de gemeente beoefend moet worden! Er is een bijzondere samenhang met de naderende Hemelvaartsdag en vertoont accenten met uittocht, doortocht, intocht: het beeldverhaal van de exodus, Mozes met de pelgrims-gemeente. De Heer gaat ons voor in "wolk en vuur". En wolk zowel als vuur komt ter sprake met Hemelvaart en Pinksterfeest. Wanneer men eenmaal op de beeldspraak let, herkent men telkens het Torahverhaal en tegelijk de nabijheid van Pasen en Pinksteren. Waar het bevrijdingsverhaal van Exodus wordt beseft als de waarheid over ons menselijk bestaan daar zal het lied bij verschillende gelegenheden spreken: doop, paas- en pinksterfeest, avondmaal", aldus de dichter in een breedvoerige toelichting die we gaarne als schriftuurlijk onderschrijven. (Comp. p. 555, 556.) De prachtige melodie geeft zeer goede accenten betreffende de inhoud.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 226
Zowel naar tekst als inhoud roept ditlied bezwaren op, zo wordt in strofe 1 eerst gesproken over de Schepper en vervolgens in hetzelfde verband over Christus, Die de mensen redt. Dat deze bezwaren verband zouden houden met ons schematisch denken over de drie-eenheid, naar de dichter-vertaler suggereert, (Comp. p. 558) kunnen we niet beamen. Bovendien uitdrukkingen als in strofe 2 "geeft Gij Uzelf in liefdespijn en wordt haar milde medicijn", in strofe 4: "voor Uw immense majesteit ... " en in strofe 5: "dat Gij ons wilt o Rechter, schutten met Uw schild"
deels niet gelukkig, deels ook onjuist gekozen.
De melodie is goed en vertoont overeenkomst met die van Psalm 141.
Tekst: 1; melodie: 3.

A. t.a.v. de tekst der liederen:
het cijfer 1
bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, bv. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag;
het cijfer 2
bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3
als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen:
het cijfer 1
voor een niet-aanvaardbare melodie;
het cijfer 2
voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort;
het cijfer 3
voor ,,een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief