PSALM 104
1979-01-26
Aardmens - wat een geluk!- Jaargang 23
- nummer 4
Mens te zijn op de aarde is een feest. De hemel is de hemel van de HERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven (Ps. 115 : 16). Alleen een dwaas (in de bijbelse zin) gaat daaraan voorbij.
Daarmee zijn verschillende stromingen en religies getypeerd die zich richten op losmaking, onthechting, ascetisme, transcendentalisme.
Wat en wie is in zo'n religie God, de mens, de aarde?
Typerend is de naam waarmee de mens in de bijbel van meet af aan wordt getekend: adam, veldman, landman, aardman, beter nog: aardmens. Is hij niet gemaakt van stof uit de aarde, 'adamah'? Dit is bepaald geen onderwaardering, geen reductie op zijn bestaanswijze.
Juist op aarde is de mens in zijn element: hoeveel moeite kost het naar de maan te gaan en daar enige tijd te verblijven? Dat wij aardewezens zijn kan nergens, ook daar niet, genegeerd worden. Wij zijn aan deze aarde gebonden, onze arbeid bestaat bij de gratie van deze aarde en ons mens-zijn óp deze aarde ook. Wij werken met de middelen die deze aarde verstrekt.
De aarde vormt de bron van onze bestaansmiddelen en wij zijn als mensen zó geschapen, geformeerd, geadapteerd (aangepast), dat onze arbeid zich kan ontplooien ineen bijna oneindige reeks adembenemende variaties. Wij kunnen bedenken èn ontwerpen, vervaardigen, scheppen.
Terwijl wij enerzijds voortdurend aangewezen zijn op "ons dagelijks brood", zijn wij anderzijds tegelijk betrokken in een fascinerende technologische ontwikkeling.
Daarbij denk ik aan de oudste betekenis van technè: kunstvaardigheid bij een bepaald handwerk, zoals timmeren. In dat handwerk krijgt het (ver)beeldend vermogen gestalte, vorm. Het behoort ook tot deze kunstvaardigheid, te voorzien welke negatieve vormen het "handwerk" kan aannemen en die te voorkomen, beter gezegd (helaas) die te achterhalen. Technologie mag niet ontaarden in technocratie: door het eigen handwerk overheerst worden: verslaving aan eigen kunde.
God of lot?
Het is fascinerend om ment te zijn op Gods aarde, en dat leidt tot een loflied, een lofzang als een zegegroet: loof den HERE, mijn ziel (vs. 1). Het is als adam die zijn God, zijn Schepper en Maker, begroet in het paradijs (Gen. 3 : 8).
Daarmee ontplooit zich deze psalm als de bladeren van een bloem.
Want het is m.i. onmiskenbaar, dat de dichter voor ogen staat het scheppingsverhaal zoals wij dat kennen uit Gen. 1-2 : 3. Het is geen natuurpsalm zoals de egyptische zonne-hymne waarmee hij vaak wordt vergeleken. Daarin is de zon de god, in Ps. 104 is het God die zon en maan gemaakt heeft voor de vaste tijden: "de zon kent de tijd van haar ondergang."
Blijkbaar is de schepping voor de dichter maar een dood ding, een versteende formule, een vastgeroest dogma. De schepping en haar functioneren is voor hem (en zijn volk) een belevenis. Elke morgen beleeft hij haar opnieuw, in heel haar grootheid, in al Gods grootheid.
De dingen zijn voor hem geen natuurkundig verschijnsel: het licht is Gods luisterrijke majesteitelijke kleed. Gód treedt aan in zijn mantel van licht (vs. 1,2; Gen. 1 : 3-5; de eerste dag).
De hemel, het uitspansel, spant Hij uit als een tentkleed; Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren (boven). "Zolderen": timmeren, fabriceren als een faber, een kundig handwerksman - de psalmist is niet vies van woorden ontleend aan de techniek. God heeft iets gróóts gemaakt (vs. 3, 4; Gen. 1 : 6-8; de tweede dag).
Al even vast staat de aarde op haar fundamenten - de waterdiepten, de zeeën, kregen op Gods bevel hun eigen plaats - voorgoed.
Ook blijft die aarde niet kaal en dor en droog als één grote woestijn.
Haar kleed is een waas van groen, en dat groen in al zijn schakeringen is tegelijk functioneel in de diepste zin van het woord.
Het betekent voedsel, leven voor mens en dier. De dichter laat zijn oog weiden in Gods tuin. Hij is een opmerkzaam mens. Het ontgaat hem niet hoe wilde ezels, ooievaars, steenbokken en klipdassen hun "natuurlijk" territorium vinden en benutten. Zo min als het lied der vogels hem ontgaat en de vreugde van de mens in Gods tuin - hij beaamt Gods oordeel: het is góed (vs. 10-18; Gen. 1 : 9-13; de derde dag).
Wijsheid in vanzelfsprekendheid
Nee niet aan de willekeur van een natuurgod, zon of maan, is de mens uitgeleverd. Het is God, die de grote lichten schiep en de wereldklok instelde, die het rhythme van dag en nacht, van rust en arbeid aangeeft. Dier en mens kennen hun tijd. Naar het door God ingestelde levensrhythme roert in de nacht zich het gedierte des velds, brullen de jonge leeuwen om roof (buit), beter: begeren hun spijze van God. Maar gaat de zon op, dan trekken zij zich terug en leggen zich neer in hun holen.
Dán gaat de mens (adam, en niet: de man!) uit tot zijn werk (ook de vrouw van Spr. 31!), en naar zijn arbeid tot de avond toe. Simpel?
Vanzelfsprekend? Wonderbaarlijk voor wie er op let. Wie zijn ogen en oren gebruikt zal het opnieuw beamen: wat goed allemaal! Wat een wonder dat het allemaal zo vanzelfsprekend is (vs. 19-23; Gen. 1 : 14-19; de vierde dag).
Dan gaat de beschrijving van puur enthousiasme over in een exclamatie, een uitroep. Het "Hij" maakt plaats voor de aanbidding: "hoe talrijk zijn uw werken, 0 HERE, Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt.' Op de "bevolking" van aarde en zee raak je nooit uitgekeken: de veelheid en veelsoortigheid is overweldigend, de "wijsheid" daarin aanbiddelijk (op de "schepen" van vs. 26, genoemd naast de Leviathan, wel schepen zijn dan wel ontzagwekkend grote dieren, laten we daar).
Zoveel verscheidenheid in diersoorten - ja, maar wie zal ze van voedsel voorzien? Ach, het is zo simpel, Gods schepping zo zinvol - èn afhankelijk: alles leeft bij de gratie van het openen en sluiten van Gods hand.
Ook bij de dieren is er een komen en een gaan. Maar het gaan houdt niet in dat er een einde is gekomen aan al dat schone: zendt Gij uw Geest uit (en geest is in de oren van de Israëliet synoniem voor adem, leven), dan worden zij geschapen - het blijft schepping. Sterft al het groen in de winter, lijkt de aarde kaal, zonder kleed? Gij vernieuwt het gelaat (de schepping kijkt u aan!) van de aardbodem (vs. 24-30; Gen.1 : 20-23, de vijfde dag).
Schepping èn geschiedenis
Ontbreekt de zesde dag? Met name de mens, geschapen naar/als Gods beeld? Maar door de hele psalm heen zijn de dieren, geschapen op de zesde dag, al ter sprake geweest.
En wie anders staat daar te genieten in Gods tuin dan de mens, de dichter, het volk Israël? Wie straalt van vreugde (vs. 14, 15)?
Wie maakt zich op om glorieus aan het werk te gaan, in al zijn grootheid (vs. 23)? Wie zingt de lof van God, de Schepper van hemel en aarde? Wie anders dan diezelfde mens?
En is Gods rusten, de zevende dag, niet zinnig door en gevuld met de afhankelijkheid en aanhankelijkheid van zijn schepselen? Moge de HERE zich verheugen over zijn werken. Alles zij een da capo (van den beginne af) van zijn schepping, een loflied waarin de mens het hoogste lied zingt, zingen kan, naar zijn aard. Weliswaar wordt Gods rust verstoord door zondaren, goddelozen (vs. 35). Maar voor Israël is "de" schepping opgenomen in Gods geschiedenis: de boosdoeners zullen verstommen en eens zal alles nieuw, Gods rust ongestoord zijn. Dus nog eens een "da capo": lof den HERE, mijn ziel - hallelujah!
(ongecorrigeerd)