DE KERK EN DE RECHTEN VAN DE MENS (slot)

1979-01-26
  • Jaargang 23
  • nummer 4
Verwachting en uitzicht
De mensenrechten worden vertreden.
Cynisch merkt men wel eens op dat wellicht het enige universele van de rechten van de mens is dat zij overal ter wereld worden geschonden, heeft een schrijver ter gelegenheid van het 25 jaar bestaan van de U.V. in 1973 opgemerkt. 1) Dat dit niet slechts voortkomt uit gebrek aan inzicht behoeft nauwelijks betoog. Allerlei belangen, bepaalde systemen, ook ingewikkelde situaties spelen hierin hun rol. Maar ook menselijke kortzichtigheid, egoïsme, eigenbelang, heel de afval van God en van Zijn Woord. Hierbij denk ik ook aan wat het Nationaal-Socialisme aan gruwelijkheden heeft gepresteerd, evenals om nog een voorbeeld te noemen het Stalinisme in Rusland. In deze twee wedijverden met elkaar een aan een afvallige filosofie ontsproten onmenselijk systeem en niets en niemand ontziende persoonlijke willekeur en machtsaanmatiging. De geschiedenis van onze mensheid geeft daarvan altijd weer voorbeelden te zien.

De preambule van de U.V. stelt dat de erkenning van de mensenrechten grondslag is voor vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.
Maar die erkenning blijkt telkens te ontbreken en in onvoldoende mate aanwezig te zijn. Natuurlijk wil de U.V. deze erkenning bevorderen, met het ook daarop is zij in 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties geproclameerd opdat "ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen ... "
Hier is een idealisme van humanistische snit aan het woord, dat herinnert aan het optimisme van de Verlichtingstijd, die scholen wilde bouwen om de gevangenissen te kunnen afbreken - de leus van het liberalisme van de 19e eeuw.

De diepste oorzaak van de schending van het menselijke leven wordt hier aangewezen noch gepeild. Niemand zal dit verwachten van zulk een internationaal stuk in onze ontkerstenende wereld, maar niettemin mag dit aan onze aandacht toch niet ontgaan. De U.V. mist diepte in het aanwijzen van de grondslagen van het recht, zo zagen we in een vorig artikel. Het mist ook diepte in het aanwijzen van de oorzaken van de schending van de mensenrechten en in de verwachting, die zij koestert. Het kan in dit verband nuttig zijn om niet met een theologisch verhaal te beginnen, maar te herinneren aan wat de fijnzinnige Huizinga heeft geschreven in enkele van zijn cultuurhistorische opstellen van voor en tijdens de tweede wereldoorlog. 2) Zijn werk is doortrokken van een aristocratisch, sterk estetisch-gericht levensgevoel van hoog zedelijk gehalte.

In zijn laatste geschriften treft een toenemende waardering voor de christelijke zedeleer, zegt prof. Smitskamp. 3) Huizinga heeft als geen ander geworsteld met de toekomst van onze Westerse beschaving.
Hij schrijft dat de erfenis van de tweede wereldoorlog zal zijn dat een gedeelte van de opeenhoping van onzin en leugens, die aan de beschaving kleven als een korst, die noch door rede, noch door opvoeding kan worden verwijderd.

Hij denkt hier in elk geval aan het Nationaal-Socialisme en spreekt van een moreel bederf, dat slechts mogelijk was omdat de mensen "hun contact met het heilige verloren hadden". Wilt U nog verder naar hem luisteren? Wanneer hij de vraag stelt of er een gemeenschappelijk terrein is in de tegenwoordige wereld tussen staten en volken, waarop zij elkaar in wederzijds vertrouwen kunnen ontmoeten, antwoordt hij dat het twijfelachtig is, ja meer dan dat, of er zulk een gemeenschappelijk terrein is. En dan komt hij tot de volgende uitspraak: De laatste grond voor een wederkeerige overtuiging van zedelijke verplichtingen kan alleen liggen in den metaphisischen kant der dingen en hij voegt daaraan toe, dat de meesten van ons geneigd zijn te vergeten, dat wij bij iederen stap dien wij doen, bij iedere gedachte die we formuleren, verbonden zijn met het metaphisische".

Zo spreekt Huizinga in zijn diepe verontrusting over het verval in de Westerse samenleving voor en
e tijdens de tweede wereldoorlog. Hij vindt in het horizontale vlak geen voldoende steunpunt en worstelt om een uitzicht te krijgen. Hij erkent dat de laatste grond voor zedelijke verplichting niet ligt in het horizontale vlak, hoewel hij de aanvaarding ervan niet anders kan laten afhangen dan van de menselijke wil. Toch is het goed naar deze stem te luisteren. Zij kan ons doen beseffen hoe ondiep en ongenoegzaam het spreken van de U.V. over de rechten van de mens wezenlijk is, niet alleen als het gaat om de grondslagen, maar ook om de erkenning van deze rechten. Daarin is een niet verantwoord en naïef humanistisch optimisme aan het woord. Ik wijs daarop omdat deze U.V. als een soort evangelie kritiekloos wordt gepresenteerd, vrijwel dag aan dag. Zij biedt geen werkelijk uitzicht als zij spreekt over vrede, gerechtigheid en veiligheid.
We moeten dit niet constateren om nu het spreken over de rechten van de mens en het daarvoor opkomen te beschouwen als een nutteloze en zelfs kwalijke zaak. Ik herinner aan wat ik schreef in het slot van het vorige artikel: het getuigenis van de kerk tegenover de overheid!

Daarnaast is er ook het daadwerkelijke hulp bieden aan verdrukten en ontrechten, aan degenen, die door de rovers van alles zijn beroofd, ook al dragen deze rovers hoge titels. De geschiedenis van de barmhartige samaritaan staat niet voor niets in het evangelie geschreven.

Samenwerking met anderen behoeft daarbij m.i. niet uitgesloten te worden, wanneer daar goede mogelijkheden voor zijn. Ik denk dat de meesten van ons wel contribuant of lid zijn van het Rode Kruis, om maar iets te noemen. In Opbouw is daar reeds op gewezen.
4) Waar het daarbij echter op aankomt is dat we handelen vanuit eigen christelijke drijfveer en met een eigen verwachting, zodat we niet meegetrokken worden door de verwachting die "van deze wereld" is. Van deze laatste verwachting is sprake in de Preambule van de U.V., wanneer het daarin heet dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en van geloof zullen genieten en vrij zullen zijn van vrees en gebrek verkondigd is als het hoogste ideaal van ieder mens. Dit is de verwachting van een betere wereld die zal komen in het verlengde van déze geschiedenis, als hoogste ideaal. En in de moderne theologie van onze tijd vinden we deze aardsgetinte verwachting voluit en krijgt zij velen in haar greep. We weten het allemaal dat de theologie anti-metaphisisch is geworden, de heersende theologie wel te verstaan of in elk geval de theologie die het hoogste woord voert. Een "synodale" collega, die niet behoorde tot de groep van Waarheid en Eenheid of iets dergelijks zei eens tegen me: Deze theologie is levensgevaarlijk voor de kerk. Als de boel weer in mekaar valt, zijn de mensen alles er door kwijt en houden ze niets
meer over, geen enkel houvast en uitzicht.

Zonder het expres te zeggen hebben we in dit artikel ook reeds de tweede soort mensenrechten betrokken: de sociale, economische en culturele. Daarop is in elk geval het in dit artikel geschrevene ook van toepassing. In de onderontwikkelde gebieden worden deze rechten - als die op arbeid, een behoorlijke levensstandaard enz. zelfs als de belangrijkste beschouwd, want wat heeft men aan recht op vrije meningsuiting, vrije verkiezingen en dergelijke, als er geen brood is? Zo is daar de wel begrijpelijke redenering. Wat denkt u van de mensenrechten in het Westen, zo vroegen T.V.-reporters aan mensen in Oost-Duitsland. 5) Die worden daar geschonden, zo was het herhaaldelijk gegeven antwoord, want er zijn in het Westen veel werklozen! Die kennen wij niet ... Hier komt de ingewikkeldheid van het probleem van deze rechten duidelijk voor ons te staan.
Ik heb de indruk dat het woord rechten voor deze categorie minder passend is dan voor de eerste: de politieke en burgerlijke. Ze zijn ook niet juridisch af te dwingen, tenzij bepaalde van deze rechten als dat op levensonderhoud bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid bij de wet is geregeld, wat natuurlijk lang niet in alle landen het geval is. Artikel 28 zegt dat ieder recht heeft op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle verwezenlijkt kunnen worden. Wanneer hier gesproken werd van de roeping van overheden en volken om te streven naar een orde, waarin werk en brood voor ieder bestaat, zou men daarop van harte ja kunnen zeggen. In dit spreken is echter een humanistische hoogmoed aan het woord, die geen rekening houdt met de gebrokenheid van deze wereld door de zonde en met de kracht van de zonde die in deze wereld werkt. Het verloren paradijs ...

De kerk heeft zich hierbij niet neer te leggen, dat is allerminst de strekking van mijn verhaal. Zij heeft weet van een nieuw leven door het kruis en de opstanding van haar Heer, dat zich wil doorzetten op alle sectoren van het leven, door allereerst de harten te veranderen.
Daartoe heeft de kerk het evangelie te verkondigen in deze wereld en zij is blij als er in deze wereld voortekenen worden opgericht van het Koninkrijk Gods. Ze zijn tekenen van haar hoop, waarvan het anker boven ligt.
Velen verwachten echter heil van de staat en van verandering van de structuren door de staat. In zijn bekend geworden rede "Het christelijk getuigenis inzake de ordening van de maatschappij en het nationale leven" heeft prof. Emil Brunner tijdens het Congres van de Wereldraad der Kerken te Amsterdam 1948 daarop gewezen en daartegen gewaarschuwd. Het ingrijpen van de staat moet steeds ultima ratio zijn, zo waarschuwde hij. Onze tijd, aldus zijn analyse van de situatie van nu al weer dertig jaar geleden maar sindsdien verergerd, is bezig deze orde om te keren. De volken zijn gegrepen door een onzinnig geloof - een verderfelijk bijgeloof - aan de staat. Voor alles en nog wat wordt de staat er bij gehaald. Nu echter - nog steeds Brunner - heeft juist de nieuwste geschiedenis ons geleerd, waartoe dit alles leidt, namelijk, naar de totale staat. Die totale staat is echter het grootste van alle sociale euvelen, die men kan bedenken, omdat hij de volkomen vernietiging van alle persoonlijkheid en de ware gemeenschap betekent. De totale staat is de ware duivel van onze tijd ...
De nationalisering van de volkshuishouding, het staatssocialisme, is de zekers te weg naar de totale staat, ook wanneer zij, die de socialisatie willen, de totale staat niet begeren. Brunner opponeert niet tegen goede sociale wetten, maar pleit voor een ordening van staatswege, die de vrije sociale verantwoordelijkheid bevordert en ziet hier een taak voor de kerk. Tot zover Brunner.

Dat in onze wereld, waarin alles steeds meer met alles samenhangt en vervlochten raakt, de staat de werkgelegenheid naar vermogen heeft te bevorderen, lijkt me een opdracht, die uit de christelijke solidariteit zonder meer voortvloeit.
Het lijkt me evenzeer toe dat als men van de staat rècht op arbeid kan laten gelden, de totale staat een onontkoombare voorwaarde is, met alle gevaren daaraan verbonden.

De totale staat is altijd weer vrucht van aards getinte heilsverwachting en zij heeft die op haar beurt steeds weer in het leven geroepen. Waar zij een volk in haar ban slaat wordt het rijp gemaakt voor grote geestelijke verliezen. In een kanselboodschap van de Bekennende Kirche in Duitsland, zondag 23 aug. 1936 (!) wordt terecht gezegd: "Was an der Seele eines Volkes versäumt wird, macht kein aüszerer Aufstieg, kein politischer, kein wirtschaftlichrer, kein sozialer Aufschwung wieder gut." 6) Dit werd gesproken tegen een totale staat, die naar haar aard geen vrijheid kon dulden, ook niet die van het evangelie.
De kerk en de rechten van de mens ...
De verwachting van het rijk dat van boven komt sluit het werken in en aan deze wereld niet uit, maar wil het wel een vast uitgangspunt en eigen richting geven. En deze worden door het Woord van God bepaald.


1) Kees Flinterman in Wending, dec. '73, pag. 543.
2) Gebundeld in J. Huizinga, De mensch en de beschaving, 1946.
3) In Chr. Encyclopedie, 2e dr., sub voc
4) Ik onthoud me van een oordeel over Amnesty International en de koers, waarin zij vaart. Blijkens het vervolg van de discussie in ons blad ligt de zaak nogal ingewikkeld. Het gaat m.n. bovendien om algemene gezichtspunten.
5) In een uitzending ter gelegenheid van het 30-jarige bestaan van de U.V. op 10 dec. 1978.
6) Zie Erich Beyrenther, Die gesohichte des Kirohen Kompes in Dokumenten, 1933/45.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief