SNEEUW
1979-01-26
Hij zegt tot de sneeuw: val op de aarde! Job 37: 6- Jaargang 23
- nummer 4
Zodra, bij de aanvang van het nieuwe jaar, de grote Schepper aller dingen had gesproken, viel de sneeuw op aarde. In grote vlokken kwam zij recht omlaag, bleef overal liggen, overal aan hangen. In een middag was de tuin wit. Maar het bleef sneeuwen. De volgende morgen was alles veel witter nog, was de sneeuwlaag massiever, dikker. Maar nog was het einde niet. Dichte zachte vlokken zweefden neer, als watten zo pluizig. De takken van bomen en heesters bogen diep - er kon niet meer op. De heg van rhodo's neigde dienstbaar en bleef in die houding staan. De huizen op de tegenoverliggende heuvels gingen schuil onder een laag sneeuw van meer dan een voet dikte. Een enkele auto schoof beneden ons over de weg, behoedzaam het juiste midden houdend. De geluiden, vooral de hoge en de lage, werden gedemd. Toen hield het op te sneeuwen. Het had 's avonds gesneeuwd, het had 's morgens gesneeuwd - en zie, Dalmally was zeer schoon.
Ons dorpje met zijn 600 inwoners bestaat eigenlijk uit drie gehuchten.
Daar heb je het eigenlijke Dalmally, dat wij vanaf de Noordelijke heuvelrij tegen de Zuidelijke zien liggen. Dan heb je het nieuwere Glenview, een nieuwbouw van kleurloze overheidswoningen; dat ligt ergens oostelijk, buiten ons gezichtsveld. En wij wonen in het zeer oude deel Stronmilchan, aan de oorspronkelijke weg van Glasgow naar Oban, waarvan niemand begrijpt hoe dit landweggetje, met zijn smalle bruggetjes en zijn twintig huizen, ooit als hoofdweg heeft moeten dienen.
Het karakter van die drieënige dorpje wordt bepaald door het dal in het midden, waarin de rivier Orchy stroomt. In het laagste deel liggen de landbouwgronden, tegen de berghellingen aan weerskanten liggen de gehuchten.
Glenview is een Engels-Schots woord; het betekent uitzicht op het dal, de glenn. Dalmally is een Keltische naam en wijst op een dal vol keistenen: ze zijn in ongelooflijke mate door de rivier aangevoerd. En Stronmilchan - wel dat zijn vier Keltische woorden aaneengeregen.
Stron of sron betekent neus. Chü betekent hond. Miolchü betekent greyhound, wolfshond. Na is een voorzetsel. In totaal dus Stron na miol-Chühan, neus van de wolfshond. Het gehucht ligt namelijk tegen een rots, die op een afstand het profiel van een wolfshondenkop geeft. Vandaar.
Van ons huis uit zien we dus op Dalmally. Dichter bij dan ooit. Het stationnetje gaat nu schuil onder de witte sneeuw, die door geen dieselrook wordt aangetast; och, er rijden hier maar drie treinen per dag. Het postkantoortje is verdwenen. De oude huizen steken met moeite hun massale schoorstenen boven het sneeuwpak uit, maar de niet-gebruikte schoorstenen blijven een witte hoed dragen. De winkel van Sinkel, hier Co-op genoemd, houdt zich dooi en blijft van alles verkopen zo lang de voorraad strekt. De winkel van Allan en Joyce, deels in steen deels in modem hout, kijkt schilderachtig tussen de statige pijnbomen door. En achter dat dorpje rijzen de heuvels op, steeds hoger, tot ze bergen vormen. Daarboven leven de herten, die het kwaad hebben in deze tijd. Ze hebben vrijwel geen dekking, hun voedsel zit bedolven onder een voet sneeuw.
En nog dichterbij zie je de koeien samenscholen: onwennig en luidruchtig vanwege de sneeuw, die er eigenlijk niet behoorde te zijn. Er zijn geen schuren, groot genoeg om al dat vee te bergen. Daarom voert buurman Baynie zijn cattle maar op het land, met grote pakken hooi en vele koeken.
De schapen zijn in deze tijd geheel aan zichzelf overgelaten: ze zwerven overal langs de openbare wegen, dringen de tuinen zelfs binnen, wanneer die niet van een soort wildrooster aan de ingang zijn voorzien.
Voor de schapen zien we weinig problemen - die redden zich wel. Maar het rundvee vervult onze vaderlandse harten met deernis.
Vandaag kregen we een prentkaart uit Nederland. Er stond een surrealistisch bergdorpje op, bedolven onder dikke sneeuw; een huisje, een boompje, een beestje staken er herkenbaar uit. Grappig en haast onwerkelijk leek het. Maar eigenlijk precies ons uitzicht - niets minder dan Zwitserland en Oostenrijk tesamen.
En als nu 's morgens de zon boven de Oostelijke heuvels opkomt, worden de hoge toppen van de Beihnn Cruachan goud verlicht, verblindend schoon uitgemonsterd. De zon gaat op als een bruidegom uit zijn slaapkamer, doorloopt snel de hemelboog (de dagen zijn kort) en haast zich naar zijn ondergang: het witte zachte graf achter de Beihnn Cruachan.
Maar dan staat de volle maan aan de hemel, lost hem af en geeft ook een zeer schone belichting van deze wondere wereld. Het maanlicht is in deze tijd en met deze ijle lucht zo sterk, dat je de heuvels van duizend meter afstand met de kijker tot in details kunt bezien. Dit is op de Veluwe het getij van de varkensjacht: sneeuwen maanlicht!
Maar een mens kan niet alles hebben. We worden trouwens overweldigd met aards schoon. In alle dingen is Gods hand te zien, zijn stem te horen.
Hij zegt tot de sneeuw: val op de aarde! Hij werpt het ijs met grote brokken langs de rivier omlaag, strooit de rijp als as. Hemelvuur, hagel, sneeuw en mist komen alle uit zijn schatkamers. Schatkamers, waarin geen mens kan doordringen, waarover geen regenmaker kan beschikken.
De psalmdichter David heeft de eeuwige sneeuw gekend: de sneeuw, die zomer en winter op de Libanon bleef liggen. 1) Hij was erdoor gegrépen - en hij niet alleen. Jeremia sprak 2) over de sneeuw, Job ook herhaaldelijk, Jesaja vooral niet te vergeten; ook de profeet Daniël, in Babel wonend, noemde de sneeuw. De evangelisten kenden de sneeuw als graadmeter van wat wit genoemd mag worden. Ja, in Openbaring 8) spreekt Johannes over de sneeuw, waarmee hij het hoofdhaar van de Mensenzoon aanduidt.
En altijd heeft de sneeuw een aangename betekenis voor de dichters. De sneeuw is een teken van Gods almacht 4), zegt Job. De berouwvolle David vraagt om gewassen te worden van zijn afschuwelijke zonden 5) opdat hij witter mag zijn dan sneeuw. Zo spreekt ook Jesaja, die onze scharlakenrode zonden 6) door Gods liefde gewassen ziet tot sneeuwwit. De spreukendichter ziet de sneeuwkoelte als een verkwikking bij warm weer. 7) Ook noemt Jesaja de werking van Gods Woord, zijn 'profetie, als de sneeuw die van de hemel daalt, de aarde bevochtigt en vruchtbaar maakt.") En als Jeremia over de val van Gods bondsvolk spreekt, zegt hij: Sion's vorsten waren reiner dan sneeuw. 9) Daniël zag in een droom de "Oude van Dagen", zijn kleed wit als sneeuw.w) Mattheus beschrijft de engel aan Christus' lege graf: zijn kleding wit als sneeuw. 11) Marcus beschrijft de Heiland op de berg der verheerlijking: zijn kleren werden zeer wit, als sneeuw. 12) En Johannes, om de rij te sluiten, vertelt stamelend wat hij zag: de Zoon des mensen ... Wit... aIs sneeuw. 13)
Nu is het wel gemakkelijk, over de sneeuw te juichen vanuit een centraal verwarmde kamer met dubbel glas. Maar er zijn natuurlijk ook schaduwkanten aan de ongekende sneeuwval van dit jaar. Die hebt u trouwens zelf ondervonden, als we de radio moeten geloven. Hier zijn de vele huisjes, die met hout verwarmd moeten worden (de blauwe rookpluimen verraden het) en die hebben het zorgelijk. Daar zijn, door sneeuwen vorst, veel bronnen dicht geraakt en wie zijn wateraanvoer van de natuur moet hebben, zal nu en dan een emmertje leidingwater bij zijn buren moeten lenen. Ook wij zijn dagen lang verstoken geweest van ons heerlijke bronwater en zwoegden met emmertjes tegen de heuvel op. De vogels zijn hongerig en moeten vele malen per dag een tafel vol kruimels en nootjes hebben: het vliegt letterlijk weg. Vraag niet hoeveel mooie mezen, vinken, merels, lijsters, roodborstjes en andere zangers zich op armlengte van het raam durven wagen.
Hier zegt men niet: help uzelf - maar hier helpt men elkander. De buren, wier steile toegangsweg voor de auto onbegaanbaar is geworden, helpen elkaar de boodschappen te doen, hout hakken of met watervoorziening.
Er worden kolen uitgeleend - misschien wel geschonken. En de goede huisvrouw 14) heeft tijdig voorzieningen voor de winter getroffen, ze vreest niet vanwege de sneeuw.
De trein heeft aanmerkelijke vertraging ... maar de spoorbeambte zal u wel even bellen, wanneer hij in aantocht is. Dan hoeft u geen kou te lijden op het stationnetje. Iedereen loopt met knielaarzen, hier wellingtons geheten, tot in de kerk toe. Maar nu is de kerk gesloten, omdat de meeste mensen niet kunnen komen of niet kunnen parkeren. Zelfs de hoofdweg is nauwelijks begaanbaar: de wegwerkers moeten staken voor hun vakbonden en werken slechts clandestien, dat is onvoldoende. De landwegen en bergwegen zijn gesloten. Wie toch auto rijdt, de waaghals, heeft schop en dekens aan boord, plus de technische rest.
Zo staat onze wereld erbij: stralend wit als een bruid, die voor haar man is versierd, als het nieuwe Jerusalem. En het wit blijft wit - er is hier geen luchtvervuiling. De bergen dragen de kleur van de vrede. De heuvels vertellen van recht. Tegen de achtergrond van en strakblauwe lucht, symbool van Gods goede trouw te onswaart.
En wie een microscoop bezit en een sneeuwvlok nader bekijkt ... herkent Gods meesterhand in de onnavolgbaar schone kristalvormen van de sneeuw. Hoe groot zijn uw werken, 0 Heere, zeer diep zijn uw gedachten.
1) Ps. 68 - 2) Jer. 18: 14 - 3) Op. 1: 14 - 4) Job 38: 22 - 5) Ps. 51 - 6) Jes. 1 : 18 - 7) 25 : 13 - 8) 55 : 10 - 9) Klaagt. 4: 7 - 10) Dan. 7 : 9 - 11) 28: 312) 9 : 3 - 13) Op. 1 : 14 - 14) Spr. 31 : 21