Vrije en vreemde 1)

1979-01-26
  • Jaargang 23
  • nummer 4
Winst en verlies?

In Lucas 14 staat een korte maar veelzeggende preek van de Here Jezus. Tot de mensen die met Hem meereizen zegt Hij: "Wie zijn kruis niet draagt en achter Mij komt, kan Mijn discipel niet zijn". En vlak daarvoor: "Wie niet haat (op de tweede plaats zet - v.W.) vader, moeder, kinderen, broers, zusters, eigen leven, kan Mijn discipel niet zijn."
Als je deze woorden rustig op je laat inwerken, moet je daar wel even stil van worden. Die woorden móeten wel indruk maken. De Here Jezus kán, als het gaat om ons volgen van Hem, heel wat vragen.
Leg deze woorden nu eens naast die bekende woorden uit Galaten 5: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt."
Hoe kan dat nu? Vrij zijn èn kruisdragen? Hoe kan de Heiland de éne keer tot ons zeggen dat we vrij zijn en dat we ons geen nieuw slavenjuk moeten laten opdringen, en de andere keer zeggen dat we, om bij Hem te kunnen blijven, bereid moeten zijn om ons kruis te dragen, zelfs bereid moeten zijn om onze liefde voor Hem te stellen bóven alles wat ons op aarde lief en dierbaar kan zijn. Wat blijft er op die manier over van die christelijke vrijheid, als je de kans loopt je eigen leven te verliezen. Wat voor vrijheid is dat?
Geeft God met de éne hand iets dat Hij met de andere hand weer terugneemt?
Vrijheid en kruisdragen, kan dat samengaan? Vrijheid en kruis - als kruis van Christus (Golgotha)-
dát is te begrijpen, maar vrijheid en kruis - als jóuw kruis, als mijn kruis - kan dat? Kán dat: winst èn verlies? Het kán!
Dat is nu wat Paulus in 1 Kor. 1 noemt het dwaze van het geloof.
Deze God die vrij maakt èn meteen alles van ons vraagt, is een aanstoot voor de joden, een dwaasheid voor de grieken, maar voor hen die geroepen zijn en geloven is Hij de hoogste wijsheid. Dit dwaze van God is wijzer dan de mensen.
Deze gedachten van God zijn hoger dan onze gedachten.

Wat zegt Paulus in Galaten 5 ?

Christus heeft ons vrijgemaakt (Joh. 8 : 36) en deze vrijheid is voor Paulus zó belangrijk dat hij er doodsbang voor is dat de gemeenteleden in Galatië toch een slavenjuk zullen verkiezen bóven de vrijheid van Christus. Voor Paulus is dit door Christus gebrachte vrijheid geen vrijblijvend aanbod voor de gelovigen, maar een geschenk dat aangenomen móet worden. En tevens is die vrijheid genade!
Paulus keert zich in deze brief tegen de Judaïsten, die beweerden dat naast de verlossing door Christus nog wat méér nodig was om behouden te kunnen worden. Paulus gaat hier fel tegen in. De gelovigen zijn vrij omdat Christus hen vrijgemaakt hééft. De gelovigen moeten werken, niet om vrij te worden maar omdat ze vrij zijn.
Natuurlijk betekent deze vrijheid niet dat we nu maar precies onze eigen gang kunnen gaan. Vrij zijn is altijd dienstbaar zijn. De Here Jezus was waarachtig vrij maar juist daarom kon hij werkelijk dienen (Matth. 20 : 28).
Paulus houdt zijn lezers een oude regel voor: vrij zijn betekent leven naar de Geest. Waar de Geest des Heren is, is vrijheid (2 Kor. 3 : 17).
Deze vrijheid in Christus bewaart ons ervoor dat we onszelf zoeken, we moeten het spoor houden (Gal. 5 : 25).
Wie verder wil lezen wat Paulus over deze christelijke vrijheid zegt, moet maar eens doornemen 1Kor.
6 : 12-20 en 10 : 23-11-1. Ook uit deze gedeelten blijkt duidelijk dat die christelijke vrijheid een kostelijke gave is, maar niets te maken heeft met losbandigheid en "alles maar doen".

Wel in, niet van de wereld

De discipelen hebben het vaak moeilijk gehad met Gods gedachten.
Ze volgen de Heiland, ze zoeken Zijn Koninkrijk, maar ze denken van dat koninkrijk aards.
Dat is niet zo'n wonder. Wij kunnen achteraf gemakkelijk zeggen dat dat verkeerd van hen was, maar zij hadden de evangeliën nog niet compleet in boekvorm in de jaszak.
Het is niet zo vreemd dat de discipelen hun Heiland niet altijd konden volgen, zongen de herders in Bethlehem niet van ".vrede op aarde"? Een koninkrijk op aarde konden ze volgen, maar een koninkrijk der hemelen ... ? Maar Jezus' koninkrijk is niet van deze wereld en daarom bidt hij (Joh. 17): "Ik bid niet, dat gij hen wegneemt uit de wereld ... ". Maar Hij voegt er aan toe: "ze zijn niet van de wereld . . ."
Wel in de wereld, niet van de wereld.
Je leeft in deze wereld, je doet hier je werk, je gaat hier naar school, je studeert, je zoekt een baan, je ontmoet mensen, je praat met ze en gaat met ze om, je ontmoet een meisje, een jongen, je krijgt verkering, je gaat straks trouwen, je maakt plannen en ga zo maar door, eigenlijk allemaal niet zoveel bijzonders.
Hele gewone dingen, die niet alleen gelden van gelovigen, maar ook van niet-gelovigen. Een kind van God belooft tijdens z'n leven heus niet zoveel andere dingen als iemand die geen kind van God wil zijn. 'k Geloof dat we dit maar eens nuchter onder ogen moeten zien. Het kan ons er voor bewaren het niet-van-de-wereld-zijn te zoeken in allerlei uiterlijke dingen.
Het leven van een gelovige kent vaak dezelfde hoogten en diepten als het leven van een ongelovige.
Aan de buitenkand is er niet zoveel verschil en aan die kant moeten we het verschil ook maar niet gaan zoeken of maken.
Je volbengt je taak in deze wereld sámen met anderen. Zó laat God ons hier, zó wil Hij ons beslist hier in deze wereld hebben en houden.
Zo wil Hij ons er niet uit wèg hebben. We moeten in deze wereld zijn met beide voeten op de grond, in de wereld dus.
Maar niet van de wereld.
Om duidelijk te maken wat dat wil zeggen kan ik het het beste zó zeggen: we moeten niet het eigendom van de wereld worden, we moeten in de wereld onszelf blijven.
Waarom? Omdat deze wereld nog is in de macht van de boze. De vorst van de wereld is de satan (Joh. 12 : 31) en deze vorst legt beslag op de wereld. Hij doet hier zijn werk, gaat rond en is steeds weer op zoek naar mensen die hij voor zich kan winnen. Daarom wordt deze wereld in Gal. 1 : 14 genoemd een boze, een slechte wereld. De vader der leugenen, zoals de satan in Joh. 8 wordt genoemd, viert in deze wereld nog zijn triomfen.
Daarom roept Paulus de gelovigen van Filippi op om onberispelijk te wandelen temidden van een slinks en ontaard geslacht.
Een slinks en ontaard geslacht.
Dat lijkt nogal kras. Jij onberispelijk temidden van een slinks en ontaard geslacht? Je vrienden op school, zijn die slinkser dan jij?
Och, je weet wel beter. Jij spiekt toch ook?
Waarom zegt de bijbel het dan zo?
Omdat de wereld, de mensheid, in de macht van de boze is. Dat betekent niet dat alle ongelovigen slechtaards zijn, slechter dan wij, maar het betekent wel dat die ongelovigen de satan zijn kansen geeft. En bovendien: wie niet vóór Christus is, is tegen Hem.
Bij-God-horen is geen kwestie van goed of slecht, maar van geroepenzijn.
De macht van de satan in deze wereld brengt ontaardheid met zich mee. De Here Jezus is waarheid, de satan is leugen; de Here Jezus is léven, de satan is een mensenmoorder; de Here Jezus wil ons èchte mensen doen zijn, de satan wil ons ontmenselijken, ons beroven van ons mens-zijn, van ons ambt, van onze roeping. En áls het hem gelukt ons te overmeesteren, om vaste voet in ons leven te krijgen, dan zijn we van hem, dan zijn we van de wereld geworden.

1) Slotwoord bijbelstudieweekends 1976 (iets gewijzigd), opgenomen in de brochure Vrijheid, prijs f 3,50; te bestellen bij Albert Kok, Jan van Nassaustraat 5 te Genemuiden (G.L.J.C.) of Buijten & Schipperheijn, Amsterdam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief