JEREMIA
1979-02-02
Het belangrijkste wat je zeggen kunt, als het 's avonds weer donker wordt" is: de HERE is trouw. En die trouw aan zijn verbond aangaande dag en nacht is zo onwankelbaar en onaantastbaar, dat geen mens er iets aan kan veranderen. Nog nooit is iemand in staat geweest 's morgens het daglicht tegen te houden of 's avonds het invallen van de duisternis te voorkomen.- Jaargang 23
- nummer 5
Zelfs met al onze natuurwetenschappelijke kennis zijn we daar niet toe in staat. Niemand kan Gods trouw aan zijn verbond verbreken of ongedaan maken.
En even vast en onwankelbaar als dat verbond is nu ook mijn verbond met David en met de levitische priesters (vs. 21). Zodra iemand erin zou slagen mijn verbond inzake dag en nacht te verbreken en de opeenvolging van dag en nacht op te heffen, staat ook mijn verbond met David en met de Levieten op de tocht. Maar daar hoef je niet bang voor te zijn, zegt de HERE. Want het is een onmogelijkheid dat iemand van jullie in staat zou zijn de opeenvolging van dag en nacht te verstoren. Daarom behoeven jullie ook niet bang te zijn, dat mijn verbond met David en met de Levieten geen stand zou houden.
Onberouwelijk
U moet er even op letten, dat de HERE deze woorden spreekt in een situatie die juist het tegenovergestelde leek aan te tonen en waarin het verbond met David om zo te zien wel verbroken werd.
Jeremia zit nog steeds gevangen in de gevangenhof van het paleis. De verovering van Jeruzalem door de Babyloniërs is nog slechts een kwestie van tijd. De ondergang van stad en tempel en koningshuis staan voor de deur. De HERE had dat ook aangekondigd: Zed~kia zal in ballingschap gaan en in Babel sterven. Alles wat Jahweh eerst had opgebouwd (het huis van David, de priesterdienst in de tempel, zijn volk in het beloofde land), is Hij nu bezig tot de grond toe af te breken (vgl. 45: 4). En in die situatie zegt Hij nu: mijn verbond met de levitische priesters en met David is onverbrekelijk.
Nooit zal het David ontbreken aan een man die op de troon van het huis Israëls gezeten is. En de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen (vs. 17, 18).
Deze woorden zijn niet bedoeld om het oordeel af te zwakken. Gods oordeel is een realiteit. Het is zo werkelijk, dat het in vss. 4 v.v. al als volledig voltrokken getekend wordt. De huizen van Jeruzalem en het koninklijk paleis staan nog overeind als Jeremia in de gevangenhof dit woord van Jahweh ontvangt (vs. 1). Maar Jahweh gaat er gewoon van uit dat ze al verwoest zijn (vs. 4). Het oordeel is zo onontkoombaar, dat de HERE ervan uitgaat dat de lijken van de inwoners van Jeruzalem al opgestapeld liggen in de huizen (vs. 5). Jahweh doet dus helemaal niets af van de zwaarte en de realiteit van zijn oordeel.
Maar Hij zegt wel: het oordeel snijdt mijn heilsplan niet voorgoed af.
Het is niet zo dat daar nu voorgoed een eind aan gekomen is. Want mijn heilsplan, mijn verbond, mijn beloften laat Ik niet los. Die zijn even onverbrekelijk als mijn verbond aangaande dag en nacht. De ontrouw van het volk, waardoor Ik wel met mijn oordeel komen m6et (32: 21, 32), doet mijn trouw aan mijn verbond niet teniet (vgl. Rom. 3: 3; 11 : 29).
Toekomst
Israël heeft nog toekomst. Een toekomst die het niet verdient en nooit verdienen zal. Een toekomst die alleen maar mogelijk is, omdat God een vergevend God is. Een toekomst die alleen maar gerealiseerd kan worden, omdat God heel concreet, op een bepaald moment, alle ongerechtigheden van het volk gaat vergeven, hen gaat reinigen en al het vuil van hun zonden en ontrouw en afvalligheid van hen gaat afwissen (vs. 8). Die toekomst is alleen mogelijk, omdat God zelf de wonden die Hij geslagen heeft, gaat genezen (vs. 6), een keer gaat brengen in Israëls lot en hen weer gaat bouwen (vs. 7).
Dat is de enige basis voor Israëls toekomst en voor onze toekomst. Ook onze toekomst berust niet op wat wij presteren, niet op onze inspanningen, zelfs niet op onze bekering en ons geloof.' Ze berust alleen maar op het feit dat de HERE trouw is aan zijn verbond en beloften en daarom een vergevend God is.
Wanneer de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde afhankelijk was van het geloof van Gods volk, zouden ze er nooit komen. Want telkens weer blijkt Gods volk zich vast te bijten in deze wereld, zijn vreemdelingschap te vergeten en niet meer geïnteresseerd te zijn in Gods toekomst.
Gelukkig staat of valt Gods trouw aan zijn verbond niet met onze trouw of ontrouw.
Dat betekent niet dat onze trouw of ontrouw - we kunnen ook zeggen: ons geloof of ongeloof - geen consequenties hebben. Dat hebben ze wel degelijk.
Dit punt is belangrijk genoeg om er even verder op in te gaan. We moeten nl. scherp onderscheiden tussen het feit dat God zijn heilsplan uitvoert en zich daarvan niet laat afbrengen, zelfs niet door het ongeloof van zijn volk èn het feit dat de mens zijn persoonlijk deelhebben aan Gods heil wel degelijk kan blokkeren en in de weg staan en zelfs verspelen. De mens kan door zijn verzet tegen God de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde niet tegenhouden en onmogelijk maken. Gelukkig niet.
Maar hij kan zichzelf door zijn verzet en ongeloof wel buitensluiten. Dat die aarde er komt, is niet afhankelijk van mijn geloof. Maar of ik er zelf zal zijn, is er wel afhankelijk van.