BIJBEL EN ECONOMIE (slot)
1979-02-02
Gelet op het voorgaande willen wij nu gaan zien welke specifieke regels de HEERE heeft gegeven .voor het economisch leven van Zijn volk.- Jaargang 23
- nummer 5
We noemden reeds het renteverbod. 21) Vaak is er aan voorbij gegaan, dat dit verbod niet op zichzelf staat. Recentelijk is hierover geschreven door dss A. Keizer in "Het Bijbels economisch model", een uitgave van de Stichting tot bevordering van Bijbelgetrouwe wetenschap, (april 1978).
Keizer noemt het kenmerkende van het economisch stelsel, dat de HEERE aan Israël gaf: 1) geen groot-grondbezit.
In Israël was er geen landhorigheid en werden er dus ook geen pachten geheven. Israëls boeren waren onafhankelijke ondernemers meen vrije rechtsstaat, waarbij het grondbezit onvervreemdbaar was. 22) 2) geen blijvende schuldverhoudingen.
Dit houdt in: geen kapitalisme, geen schuldenmarkt, met als uitvloeisel geen renteheffing. 23) Duidelijk mag zijn, dat het kenmerkende element in het Israëlitische economisch stelsel is het ontbreken van blijvende schuldverhoudingen.
Zoals de HEERE de schuldverhouding tussen Zich en Zijn volk doorbrak door de priesterdienst van Aäron en zijn zonen, uitlopend op de volkomen verzoening tussen God en mensen in het eenmaal gebrachte offer van onze Here Jezus Christus op Golgotha, zo heeft de HEERE ook een economisch stelsel gegeven aan Zijn volk, waarbij blijvende schuldverhoudingen, tussen de leden van dat volk uitgesloten waren.
Ten diepste is de betekenis van het Hebreeuwse woord vrede, 24) sjaloom, het heel zijn van verbroken verhoudingen, het niet meer aanwezig Zijn Van schuldverhoudingen. Woorden als betalen, vervullen, vervolmaken en volbrengen hebben in het Hebreeuws allen de stam van het woord "sjaloom” .
Toen Christus stierf aan het kruis sprak hij als laatste het éne woord: "nisj'alam", 25) (het is volbracht). Toen was volmaakt de vrede op de bergen van Israël.
Het voorgaande moge benadrukken, dat wezenlijk in de Bijbelse boodschap is het uitbannen of niet doen ontstaan van blijvende schuldverhoudingen.
Bij al het gekrakeel in de late Middeleeuwen over de afschaffing van het renteverbod heeft men nooit gepeild, dat de achtergrond van dit renteverbod gelegen was in dit niet optreden van blijvende schuldverhoudingen.
De rentebarrière is vaak een niet te nemen drempel voor economische ontwikkeling. Hoe armer het land, hoe hoger vaak de rentestanden, oplopend tot wel 190%. 26) Daarbij komen nog vaak naast schuldverhoudingen kleine goederenmarkten, geringe behoeftedekking, hoge prijzen en veel werkloosheid bij.
De vraag kan opkomen of het zinvol is in deze tijd aandacht te geven aan enige kenmerken van het economisch stelsel onder het oude Israel. Israel zelf heeft naar deze wetten (= onderwijzingen) nooit geluisterd, evenmin als de Christenheid. Zinvol lijkt het me echter alleen daarom al, omdat het altijd goed is als Christen, en zeker de geïnteresseerde in Christelijke politiek te luisteren naar de God van Israël, die goede wetten, wetten ten leven, gaf aan zijn volk. Zinvol, omdat we zodoende tekortkomingen van het huidig stelsel op z'n minst beter kunnen begrijpen. Het zal duidelijk zijn, dat het kapitalisme, socialisme, marxisme of welk "isme" dan ook geen oplossing zal kunnen geven, indien de achterliggende problemen, die steeds weer blijken samen te hangen met het ontstaan van blijvende schuld verhoudingen, niet worden opgemerkt.
21) Leviticus 25 : 36, Exodus 22 : 25, Deuteronomium 23 : 19, 20. 22) Drs A. Keizer, Het Bijbelse economische model, Uitg. van de Stichting tot Bevordering van Bijbelgetrouwe wetenschap, Doorn, 1978, blz. 13.
23) Drs A. Keizer, a.w. blz. 14 e.v.
24) Mr H. Bianchi, Ethiek van het straffen, Nijkerk, 1964, blz. 76 e.v.
25) Volgens de Hebreeuwse vertaling van het nieuwe testament van Johannes 9 : 30 door Jitsehak Zalkonson en David Ginzburg, uitgegeven door The Trinitarian Bible Society, London, W.C. 1. Mij dunkt slult deze vertaling aan bij het joodse taalgebruik, zoals dit voorkomt o.a. in I Koningen 7 : 51, 2 Kron. 5 : 1, 2 Kron. 8 : 16, Jes. 44 : 26 en vs. 28, Daniël 5 : 26.
26) World Bank, Agricultural Credit, Sector policy paper, May 1975, Annex 9.
De erkenning van het feit, dat ons economisch stelsel niet meer "terugdraaibaar" is in bijbelse richting, hoeft niet in te houden, dat er op dit gebied dan ook niets meer kan worden gedaan. Als Nederland besluit aan de armste landen schulden kwijt te schelden, dan kan dit meer gaan betekenen dan alleen maar het goed willen doen aan het zwakke in de wereldsamenleving. De Christen mag hierbij de dimensie van het Goddelijk gebod betrekken, namelijk het uitwissen van niet terecht ontstane schuldverhoudingen. Ditzelfde kan gesteld worden ten aanzien van de kwijtschelding van de schulden aan Suriname bij de onafhankelijkwording in 1975.
Uitgangspunt en grondslag van Christelijke politiek zou dus kunnen worden, een zodanig beleid te ontwerpen, dat blijvende schuldverhoudingen niet zullen ontstaan, en waar deze reeds zijn ontstaan, weer teniet worden gedaan. Dit. zou een nieuwe inbreng kunnen betekenen in de verstarde z.g. "noord-zuid-dialoog".
Zoëven werd Suriname al genoemd. Vanuit het voorgaande zal het duidelijk zijn, dat totale financiering van de spoorlijnaanleg in West-Suriname heroverwogen zou kunnen worden, bij voorbeeld nadat blijkt, dat deze inderdaad gebruikt wordt voor het bauxiet, m.a.w. nadat het mijnbedrijf operationeel is geworden. Het rendement, dat nu er schuldverhoudingen zijn aangegaan, door de spoorlijn moet worden opgebracht, zou weleens een hindernis kunnen blijken te zijn voor een voorspoedige ontwikkeling van West-Suriname.
Algemeen kan in dit verband over de ontwikkelingssamenwerking nog het volgende worden opgemerkt. Ontwikkelingshulp kan alleen worden gegeven als het donorland een overschot heeft op zijn betalingsbalans, c.q. de westerse wereld kan alleen maar hulp geven als de gezamenlijke betalingsbalansen van deze landen per saldo positief is. Dit houdt per definitie in, dat de betalingsbalansen van de derde-wereldlanden een tekort vertonen, wanneer we althans de communistische landen buiten beschouwing laten. Deze onevenwichtigheid wordt veroorzaakt door te hoge prijzen, die de derde wereld moet betalen voor westerse producten en/of te lage prijzen die de derde wereld ontvangt voor haar producten. Als op deze wijze het westen een overschot heeft gekweekt, wordt dit voor een deel aangewend om leningen te verstrekken aan de derde wereld, met het bekende gevolg van de uit de pan rijzende schuldverhoudingen, waarbij we in het voorgaande zagen dat dit niet bijbels is.
Concluderend zou een volgend samenstel van beleidslijnen geformuleerd kunnen worden, beantwoordend aan datgene, wat de Bijbel ons voor het economisch leven leert:
1. Streven naar evenwichtige betalingsbalansen door: - meer te betalen voor producten uit de derde wereld; - onder gunstiger voorwaarden producten aan de derde wereld te leveren.
2. Bij per saldo evenwichtige betalingsbalansen van de westerse wereld, zal in principe geen hulp kunnen worden gegeven, dan alleen strikt gebonden hulp, in natura, kennisoverdracht, enz.
3. Zolang er nog per saldo overschotten zijn op de westerse betalingsbalansen dienen deze overschotten in de eerste plaats te worden gebruikt om oude schulden te delgen en verder voor schenkingen. In ieder geval zal het verstrekken van nieuwe leningen moeten worden tegengegaan.
Voor wat betreft Suriname mag nog gewezen worden op de z.g. CONSleningen, in het kader van het Ontwikkelingsverdrag, gesloten tussen Suriname en Nederland op 25 november 1975. In feite is de benaming CONS-lening misleidend. Het gaat om een gift van Nederland aan Suriname, waaraan echter door de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, (de CONS) , de voorwaarde is verbonden dat er rente wordt betaald en dat er wordt afgelost.
Rente en aflossing worden gestort in een fonds, te beheren door Nederland en Suriname gezamenlijk, waaruit opnieuw leningen op dezelfde voorwaarden kunnen worden verstrekt. Suriname betaalt rente en aflossing als het ware aan zichzelf. Op deze wijze wordt doelmatig beheer v~n de ontwikkelingshulpgelden bevorderd, terwijl het ontvangende land, m dit geval Suriname, wordt verplicht tot interne besparingen, waardoor opnieuw kan worden geïnvesteerd.
Tenslotte enkele citaten uit de Bijbel met een typisch economisch aspect: "Gij zult 'van uw broeder geen rente nemen, noch van geld, noch van levensmiddelen, noch van iets, dat men tegen rente lenen kan. Van de buitenlander moogt gij rente nemen, maar van Uw broeder zult gij geen rente nemen, opdat de HEERE, uw God u zegene in alles wat gij onderneemt in het land dat gij in bezit gaat nemen" (Deut. 23 : 19-20).
Hoe getuigend van realiteitszin is hier de tussenvoeging, dat van de buitenlander wel rente mag worden geheven. Was dit namelijk niet het geval geweest, dan zou er bij nakoming van dit voorschrift alle kapitaal uit Israël zijn weggezogen naar de omliggende landen.
"En de koning (Salomo) maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen" (I Koningen 10: 27). Ook kwam er volgens I Koningen 9: 28 veel goud binnen, 420 talenten (= 20.000 kg à f 12.060,-/kg: ca. 240 miljoen gulden), daarbij werd het zilver van geen waarde geacht, (I Koningen 10: 21). Dit zou erop kunnen duiden dat er sprake was van een geweldige inflatie. Salomo bouwde geweldige openbare werken, de tempel, paleizen, zalen, paardenstallen, wagensteden, watervoorziening, enz. Tienduizenden mensen werkten voor hem en deze werden betaald met geïmporteerd zilver. De verhouding tussen geproduceerde consumptiegoederen en geld in omloop werd dus verstoord. Dit wordt geïllustreerd met het noemen van, kennelijk hoge, marktprijzen in hetzelfde hoofdstuk, een wagen voor ca. 4 kg zilver en een paard voor 1 kg. Men vermoedde kennelijk een verband tussen de hoeveelheid geld in omloop en het prijsniveau.
Het is misschien aardig te besluiten met een citaat van dr J. A. Nederbragt 27), geschreven in 1921, dus meer dan een halve eeuw geleden, maar toch, denkend aan de VAD-perikelen, uiterst actueel; waarmee maar gezegd wil wezen, dat christenen die trachten als christenen wetenschap te bedrijven beslist niet achterlopen, conservatief of reactionair zijn, integendeel.
Dan volgt nu het citaat: Een directeur zonder - of met een abnormaal laag - vast inkomen past in het systeem der naamloze vennootschap niet. Zij waardeert alles in geld en moet aller arbeid - met het vorenstaande voorbehoud - met een billijk bedrag in rekening brengen. Doet ze dit en keert ze een dividend uit van normale hoogte, dan hebben feitelijk alle extra-uitkeringen geen zin meer en berusten zij slechts hierop, dat er een zeker "res nullius', (zaak die aan niemand toebehoort, CS), is, hetwelk genomen wordt door dengene, onder wiens handen het ontstaat, die het om zoo te zeggen vindt.
Ik zie er geen bezwaar tegen, dit res nullius aan de gemeenschap te doen vervallen. Dit zou nimmer de ondernemingslust kunnen schaden, aangezien, als het superdividend werd afgeschaft, de overblijvende normale rente de eenig resterende vergoeding voor kapitaalgebruik wezen zou en de kapitaalbezitters wel genoodzaakt zouden zijn, met deze normale vergoeding genoegen te nemen, op straffe van niets te ontvangen. Wilde men dit systeem doorvoeren, dan zou de dividendgrens wettelijk, maar natuurlijk niet enghartig, moeten worden vastgesteld. Gevolg zou zijn, dat veel meer zou toevallen aan de werkers, onder wie, als dusver, de leiders de eigenlijke drijvers van de onderneming, ruimer dan de ondergeschikte werkers zouden kunnen en moeten worden gehonoreerd. Een dergelijke regeling zou m.i. goed werken, de uitwassen van het arbeidsloos inkomen zouden er goeddeels door worden uitgesneden, maar zij zou internationaal moeten worden doorgevoerd, daar anders alle kapitaal zou wegvloeien uit het land, waar het systeem werd toegepast.
Einde citaat.
In 1977 werd Nederland de grootste buitenlandse investeerder in de Verenigde Staten. Nederbragt waarschuwde in 1921 al voor dergelijke gevolgen van het, voorlopig alleen nog maar praten over, de invoering van vermogensaanwasdeling door afroming van de z.g. superwinsten.
Ik hoop met het voorgaande te hebben aangetoond, dat het alleszins zinnig is ook bij het nadenken over economische problematieken de bijbelse boodschap te betrekken, de wetten en onderwijzingen die onze goede God ons ten leven heeft gegeven.
21) Leviticus 25 : 36, Exodus 22 : 25, Deuteronomium 23 : 19, 20. 22) Drs A. Keizer, Het Bijbelse economische model, Uitg. van de Stichting tot Bevordering van Bijbelgetrouwe wetenschap, Doorn, 1978, blz. 13.
23) Drs A. Keizer, a.w. blz. 14 e.v.
24) Mr H. Bianchi, Ethiek van het straffen, Nijkerk, 1964, blz. 76 e.v.
25) Volgens de Hebreeuwse vertaling van het nieuwe testament van Johannes 9 : 30 door Jitsehak Zalkonson en David Ginzburg, uitgegeven door The Trinitarian Bible Society, London, W.C. 1. Mij dunkt slult deze vertaling aan bij het joodse taalgebruik, zoals dit voorkomt o.a. in I Koningen 7 : 51, 2 Kron. 5 : 1, 2 Kron. 8 : 16, Jes. 44 : 26 en vs. 28, Daniël 5 : 26.
26) World Bank, Agricultural Credit, Sector policy paper, May 1975, Annex 9.
27) Dr J. A. Nederbragt, a.w. blz. 133.