Pastorale notities

1979-02-09
  • Jaargang 23
  • nummer 6


Geen groter ramp zou Rotterdam treffen, dan die van 1711, toen ds Willem Brakel stierf. De dichter van de “Lijktranen” in Brakels boek “Redelijke Godsdienst”, twijfelde er niet aan.
“O Maasgemeente, wie kan uw smart bepalen? Hoe wordt uw glans verdoofd, hoe krimpen uwe stralen! Het droeve doodgerucht ( o slag, niet ’t ervaren) des groten Brakels, stort de kerk in ’t algemeen, als in een oceaan van tranen en geween… O smartelijk verlies, o onwaardeerbre schâ!” O middagklare blijk van ’s hemels ongena!”
Ook dat nog. En dan te bedenken, dat de goede Brakel toch al bijna 77 jaar oud was, toen hij stierf. Brakel had zelf ook al zijn gedachten laten gaan over het sterven. “Het verlies van een begenadigd leraar is onwaardeerbaar”.
En het smartte hem aan zijn hart, dat hij eens niet meer zou kunnen preken. Gelukkig echter dat enkele eeuwen tevoren de boekdrukkunst was uitgevonden. Deze techniek, zo betoogt Brakel, maakt het mogelijk, om niet alleen gedurende de kortheid des levens, noch ook alleen in de kleine omkring der hoorders, doch over de gehele wereld te preken en dat zelfs eeuwen na je dood.
Vandaar dat hij zijn boeken schreef, en al schrijvende een “oude schrijver” werd. Zo bleef hij een “kerkorakel”. Dat rijmt immers zo mooi op “Brakel”.
Er is niet veel meer over van de vroegere verering van predikanten, al wordt er in enkele kleine kerkgroepen nog wel gepraat over de oude knechten, alsof kerk en staat, staan en vallen met hen. Ze preken door, tot in de leeftijd der sterken, vanwege de nood der kerken, maar ook, omdat ze het zo gaarne doen. Soms hoor je ook onder ons, dat een gemeente bloeit door haar predikant en vervallen zal, wanneer hij er niet meer is. Wanneer wij belijden, dat Christus Zijn gemeente vergadert en vermeerdert, dan moeten we daar niet stilletjes bij denken, dat Hij voor dat werk de dominees toch eigenlijk niet missen kan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief