Steunpilaar van de landverhuizing

1979-02-09
  • Jaargang 23
  • nummer 6
Enkele jaren geleden gaf Buijten en Schipperheijn te Amsterdam een boek over "Amsterdamse Emigranten" uit, samengesteld door dr J. Stellingwerff, de bekende bibliothecaris van de V.U. Dit heeft wellicht niet de aandacht gekregen die het verdient. Vooral voor het verstaan van de gereformeerde gezindte vandaag is het boek nuttig. We willen er u graag in enkele artikelen iets over vertellen. Niet om het ongelezen te laten - eerder om u aan te sporen dit unieke en kostbare materiaal zelf te bemachtigen.
In de geschiedenis van de gereformeerden in Nederland speelt immers de afscheiding een grote rol; de landverhuizing naar Amerika in 1846 en volgende jaren hing met die afscheiding min of meer samen. Daar zijn talrijke boeken aan gewijd: Stellingwerff geeft een lijst van boeken en stukken, die over de 150 telt. Maar wanneer we dr Stellingwerff samensteller en niet schrijver van "Amsterdamse Emigranten" noemen, is dat omdat zijn boek in hoofdzaak uit letterlijk weergegeven brieven van landverhuizers bestaat. Hij laat de historisch-betrokkenen zelf aan het woord en biedt u gelegenheid, om zelf uw conclusies te maken.
Op pag. 34 komt u een "kerkelijke lectuurkommissie" tegen. U mag even lachen om dit monstrum van bevoogding. En daarna noemen we de drie namen, welke deze commissie vormden: ds Scholte, naar wie de landverhuizers wel Scholtianen zijn genoemd; Wormser, de Amsterdamse deurwaarder die zelf niet emigreerde, maar door zijn brieven en publicaties zowel de landverhuizers overzee bemoedigde als de afgescheiden kerken in Nederland schriftuurlijke en wettelijke grond onder de voeten bezorgde; en Budde, een van de Amsterdamse kleine luiden, die, in de landverhuizersstroom opgenomen en geteisterd, het geloof in Christus tot op de prairie heeft behouden. Over deze drie willen we achtereenvolgens wat opmerken. Ook de schrijver geeft uitgerekend over deze drie een kort in memoriam (353-360).

Wormser (d.i. de man uit Worms), afkomstig uit Duitsland, was aanvankelijk Luthers. In 1833 lid geworden van de hervormde staatskerk, werd hij in 1836 ouderling van de kleine groep afgescheidenen, werker alzo van het eerste uur. Vervolging, boetes en processen zijn hem niet bespaard.
Voor de wereld van zijn tijd scheen hij vaak eerloos - voor God evenwel, die hij kende uit zijn Woord en uit zijn dagelijkse omgang, moet hij een trouwe dienstknecht zijn geweest. Voor de geloofsgenoten, hier en overzee, was hij en van die "verstandigen die stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid gebracht hebben", een ster van eerste grootte, om met Daniël (12: 3) te spreken. Als u de naam Wormser hoort denkt u immers al aan zijn uitspraak: leer een volk zijn doop verstaan en de natie is gered.
Inderdaad, Wormser was een goed publicist, die Gods Woord kende en nauwkeurig nasprak. Daarbij gaf hij geen slechtvertaalde of halfbegrepen slagzinnen door, maar verstrekte toepasselijk, verteerbaar en gezond geestelijk voedsel. Als klerk opgeleid aan het advocatenkantoor van de Van Hall's, ontwikkelde hij zich tot deurwaarder. Zijn verantwoorde en weloverwogen stijl is hieraan niet vreemd. Daarbij was Worm ser een bescheiden mens: pas nadat zijn geliefde patroon Anne Maurits Cornelis van Hall zich van de staatskerk afscheidde deed ook Wormser deze stap.
Dat geeft te denken. Van Hall was liberaal grootgebracht - pas door zijn pleidooien voor de vervolgde afgescheidenen raakte hij overtuigd van hun zaaksgerechtigheid en hun christelijke moed, waarop hij zich aansloot.
Maar Wormser was bij de Schriften grootgebracht, kende bovendien zowel de belijdenis als de kerkenorde en de oudvaders goed. Het laat zich denken, hoe zeer de gesprekken tussen Van Hall en Wormser de afscheiding ten goede zijn gekomen!
Groen van Prinsterer, die Wormser wel zijn "geheimraad" noemde, schreef na diens dood over "een christen, wiens vriendschap en voorlichting ik, als een der uitnemendste voorrechten die mij te beurt gevallen zijn, herdenk.
Een man wiens invloed, door geschrift en wandel, ter handhaving van de christelijk-protestantse volksgeest, èn onberekenbaar èn (althans bij vele machtige en edelen en wijzen naar de wereld) onopgemerkt is geweest.
Wormser was een gelovig christen van uitstekende begaafdheid.
Hij had een geopend oog niet slechts, maar een scherpe en ruime blik voor onze gehele kerkelijke en maatschappelijke toestand. Niemand wellicht heeft hem geëvenaard in het algemeen verstaanbaar maken van het christelijk-historisch beginsel, toepasselijk op kerk, staat en school".

Zo schreef Groen van Prinsterer, zelf niet afgescheiden. Deze staatsman herkende in Wormser de wijze en ruimdenkende christen. Wormser zag over de grenzen van de Amsterdamse afgescheiden gemeente heen en herkende op veel plaatsen leden van Jezus Christus. Zo streefde hij naar een betrouwbare predikantenopleiding, zowel voor afgescheidenen (Brummelkamp) als voor hervormden (Da Costa en andere Reveilmensen). Toen zijn plan strandde op de hardheid van eigen mensen heeft hij gezucht: "zo heb ik in de afscheiding altoos moeten tobben tussen de onbesuisdheid van Scholte, de bekrompenheid van Van Velzen en het weifelen van Brummelkamp. Toch bleven zij vrienden-en-broeders. Ja nog meer: zijn plan is later het voorstation voor de Vrije Universiteit geworden.
Bij de contacten met de overheid wenste Wormser de afgescheiden kerken niet als nieuwe creaties aan te dienen - maar als voortzetting van de oude gereformeerde kerken, vrijgemaakt van een tyranniek kerkbestuur.
Hij waardeerde de kerkgeschiedenis meer dan ds Scholte deed, zegt Stellingwerff terecht. En wat de kerkelijke opbouw betreft, Wormser vertelde meermalen dat de "afgescheidenen, die zich beroepen op de Drie Formulieren van Enigheid en de Dordtse Kerkenorde, deze zelf niet bleken te kennen. Wormser is zeer ijverig geweest om in onderwijs, in bijbelkring en in de pers de gemeente, oud en jong, de inhoud van het gereformeerde geloof bij re brengen" (354).
Uiterst pijnlijk maar begrijpelijk is, dat deze profeet het loon van een profeet ontving: door ds S. van Velzen is Wormser in 1840 geschorst en wel om zeer persoonlijke redenen. Tegelijk met ouderling Budde en de diakenen H. Höveker en D. Lijsen.
Een ogenblik pretendeerden de vier geschorsten dat zij de wettige kerke raad vormden - maar er was al gauw een synode, die deze kerkeraad niet erkende. Wormser c.s. kozen de zachtmoedigste weg: ze vormden met de hun volgende schapen een "vereniging",.die in feite de taak van de kerk uitvoerde: "vergaderen met gebed, gezong en het lezen van Gods Woord; reformatie van eigen hart en gezin; een stil en godzalig leven leiden; pogingen aanwenden tot de godvruchtige opvoeding der kinderen; in de eerste plaats naar binnen werken - en dan zijn licht laten schijnen" (34).
Ds Scholte en ds Brummelkamp preekten gaarne voor deze vereniging, al heette zij geen kerk. Ds Scholte getuigde in een brief aan Groen van Prinsterer: "ze missen nog niets, wat het eigenlijke wezen der Christelijke kerk vordert. Zij houden de onderlinge bijeenkomsten, waarin de onderzoeking van Gods Woord hen sticht en opbouwt, zij ontvangen in hun gemeenschap de prediking des Evangeliums, zij hebben genot van Doop en Avondmaal, zonder dat zij genoodzaakt zijn tegenover verloochening van Christus en Zijn zoendood zich aan sacramentele woorden vast te klemmen, er wordt wezenlijke Christelijke tucht onder hen geoefend".
En Wormser zelf schrijft aan Groen: "deze vereniging is wellicht enig in haar soort; niet uitgedacht, maar daargesteld door een eenvoudige opvolging van Gods Woord. Zij staat in haar zwakheid, alleen onder de Heere Jezus, en zo lang het Hem behaagt. Werd zij door deze of gene omstandigheid verontrust, wij hebben niets, zelfs geen archief", (!) pag. 36.
Intussen was de landverhuizing, de uittocht van zoekers naar godsdienstvrijheid, begonnen. Wormser had een reglement ontworpen voor de emigranten-vereniging, welke in 1846 tot stand kwam. In dat jaar begon de stroom te lopen, waaronder Budde. Wormser, hoewel het er een tijd naar uitzag, is niet meegegaan naar Amerika. Toch heeft hij met zijn brieven goede contacten onderhouden met de landverhuizers, die zich ginds in totaal andere omstandigheden bevonden dan ze zich hadden voorgesteld.
Van de 88 door dr Stellingwerff gepubliceerde brieven, samen vormende het Wormser-archief, zijn slechts enkele door Wormser geschreven; en daarvan nog twee aan zijn eigen vrouw. Maar uit de gepubluceerde brieven, reflecties op Wormser's zoekgeraakte brieven, spreken zonneklaar dankbaarheid, vertrouwen, geloof en moed. Wormser werd schriftelijk steunpilaar voor de landverhuizing. De mensen gaven hem hun volle vertrouwen, zo in geloofs- als in geldzaken. Ze beleden openhartig hun tekortkomingen en teleurstellingen. En vooral: ze herdachten en hielden vast de broederband, die in de vereniging van Wormser was gesmeed.
Het is kostelijk te zien, hoe deze steunpilaar sterker werd naarmate hij meer wegschonk. Maar het is droevig een klacht te moeten lezen, als hij in 1851 aan ds C. G. de Moen in Den Ham schreef: "Ik ben niet moedeloos wat de zaken des Heeren in dit land betreft; maar ik ben moedeloos wat de afscheiding aangaat. Op haar schijnt een oordeel van verblinding te liggen, waardoor zij zich altoos in nietigheden verliest en ieder die haar liefderijk wil oprichten met ondank terugstoot en met smaad overlaadt".
Deze vereniging vergaderde ten huize van Budde. In 1846 emigreerde de familie Budde naar Amrika - maar bleef in briefwisseling nauw met de vereniging verbonden. De diakenen waren al spoedig tot de hervormde kerk teruggegaan. Wormser bleef op zijn post, eenzaam, als buitenkerkelijk christen (!) verantwoordelijk voor het onderwijs en de herderlijke leiding van honderden gelovigen - zowel afgescheidenen als hervormden. En Wormser bleef de steunpilaar voor de landverhuizers, zoals blijkt Uit de bewaard gebleven brieven uit het Wormser-Höveker-archief, dat door de eigenaar drs H. A. Höweler aan de V.u. in bruikleen werd afgestaan en nu door Stellingwerff gepubliceerd.
Deze man, die zich meer dan iemand heeft ingespannen voor de vrijheid van godsdienst in Nederland, had geen kerkelijk onderdak. Maar zijn geloof in Christus bleef bestaan en hield uitgeweken landgenoten onder de moeilijkste omstandigheden staande. Hij heeft ons christenvolk gewezen op de betekenis van de doop, van Gods vrijmachtig genade-verbond.
En vandaag eindigen we met een citaat van Groen: "Voorbeeldig door bescheidenheid en eenvoud. Met een zeldzaam geëvenaarde en steeds bedachtzame scherpzinnigheid bedeeld, die, bij het licht van Gods Woord, zich somtijds tot profetische wenken verhief".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief