Vrije en vreemde (3)

1979-02-09
  • Jaargang 23
  • nummer 6
Afstand nemen

Als gelovige op deze aarde wonen, in deze wereld zijn, heeft dus iets betrekkelijks, niet in je verhouding tot God, maar in je verhouding tot de wereld. Er blijft in je in-de-wereld-
zijn altijd iets van afstand nemen, van toezien. Niet in deze zin, dat je uit de wereld gaat, je opsluit in een klooster, je verstopt achter dikke vrijgemaakte kerkmuren.
Dát niet, want je zijn-in-dewereld is heel duidelijk bedoeld als licht-der-wereld-zijn, als een uitgaan in deze wereld met het woord van God. Het afstand nemen zal echter wel het karakter moeten hebben van het niet al te veel waarde hechten aan aardse dingen.
Laat ik een voorbeeld noemen: je zoekt een baan of hebt er al een, je studeert er voor en je werkt er naar toe. Dat is goed want ook dat is roeping en ambt en opdracht.
Maar vergeet niet dat die baan en alles wat daaromheen zit (salaris, welvaart, huis, auto, bezit, misschien rijkdom) toch altijd maar betrekkelijk is.
Je zult er afstand van moeten kunnen nemen om je Vader in de hemel.
En als die baan of dat bezit komt te staan tussen je Vader en jou, dan zul je dat obstakel moeten opruimen, want dan is dat alles een aanstoot, een ergernis voor je geworden, een hindernis om God in oprechtheid te dienen. Dát nu is vreemd-zijn hier. Je moet alles wat je op aarde hebt bezitten als nietbezittende.
Laat ik het maar zeggen met de woorden van Paulus in 1 Kor. 7: "de tijd is kort geworden.
Laten daarom die een vrouw hebben, zijn als hadden zij niet; zij die wenen, als weenden zij niet; zij die zich verheugen, als waren zij niet verheugd; zij die kopen, als werden zij geen eigenaar". Kortom, zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan, want de wereld die wij zien gaat voorbij.
Vrije èn vreemde Je bent vrij, vrijgekocht door de Here Jezus. Je hebt je eigen verantwoordelijkheid van Hem ontvangen en je moet je niet laten verleiden te denken in schema's van "dat mag wel" en "dat mag niet". Je enige binding is je band aan de Heer. Je mag van alles genieten, je mag je vrijheid beleven.
Als je God maar eerlijk in de ogen kunt blijven kijken, als je Hem maar oprecht voor dat alles kunt danken. Je vrijheid is gebonden, zeker, echter niet aan menselijke wetten of wetjes, maar aan je kunnen-danken!
Je bent vreemd in deze wereld. Je moet niet in het aardse opgaan, je moet bedenken dat alles in deze wereld ligt onder de macht van de vergankelijkheid, van het voorbijgaande.
Je denkt anders dan anderen, maar in dat anders-zijn, in dat vreemd-zijn sluit je je niet op, maar laat je je licht schijnen, zoals Paulus dan aan de gemeente van Filippi schrijft: temidden van een slinks en ontaard geslacht schitter je als een ster in het heelal.
Dat is geen afsluiting ván de wereld, maar uitgaan tót de wereld.
Zo is de Zoon des mensen ook uitgegaan tot de wereld. Zo lief heeft God deze wereld dat Hij Zijn Zoon zond. Zo lief mag en moet jij deze wereld hebben, want je weet dat eens dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen (1 Kor. 15).
Geen vreemde vrijheid, ook geen vrije vreemdheid.
Maar een vrijheid en een vreemdelingschap die samen kunnen gaan.
In deze vrijheid doe je niet alles waar je zin in hebt, omdat je niet alles kunt doen, want Christus heeft beslag op je gelegd en leeft in je. De dichter van Psalm 119 heeft er iets van begrepen. In vers 54 zegt hij: "Harpmuziek blijft bij mij: uw verbondseisen in het huis mijner vreemdelingschap".
Ook in de vreemde blijft hij zingen.
En vers 96: "Niets voltooid, of ik zie: het is eindig. Uw woord verwijdt zich - onbegrensd". Alles heeft een eind, een grens, maar Gods genoden, Gods woorden stellen in de ruimte, in de vrijheid.
Gij waart mij te sterk Begrijp je iets van deze wijsheid van God?
Dacht je dat Jeremia bv. er iets van begrepen heeft?
Vergeet het maar.
Maar Jeremia heeft wel geloofd en zó kon hij zeggen (Jer. 20 : 7): "Gij hebt mij overgehaald, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk, ik kan niet tegen U op."
Zeg het eens na: Ik kan niet tegen U op.
Dát moet je leren zeggen. Dan ben je niet alleen vreemd in deze wereld, maar dan vervreemd je zelfs van jezelf, van je eigen-ik, van je zelfzucht, van je zonden.
Dát is nu vrucht van de Geest: heiliging van je leven, heiliging in vrijheid en vreemdelingschap. Deze heiliging blijft aan deze kant van het graf altijd stukwerk.
Vrij zijn betekent o.a., dat je elke dag opnieuw bereid bent, moet zijn, om de brokstukken van je eigen bouwsels weg te sjouwen en een paar stenen - of misschien maar één steen - te leggen voor de stad van God. Die stad van God is de stad van de toekomst.
Het leven van een kind van God blijft altijd mede een leven uit de belofte. En leven uit de belofte kun je alleen door het geloof. En geloven is meer dan begrijpen.
God alles in allen En nu voor het laatst. Ik kan niet tegen U op. Je legt het af tegenover God. Je geeft je gewonnen.
Als Zacharias de woorden van God mag doorgeven aan de gemeente van het oude verbond, gaat hij spreken over de komende heilstijd.
God ziet de verstrooiden, de vervreemden, de twijfelaars, de tobbers, de vervreemden.
En dan zegt Hij: "Ik zal hen fluiten en samen brengen, want Ik heb hen vrijgekocht ... " (Zach. 10 : 8). God zal allen vergaderen in Jeruzalem. Zacharias ziet het al voor zich (8 : 5): "De pleinen van de stad zullen weer vol zijn van jongens en meisjes die op haar pleinen spelen."
Dán is God alles in allen.
Dát is waarachtige vrijheid.
Dán is de vreemdelingschap vergeten en wij zijn in het vaderland.
Vrije èn vreemde.
Het kán.
Als je gelooft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief