Pastorale notities
1979-02-16
De laatste weken worden de Duitsers er onzachtzinnig met de neus op gedrukt: wat zij met de Joden gedaan hebben. Eerst in vier afleveringen de film “Holocaust” en de daarop volgende week de documentaire “Geschiedenis van een Duits gezin”. Daarin gaat het over het gezin van een Obersturmbannführer van de SS. De vader is commandant van het vernietigingskamp Auschwitz. Zijn vrouw luistert een gesprek af en ontdekt wat er in het “Lager” gebeurt en waarvoor haar man verantwoordelijk is. Ze slingert hem haar verwijt in het gezicht. Hij verweert zich: hij voert alleen maar bevelen uit, hij is niet verantwoordelijk. Zij vertrapt zijn leugen en wil die nacht niet met hem slapen. Maar de volgende morgen komt ze langs zijn kantoor, als ze gaat wandelen met het jongste kind. Ze wuift naar hem; de huiselijke scène is voorbij. Wanneer haar man thuiskomt van zijn werk, heeft ze nog één vraag: of er niet wat aan de stank gedaan kan worden. Hij belooft, dat hij zijn best zal doen. Want ze heeft gelijk, ze wonen in de villa, aan de poort van het kamp, overigens sehr mett, lieblich und bequem. Het gezin schikt zich aan tafel, de kinderen hebben de handen gewassen, het haar keurig gekamd. Vader gaat zitten, je kon zó verwachten, dat hij zou voorgaan in gebed. De volgende ochtend roept hij de technische man ter verantwoording, want er zijn honderd Joden te weinig vergast. De volle capaciteit van de ovens is niet benut. Hoe komt het, dat men die week niet aan de 10.000 kwam? Een volk is door die film opnieuw of voor het eerst geschrokken. Een aantal mannen behandelde voor de t.v. de reacties die binnengekomen waren. Brandende vragen: hoe kon zo iets gebeuren? Hoe kwam het, dat velen er niets van wisten? In veel gezinnen ging het naar een conflict toe: Vader, bent ú daar bij geweest? Deze vragen roepen om een antwoord en om studies; een cursiefje als dit leent er zich niet voor. Wèl die éne vraag: wat zei en wat deed de kerk in die tijd? Er waren duizenden kerken, predikanten en priesters in het land. Hebben zij gezwegen of hadden zij geen greep op het volk? In die vraag, wat de kerk zei, hoeft geen verwijt te liggen. Het is tóch nog zo, in deze verheidenste wereld, dat een volk verwacht van de Christelijke gemeente en van haar voorgangers, dat dié het kwaad zullen signaleren. Dat er nog profeten zullen zijn. Dat God nog spreken zal, in het getuigenis van degenen die Hem kennen.- Jaargang 23
- nummer 7