Onderscheiden waar het op aankomt

2008-11-21
  • Jaargang 52
  • nummer 23
Mijn vorige artikel pleitte ik ervoor dat onze kerken onder bepaalde voorwaarden (de plaatselijke situatie dient het toe te laten en er moet bij de 'opdraagouders' respect voor de kinderdoop zijn) ruimte geven aan het zegenen van (ongedoopte) kinderen in het midden van de gemeente. Maar, laat dit pleidooi zich wel verenigen
met de Schrift en de binding aan onze belijdenis.’

Lang heb ik gedacht dat het ruimte scheppen voor een vorm van 'opdragen' binnen onze kerken onmogelijk te verenigen valt met de gereformeerde belijdenis. Onze catechismus stelt immers onomwonden dat kleine kinderen behoren gedoopt te zijn. En de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 29) leert dat de zuivere bediening van de sacramenten een kenmerk van de ware kerk is. Om deze reden heb ik mijn mening dat er ook voor het ongedoopte kind een kerkelijk ceremonieel heeft te zijn nooit eerder publiek uitgesproken.
Dat ik dit nu wel doe, betekent dat ik anders ben gaan denken over de onverenigbaarheid van deze opvatting met de gereformeerde belijdenis.

Leer en praktijk
Om te beginnen is de leer van de kerk wat mij betreft in het geheel niet in het geding. Zelf sta ik van harte en overtuigd achter de opvatting kinderen behoren gedoopt te wezen. Ik peins er dan ook niet over om zelfs maar de schijn te wekken daartegen bezwaar aan te tekenen.
Waar het wel om gaat is hoe je in de praktijk van het gemeenteleven omgaat met leden die ten aanzien van de doop een andere overtuiging zijn toegedaan. Dan blijkt, dat de gereformeerde kerken jegens hen al heel lang een behoedzame en genuanceerde houding innemen. Dat is al tijdens de 17e eeuw zo gegroeid.1 Aanvankelijk leidde overdoop binnen de Gereformeerde Kerk van Amsterdam zondermeer tot excommunicatie. Het aantal excommunicaties om deze reden was in de eerste jaren van de 17e eeuw zelfs opvallend hoog. In de loop van de 17e eeuw doet zich echter een trendbreuk voor. De kerkenraad gaat niet langer over tot excommunicatie, maar beperkt zich tot de eerste trap van de kerkelijke tucht, te weten een afkondiging van de zonde, zonder de zondaar te noemen. Gaande de 17e eeuw al worden de 'baptisten' binnen de gereformeerde kerken dus niet meer buiten de gemeenschap gesloten, hoewel de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 34) expliciet de dwaling van de wederdopers verwerpt! Blijkbaar werd toen al onderkend, dat deze dwaling van een ander kaliber is dan bijvoorbeeld de loochening van de Godheid van Christus of de verzoenende kracht van Christus' bloed.

Soepelheid
Dit besef is de afgelopen eeuw steeds sterker geworden. Zo weet ik niet beter dan dat iemand die zich heeft laten overdopen binnen onze kerken niet wordt afgehouden van het heilig avondmaal. Ook weet ik van een baptistengezin
dat - decennia geleden algastlid mocht worden van een van onze kerken, daar volop deelnam aan het gemeenteleven en welkom was aan het avondmaal. En al ben ik niet precies op de hoogte van het beleid binnen de GKv en de CGK, ik weet van een Christelijk Gereformeerd echtpaar dat - eveneens decennia geleden al - de kinderen niet liet dopen vanwege bezwaren tegen de kinderdoop, maar desondanks mocht blijven deelnemen aan de viering van het heilig avondmaal.
Uit dit alles blijkt dat de gereformeerde kerken, ondanks
hun - in de belijdenis vastgelegde - overtuiging dat kinderen gedoopt behoren te wezen, in de praktijk van het kerkelijke leven jegens degenen die op dit punt een andere overtuiging zijn toegedaan in toenemende mate een zekere soepelheid zijn gaan betrachten. Zij hebben geprobeerd te onderscheiden waarop het aankomt.

Stap verder
Dat we nu een stap verder kunnen gaan heeft te maken met de steeds verdere toenadering tussen gereformeerde en evangelische christenen. Op allerlei niveaus
(lokaal, bovenlokaal) en in allerlei parakerkelijke verbanden (EO, CU) werken we intensief samen.
Hierdoor gaan we elkaar steeds minder als 'baptist' of 'gereformeerde' zien en steeds meer als medegelovigen, dienaren van Christus die zich één weten in Hem. Dan kan het niet anders of dat heeft consequenties voor de omgang met elkaar in de direct kerkelijke sfeer.

Proporties
Dat de toenadering tussen gereformeerden en evangelischen zich juist de afgelopen decennia heeft doorgezet is heel goed verklaarbaar. Door de kaalslag van de kerkverlating en - zelfs - de ruimte voor een aantasting van de diepste bijbelse grondwaarheden in de grote protestantse kerken, zijn we anders tegen de onderlinge verschillen gaan aankijken. Ten tijde van de Reformatie waren heel andere vragen aan de orde dan momenteel het geval is. Dat blijkt alleen al uit de enorme aandacht die doop en avondmaal in de Heidelbergse Catechismus krijgen.
Maar liefst 1/5e deel van de catechismus handelt over de sacramenten, en nog niet 1/100e (!) deel handelt rechtstreeks over de betekenis van Jezus' opstanding uit de dood. Dat komt, omdat het feit van Christus' lichamelijke opstanding toentertijd in het geheel niet ter discussie stond, maar de sacramentsleer des te meer. Wij echter leven in een eeuw waarin niet alleen de opstanding geloochend wordt, maar ook het gezag van de Bijbel en nog zoveel meer. Het gevolg hiervan is dat we de kwestie van de kinderdoop in andere proporties zijn gaan zien. De rechtzinnigheid als zodanig is daarbij in het geheel niet in het geding. Zouden we nu een confessie opstellen, dan zou mogelijk 1/5e deel over de opstanding en 1/100e deel over de sacramenten gaan! En dán zou blijken dat gereformeerden, baptisten én evangelischen niets anders doen dan bouwen op hetzelfde fundament.

Bijbel
Ook op bijbelse gronden is er veel voor te zeggen om het moment waarop een mens gedoopt wordt niet te maken tot een 'articulum stantis aut cadentis fidei Christianae', ofwel een artikel waarmee het christelijk geloof staat of valt. Een vergelijking van besnijdenis en doop kan dat verduidelijken. In Genesis 17:14 lezen we: 'Een onbesnedene, een mannelijk persoon van wie de voorhuid niet verwijderd is, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft.' De besnijdenis in Israël was om het zo te zeggen 'heilsnoodzakelijk'. Dat kan van de doop niet gezegd worden. In Marcus 16:16 lezen we: 'Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.' Hoe belangrijk de doop ook is, alleen het geloof is heilsnoodzakelijk. In dit verband wil ik nogmaals wijzen op de wijze waarop Paulus in 1 Korintiërs 1 de doop ter sprake brengt. Als in Korinte de doop een partijpolitieke, een kerkscheurende rol gaat spelen, geeft Paulus niet alleen te kennen dankbaar te zijn dat hij niemand gedoopt heeft, maar relativeert hij zelfs de doop door te zeggen dat Christus hem niet gezonden heeft om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen. Hieruit blijkt dat het evangelie van Christus en de
bediening van de doop wel nauw samenhangen, maar niet samenvallen.2

Niet opblazen
Hierbij komt dat het verschil tussen degenen die voor of tegen de kinderdoop zijn wel eens groter gemaakt wordt dan het is. Van beide kanten wordt soms gedaan alsof er sprake is van twee totaal tegengestelde opvattingen die elkaar geheel uitsluiten. Ook wordt niet zelden de indruk gewekt dat de meest fundamentele bijbelse noties in het geding zijn. 'Het verbond staat op het spel', zegt de één. 'De aan alles voorafgaande genade van God staat op het spel', zegt een ander. Dat hoeft niet waar te zijn.

Fundamentele overeenstemming
Zo doet ds. J. van Eenennaam van de Verenigde
Pinkster- en Evangeliegemeenten in het al eerder genoemde themanummer van Kontekstueel enige fundamentele uitspraken over de doop die een gereformeerde van harte kan beamen.3 'De reddende genade, die mag worden
aanvaard - en niet de doop op zichzelf - is fundamenteel voor het behoud.' 'Het aanbod van Gods genade in Jezus Christus gaat aan de bekering vooraf.' 'De doop symboliseert de dood en de opstanding van Jezus Christus.' In de gesprekken die ik zelf had met ouders die hun kindje niet willen laten dopen stelde ik vast: • Ook zij geloven - net als ouders die hun kindje laten dopen - dat hun kindje geheiligd is in de ouders
(1 Korintiërs 7:14) en God toebehoort.
• Ook zij geloven dat de kleine kinderen zijn opgenomen in het nieuwe verbond in Christus' bloed.
• Eén van de ouders schreef: 'We zien het kind als volwaardig, maar nog niet volwassen en zelfstandig lid van de Gemeente. Het ontvangen en opdragen van het kind is dan tegelijk een opdracht en een verantwoordelijkheid voor ouders en gemeente om het kind op te voeden en voor te leven in Gods Woord en genade.' Kortom, ook aan het verlangen om een kindje te laten zegenen kunnen bijbelse en door ons van harte beaamde, welhaast 'verbondsmatige' noties ten grondslag liggen.

Gradueel verschil
Al met al denk ik dat er geen principieel, maar een gradueel verschil is tussen de ruimte die in veel van onze kerken nu al aan 'baptisten' gegeven wordt en mijn pleidooi voor een ceremonieel waarin hun kinderen de zegen ontvangen. Niet de leer van de kerk is in het geding, maar de vraag hoe we binnen onze kerken omgaan met medechristenen die een afwijkende mening hebben over een zaak waarmee het christelijk geloof als zodanig niet staat of valt. En daaraan ontleen ik dan ook de vrijmoedigheid om in Opbouw open over deze materie te schrijven.

Winst uit verlies
Maar de mogelijke consequentie van dit hele verhaal, is die niet dat dopen of opdragen als een keuzemenu beschouwd gaat worden en dat het voor wat betreft de volwassendoop in onze kerken dweilen met de kraan open wordt? Hoewel sommigen het als een keuzemenu kunnen gaan beleven, acht ik de kans hierop niet zo groot.
Binnen een context waarin het goed en bijbels recht van de kinderdoop geleerd, beleden en gepredikt wordt, zal dit misverstand niet zo heel gauw postvatten. Maar, zelfs al zouden er zijn die het zo gaan beleven, dan nog vind ik dat geen doorslaggevend bezwaar tegen het door mij voorgestelde beleid. Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen en dat is naar mijn overtuiging dat elk kind dat Christus toebehoort Gods zegen ontvangt en binnen de gemeente een officiële, volwaardige plaats krijgt.
Tenslotte, tegenover hetgeen wij - ook ik! - werkelijk als een verlies ervaren, namelijk dat niet langer alle kinderen het kostbare geschenk van de doop uit Christus' hand ontvangen, staat ook winst. Deze winst, dat in een voor de kerk geestelijk zware tijd zo prachtig zichtbaar wordt dat het werk van Gods Geest doorgaat doordat Christus bouwt aan de eenheid van zijn kerk. Laat het zegenen van het (ongedoopte) kind een tegemoetkoming zijn die voortvloeit uit motieven van bijbelse, pastorale en gemeentelijke aard. Maar laat die tegemoetkoming op grond van die motieven gerust maar een hartelijke zijn! Er zal zegen van uitgaan.

1 Ik baseer me hierbij op het proefschrift van Herman Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700, Hilversum 1990, p.171-175.
2 Prof. Van Bruggen schreef ooit: 'Bij de vragen rond het tijdstip van de doop geldt naar alle zijden dat gedoopt of niet gedoopt zijn ons niet bij Christus brengt, maar geloof door liefde werkende en of men een nieuwe schepping is
(Galaten 5:6; 6:15). Daarmee is het meningsverschil over het al of niet dopen van de kinderen der gelovigen de wereld niet uit, maar het mag niet de kans krijgen om gelovende christenen blind te maken voor elkaar.' in: Het diepe water van de doop, Kampen 1997, p.74-75.
3 Kontekstueel 22e jrg. nr. 3, februari 2008, p.19.

Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK in Haarlem.

Reageren?
Redactie.opbouw@ngk.nl

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief