Wereldraad van Kerken
1979-02-24
De wereld van de christenheid valt uiteen in drie blokken: - Jaargang 23
- nummer 8
a. de Rooms-Katholieke Kerk (± 480 miljoen);
b. de Wereldraad van Kerken (vertegenwoordigt ongeveer 300 miljoen christenen);
c. de Evangelische Alliantie (vertegenwoordigt ongeveer 150 miljoen christenen).
Eigenlijk is wat ik hier heb neergeschreven onzin, want de drie 'blokken' laten zich niet zonder meer met elkaar vergelijken. (a. is een kerk, b. een overkoepelende synode van vele kerken en c. alleen maar een overlegorgaan). Bovendien is in sommige gevallen iemand lid van b. en c. tegelijk en tenslotte, de erbij genoemde getallen zijn een wel zeer ruwe schatting, waarnaar ik in zeker opzicht maar een slag sla. Toch kan het bij een wijdere oriëntatie van "waar sta ik nu eigenlijk?" helpen om ons maar ruwweg aan deze indeling te houden.
De vorige keer heb ik geschreven over de Evangelische Alliantie. Dit keer wil ik .hetzelfde doen, maar nu ten aanzien van de Wereldraad van Kerken. Deze is onder ons veel bekender en tegelijk is het veel moeilijker om over de Wereldraad van Kerken te schrijven. Er is sinds de breuk met de "binnenverbanders"
onder ons een soort stilzwijgen gevallen waar het gaat om onze houding tegenover de Wereldraad van Kerken. Een stilzwijgen waaruit ook een zekere verlegenheid blijkt en soms ook een gebrek aan interesse om ons hoe dan ook nog bezig te houden met 'hoogkerkelijke', i.b.v. synodale en kerkorganisatorische aangelegenheden.
De verlegenheid komt voort uit het feit dat de vrijgemaakte kerk inzake de Wereldraad van Kerken altijd overduidelijk is geweest. Wij komen allemaal uit een verleden waarin om de haverklap gepreekt en geschreven werd tegen de "valse oecumene". Wij staan nu een jaar of tien' na de breuk en vragen ons nu af - sinds we zelf ook onbetrouwbaar zijn verklaard - of wel alles zo onbetrouwbaar wàs, wat als zodanig werd afgewezen. De omschakeling die nodig is om tot een eigen opinie te komen vraagt tijd, maar ik dacht dat er nu wel genoeg afstand gegroeid is om opnieuw onze houding tegenover de Wereldraad van Kerken aan de orde te stellen. Ik ben hiertoe gestimuleerd door een boekje van Prof. dr K. Runia "De Wereldraad in discussie" (Kok, Kampen, f 22,50) dat ik de vorige keer al citeerde en dat ik dan nu tegelijkertijd in zijn geheel bespreek.
Prof. Runia noemt vijf "probleemvelden" als het gaat over de Wereldraad van Kerken:
1. De plaats en de functie van de bijbel in de Wereldraad van Kerken. Runia konstateert hier enerzijds een ontwikkeling dichter naar de bijbel toe. De basisformule van de Wereldraad van Kerken uit 1948 luidde: "De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken die onze Heer Jezus Christus aanvaarden als God en Heiland."
Hier wordt de bijbel niet genoemd.
Dat verandert in 1961.
In New Delhi wordt deze formule lichtelijk gewijzigd en uitgebreid met de woorden: overeenkomstig de Schrift. De basisformule is vandaag dan ook: "De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken, die onze Heer Jezus Christus belijden als God en Heiland, overeenkomstig de Schrift."
Terwijl dit een ontwikkeling ten goede is, vindt er tegelijk een ontwikkeling ten kwade plaats want door de toenemende aanvaarding van de Schriftkritiek, die de bijbel ziet als een eigentijds menselijk belijdenisgeschrift, wordt in de praktijk het gezag van en het beroep op de 'Schrift steeds schraler.
Meestal gaat men bij diskussies in de kringen van de Wereldraad van het heden uit, kiest daarin positie en sleept daar dan achteraf de bijbel bij. Dit is grof weergegeven, maar zo ongeveer is Runia's kritiek samen te vatten.
2. De rol die de 'leer' speelt in de Wereldraad. De basis-formule is geen confessionele norm maar meer een grootst-gemene deler die het mogelijk moet maken dat een brede scala van kerken toch meedoen. Er is een neiging om de leerstellige waarheid en 'traditie' van iedere richting als iets pluraals te zien. Ieder heeft een partje van de Waarheid, zoals ook een sinaasappel uit vele partjes bestaat. Tegelijk heeft de Wereldraad van Kerken de neiging om zichzelf niet te vereenzelvigen met één confessie, maar wel met allerlei modieuze theologieën (theologie van de bevrijding, van de revolutie, van de zwarten, van de , vrouw, etc.). Wat doet de Wereldraad met Paulus' nadruk op het zuiver bewaren van de goede leer, (1 Tim. 4: 6 ed.)?, vraagt Runia.
3. De eenheid van de Kerk: Die eenheid is in het N.T. altijd een eenheid in waarheid. Ze is daarom niet per definitie mogelijk met iedereen die zich maar 'kerk' noemt. Naast de oproep tot eenheid in het N.T.
vinden wij ook het bevel tot scheiding met allen die zich wel naar Christus noemen maar niet uit Hem zijn (1 Joh. 2: 18).
Dit laatste ontbreekt bij de Wereldraad.
4. De plaats van zending en evangelisatie in het geheel van de Wereldraad. Die plaats is minimaal.
Terwijl de Wereldraad van Kerken haar geschiedenis begon met zendingsconferenties, heeft de zending bij de activiteiten van de Wereldraad thans haar prioriteit verloren.
De bekende 'evangelical' John .Stott bracht dit in Nairobi onder woorden toen hij de vergadering verwijtend voorhield: .You listen to the cry of the poor, but you do not hear the cry of the lost". "U luistert naar de noodroep van de armen, maar de noodroep van de miljoenen mensen, die levende zonder Christus verloren zullen gaan, hoort u niet ... "
Het is een bekend feit dat 90% van de zending en evangelisatie in de wereld door die kerken wordt gedaan die zich verenigen in de Evangelische Alliantie.
Hiertoe heeft de leer van de "al-verzoening" die zich binnen de Wereldraad verbreidt sterk bijgedragen.
5. Het politieke en sociale engagement van de Wereldraad. Hier ligt de eigenlijke prioriteit in de aktiviteiten van de Wereldraad.
Denk maar aan de steun die het gegeven heeft aan het Patriotisch Front in Rhodesië enige tijd geleden. Hier ligt een diepere visie aan ten grondslag nl.
dat het heil (salvation) dat met Christus verschenen is allereerst sociaal en politiek moet worden vertaald in de strijd vóór economische gerechtigheid, vóór menselijke waardigheid, tegen uitbuiting en discriminatie, vóór de wereldvrede.
Vooral in de zestiger jaren heeft de Wereldraad een soort sociale opwekking ondergaan en is ze er diep van doordrongen geraakt dat de kerk zich niet buiten de sociale vragen mag houden maar als ze ergens spreekt, juist daar moet spreken.
Dar doet ze, maar de kritiek is: gaat dat niet ten koste van de eerste taak: evangelieverkondiging en: bewaart zij daarbij wel steeds haar eigen identiteit als kerk van Christus tegenover de heersende ideologieën, zoals het marxisme?
Tot zover de samenvatting van de kritiek die Runia namens de 'Evangelicals' uitbrengt op de Wereldraad.
Ik denk dat wij allen deze kritiek delen. Uit het weerwoord dat Prof. Berkhof, mevr. Flessemanu-
van Leer en dr Van den Heuvel op deze kritiek in hetzelfde boekje geschreven hebben treft mij vooral de hars tocht waarmee Van den Heuvel de sociale betrokkenheid van de Wereldraad op de problemen van onze tijd verdedigt.
"Wij hebben elkaar leren vragen waarom het overal de maatschappelijk geëngageerde christenen zijn, die lijden en niet de piëtisten? In onze wereld worden weinig mensen opgepakt om der wille van de verborgen omgang met God, maar duizenden omdat ze in Gods Naam het onrecht bij de naam noemen of met hun lijdende medebroeders solidair zijn." (blz. 153).
Intussen: is de kritiek die Runia in dit boek opsomt voldoende om de Wereldraad van Rerken af te schrijven?
Links te laten liggen?
Hij zelf kiest met al zijn kritiek een andere positie, nl. die van, zoals ergens in dit boekje staat, 'rechtsbinnen'. Hij schrijft deze kritiek uiteindelijk als insider.
Graag vallen wij Runia bij dat er ook positieve punten zijn in de ontwikkeling van de Wereldraad- van Kerken.
Zèlf wil ik deze twee noemen:
1. Ze is forum, spreekbuis en overlegorgaan voor vele kerken, die ware kerken van Jezus Christus zijn en die (denk maar aan de 'zwarte' kerken) verder nergens een plaats hebben waar ze zich kunnen uitspreken en een open oor vinden. Vele jonge kerken uit de derde wereld zijn er lid van en dat volkomen te goeder trouw. Dat geeft ons automatisch een ban à met wat er in de Wereldraad gezegd wordt en gebeurt. Ik kom uit een gezin van 12 kinderen: als zes van mijn broers en zusters samenkomen - al was het in een voetbalclub - om daar te praten over wat zij gemeenschappelijk hebben, dan zou ik daar ten allen tijde met grote interesse kennis van nemen.
De familieband trekt.
2. Ik proef in de betrokkenheid van de Wereldraad op de sociale en politieke vragen van deze tijd iets echts. Er wordt met grote bewogenheid nagedacht over de vragen van een rechtvaardige inkomensverdeling, een herwaardering van de arbeid, de structuren van de samenleving, de wortels van de rassendiscriminatie etc.
Ik denk dat je kaf van koren moet scheiden. Het is vaak een kakofanie van stemmen, die hier opklinken. Toch ontbreekt onder het kaf het koren niet.
Daarom vestigde ik de aandacht op blz. 153 van het boekje van Runia, waar Van den Heuvel zijn pleidooi voert voor het maatschappelijk engagement van de Wereldraad. Hier moeten wij luisteren en kunnen wij Ieren.
Toch leiden deze twee positieve punten - en er zijn er zeker meer te noemen - mij niet tot de positie van Runia als rechtsbinnen.
Ik blijf het als een hoofdprobleem ervaren - wat Runia niet noemt - dat ik nergens in het N.T. een basis vind voor het scheppen van overkoepelende kerkbesturen. Ik voel een diep protest als ik iemand - wie dan ook - zie optreden namens de kerk: voorzitter van een synode of secretaris van de Wereldraad.
Waar haalt hij die bevoegdheid vandaan? Kerkelijke superbesturen moeten er niet zijn.
Allerlei overlegorganen zijn goed en ook collectieve steunfondsen als ik weet dat wij eensgeestes zijn, maar een bestuur boven ons hoofd, boven de kerken en daarom ook vaak los van de kerken, daarin geloof ik niet.
Intussen ook deze mening geef ik niet om gelijk te krijgen, maar ik stel mij open voor een betere. Ze brengt mij er wel toe om mij - anders dan Runia - uiteindelijk op te stellen als rechtsbuiten - en soms als linksbuiten. Outsider dus.
Maar dan wel een, die meeleeft in een eerlijke interesse en een echte betrokkenheid.