Zo was het (25)
1979-02-24
Het vorige praatje ging over een tekst uit 11 Petrus 1, waardoor we worden aangespoord om onze roeping en verkiezing vast te maken of te bevestigen.- Jaargang 23
- nummer 8
We mogen deze woorden wel in ons geheugen prenten: "Beijvert u daarom des te meer, broeders (en zusters) om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gijdit doet zult gij nimmer struikelen. Want zó zal u royaal worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus". Uit het verband blijkt, dat wij in vaste dienst van God komen en blijven, door een echt christelijk leven. Namelijk door ons geloof te steunen door deugd en kennis en zelfbeheersing en volharding en godsvrucht en broederliefde en liefde jegens allen.
Dat God ons roept en verkiest tot heil wil niet zeggen, dat wij als verkorenen maar met de handen in de schoot mogen zitten. We worden niet automatisch, als vanzelf, gered. ,Niets gaat vanzelf" zegt men. Dat geldt ook van onze zaligheid. Toch komt het mij voor, dat bij veel christenen de rechte ijver ontbreekt om roeping en verkiezing te bevestigen. Mensen met een beste baan, die hun best doen om die .aan te houden, zijn voor velen een beschamend voorbeeld. Wat deed die man in Vught, waarover ik de vorige keer sprak, z'n best om in het "paradijs" te mogen blijven!
Als alle christenen eens zó hun best deden in de dienst des Heren, zou het er dan in de Kerk en kerken niet heel anders uitzien? Ja, zou de toestand van deze wereld er niet door veranderen? Laat ieder zich maar eens afvragen of hij z'n best doet in Gods dienst te blijven. En er anders mee beginnen.
In m'n pastorale praktijk heb ik wel mensen ontmoet, die meenden dat de zekerheid van hun verkiezing een "oorkussen" was. Zij waren nu eenmaal binnen en "binnen is binnen" en hun kon niets meer gebeuren.
Duidelijk staat de man voor mijn geest. Hij meende zeker te weten wáár en hoe en op welke tijd Gods roepstem tot hem was gekomen. Nu was hij zeker van z'n verkiezing van eeuwigheid. Hij kwam wis en zeker in de hemel. (Over een nieuwe aarde sprak hij niet.) Dreef hem die overtuiging nu tot een voorbeeldig leven? Geen sprake van. Met de gemeente kwam hij niet meer samen. Hij had dat niet meer nodig. Ook z'n Bijbel las hij niet meer. Waarom zou hij? Wel las hij veel in een oud boekje, waarin zijn weg zo duidelijk was beschreven. Om vergeving bidden? Hij deed het niet meer, z'n zonden waren eens voor al vergeven. Hij was immers een "gekende"? Een verkorene? Nu dan, wat zou hij nog meer. Intussen had hij geen goede naam, m.i. met recht. Stond bekend als gierig (hij was rijk).
Als ik me wel herinner is hij donker heengegaan.
Dat is nu wel een uitzonderlijk geval. Maar iets dergelijks heb ik meer meegemaakt. En zulke "gekenden" of verkorenen werden soms door hun omgeving met eerbied aangehoord en met jaloersheid beschouwd. Ze waren te vinden in de gezelschappen, die er voor een 40 jaar op de Veluwe nog bestonden. Men was daar nogal bezig met de leer van verkiezing en verwerping. Ik heb mensen ontmoet, die daar heel breed en heel rustig over konden praten. Het ging dunkt mij buiten hun hart om. Buiten hun bestaan. De meesten die ik heb meegemaakt "trokken zich geen van deze dingen aan". Wonderlijk. .
Niet alleen in "gezelschappen" werd geredeneerd over verkiezing en verwerping.
Maar ook werd in enkele kerkgemeenschappen daarover druk gepreekt. Naar mijn overtuiging niet in de zin van het Evangelie. Dat moest ik tenminste wel opmaken uit de indruk, die ik kreeg van kerkgangers.
Een lid van de Geref. kerk van V. ging vrij geregeld naar een kerkdienst van een zogenaamde zware dominee. Hij vond mij te licht. En wou wel, dat ik meer met het vuur van hel en verdoemenis "speulde". Zo zei hij het letterlijk. Ik vroeg: waarom gaat u naar die kerkdienst? Zijn antwoord was: Die dominee preekt, dat de pannen ratelen op het dak. Je kunt er griezelen! Zo zei hij het precies. Zo schijnen er ook mensen naar de bioscoop te gaan om te griezelen. Men vindt dat blijkbaar fijn. Zo bovengenoemde broeder ook. Maar dan niet in de bioscoop, maar in de kerk. Zonder dat het hem overigens iets deed. Hij vond het prachtig, maar er veranderde in z'n leven niets. Z'n kinderen zond hij wel eens naar de catechisatie, maar vaak moesten ze kaas maken. Zelf vond hij zich onbekeerd, maar daar kon een mens toch ook niets aan doen? Als ik op mijn indruk afga dan was deze man één van velen. Nu ik mij dit voor de geest haal moet ik denken aan een verhaal bij Brakel. Als een smid bezig is met hameren op een gloeiend stuk ijzer, dan spatten de vonken er af. Een hondje dat de smederij binnen komt schrikt daar even van.
Maar als de smid het beest een plaatsje geeft vlak naast het aambeeld, dan heeft het van de vonken helemaal geen last. En geniet alleen maar van het schitterende vuurwerk. Wie zich door het Evangelie niet laat trekken trekt zich ook van de dreiging niets aan.
Van een bepaalde verkondiging van eeuwige verkiezing en verwerping heb ik geen goeds beleefd, wel vele kwaads. Een oude vrouw van m'n gemeente was zwaar ziek. Doodziek was ze. Het zou wel sterven worden.
Ze was in haar eenvoudigheid een vrome vrouw. Maar had geen zekerheid.
Hoorde ze wel bij de verkorenen? Of was zij voor het verderf bestemd?
Men kon toch maar nooit weten. Zo werd haar tenminste door haar omgeving voorgehouden. Na een catechisatie werd mij bericht, dat ze stervende was. Ik er heen. Terwijl ik de deur van buiten wilde openen, werd deze van binnen open gerukt. En een buurvrouw kwam haastig naar buiten. En ze mompelde: Ik heb het haar nog eens goed aangezegd! Ik vroeg: En wat hebt u haar dan aangezegd? Antwoord: dat ze regelrecht naar de hel gaat! Ze is immers onbekeerd? Het is haast niet te geloven, maar ik heb het goed gehoord.
Velen schrokken misschien wel even, maar blijvende invloed had zulk een prekerij bij de meesten niet. Ik heb wel eens aan een broeder, die mij wilde vermanen om "zwaarder" te preken, gevraagd: Ziet gij, dat in uw kringen het christelijke leven bloeit? Ik herinner mij z'n antwoord nog precies. Hij zei: "Bij ons moet je een peerd, dat te koop is, wel goed in de bek kieken".
Was er dan niemand, die zich van zulk een noodlotsprediking wat aantrok?
Zeker wel. Mensen die er ernst mee maakten raakten in de put.
Hoe kan dat ook anders? Als het waar zou zijn, dat ons lot al voor eeuwig beslist is en dat de kans even groot is, dat we bestemd zijn voor het verderf als dat we het eeuwig, zalig leven zullen beërven, wie zou dan niet angstig worden? Eigenlijk is het nog erger. Velen zijn immers geroepen en weinigen uitverkoren? Meer kans dus dat een mens verworpen wordt, dan dat hij wordt aangenomen! Zo is het tenminste als van verkiezing en verwerping een noodlotstheorie wordt gemaakt. Vrij wat broeders en zusters zijn in "Ermelo" terecht gekomen. Vooral zusters. Wat ik wel eens heb horen verklaren als een "zegen" op een bepaalde prekerij. Maar de prekers van zulk een "noodlot" werden in Ermelo niet toegelaten. Met recht meen ik.
Mogelijk zal menige hoorder of lezer van dit verhaal zeggen: Zulk een opvatting van verkiezing en verwerping is natuurlijk verschrikkelijk. Met recht zal men dit zeggen. Maar is de leer van verkiezing en verwerping geen heet hangijzer? Is dat niet een stuk "zwaar om te verstaan"? Staat er in die buurt geen bordje: "Hoogspanning. Zeer gevaarlijk"?
Vermoedelijk wordt er door velen zo over gedacht. Daarom denkt men er liever maar niet aan en spreekt er niet over. En wordt er vermoedelijk ook in onze kring weinig over gepreekt. Hebt u bv. wel eens horen preken over Efeze 1 : 4? De tekst is dunkt mij bij velen wel bekend. Maar ook troostvol? Ik waag dit te betwijfelen. Toch is deze tekst vol van troost. Maar even zeer vol van vermaning. Laat ons maar eens zien: "Hij (God) heeft ons immers in Hem (Christus) uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht" .
Deze tekst geeft wel wat moeite voor vertaling en verklaring. Maar laten wij, die in de Here Jezus geloven, ons het hoofd daarover maar niet breken. Dat hoeft echt niet. Want of we nu vertalen "in Christus" of "door Christus", dat maakt voor de hoofdzaak geen verschil. En hoe we nu ook dat "voor de grondlegging der wereld" verklaren, er staat tot troost aller gelovigen: ons heeft God uitverkoren. Ons! Daarmee bedoelt Paulus in elk geval zichzelf en alle "heiligen en gelovigen" die te Efeze zijn. Aan hen heeft de apostel deze brief immers geschreven. Opdat zij goed zich zouden inprenten: óns heeft God verkoren, Want Hij heeft ons geroepen door het Evangelie. Daar zit Gods liefde achter. Niet wij hebben God gezocht, maar Hij heeft ons gezocht. Niet wij hebben Hem gekozen, maar Hij heeft ons verkoren. En tot die "ons" behoort toch ieder, die het leven in de Here Jezus zoekt en vindt? Paulus zegt toch niet: En nu moet ieder van jullie nog een aparte roepstem horen om te weten of hij persoonlijk wel uitverkoren is? Wie behoort tot de gelovigen, tot de gemeente van Jezus Christus, behoort tot de verkorenen en is persoonlijk uitverkoren. Waar komt dat misverstand toch vandaan, dat ieder apart en heel persoonlijk een teken of bewijs moet hebben, dat hij of zij uitverkoren is? Want een misverstand is het. Wat tot gevolg heeft dat iemand bijv. een stem wil horen of kenmerken bemerken of iets bizonders beleven, waaruit is op te maken, dat hij verkoren is. We moeten ons maar niks laten wijsmaken.
Dat wil vanzelf niet zeggen, dat iemand mag zeggen: ik sta op de dooplijst en dus hoor ik bij de gemeente en mag zeker zijn van mijn verkiezing!
Er zijn gedoopten, die met hun doop helemaal geen ernst maken. Ze geloven het Evangelie niet, ze verloochenen de Heiland en vervallen van Gods genade. Trouwens, zij zullen zich over verkiezing en verwerping niet druk maken. Maar ieder, die in de Here Jezus gelooft, mag weten tot de verkoren gemeente te behoren. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat hij nu automatisch behouden wordt. Want in deze tekst ligt ook een sterke vermaning. Er staat immers: Opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.
Dat tweede deel moeten we vooral niet vergeten. Wat m.i. wel gebeurt.
Het doel van Gods verkiezende liefde is niet, dat wij de handen in de schoot zouden leggen. We zullen aan het werk gaan. Onze roeping en verkiezing vast maken. Door een heilig leven. En door een onberispelijke wandel. In de bijbelse zin van het woord. Dat is toch helemaal in overeenstemming met het woord van I Petrus: "Weest heilig, want Ik ben heilig". En het woord van de Heiland: "Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is". Daar is de Bijbel vol van: "Jaagt naar de heiligmaking zonder welke niemand de Here zien zal". "Beijvert u onbevlekt en onberispelijk te zijn voor Hem". We zijn er nog niet, we zijn nog niet volmaakt en niet onberispelijk, maar we jagen er toch naar? Of niet soms? Dan moeten we er maar haastig aan beginnen. Als we dat niet doen, hoe zullen we dan vast staan in het geloof? Hoe zullen we dan zeker zijn van onze verkiezing? Dat kan eenvoudig niet. Als we naar de vermaningen niet luisteren, verliezen we ook de troost. Een dood geloof, dat geen vruchten draagt, geeft geen vastheid. Gods verkiezing en onze verantwoordelijkheid horen bij elkaar. Gods werk en ons werk zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Piekert maar niet over moeilijke vragen, die theologen hebben opgeworpen. Grote mannen in de kerk hebben door hun probleem-makerij een zee van ellende geschapen. Ze wilden weten, hoe "God in mekaar zat" om zo te zeggen. En wat God zoal in de "stille eeuwigheid" had besloten of niet besloten en in welke volgorde.
Ze bedoelden het wel goed. Ze wilden God de eer geven. Alle roem in mensen uitsluiten en Gods genade roemen. Maar met alle goede bedoelingen hebben zij voor velen èn de troost èn de vermaning van de verkiezing weggenomen.
Met opzet heb ik de moeilijkheid van vertaling en verklaring nu niet besproken.
Dat zou mogelijk de aandacht van de hoofdzaak afleiden. Want de kern van de zaak is: Wie gelooft in de Here Jezus mag roemen in Gods verkiezing. Hij mag roemen in de liefde van God en de genade van de Here Jezus en de gemeenschap van de Heilige Geest. Maar hij mag en moet ook z'n best doen om onberispelijk te leven. Voor Gods aangezicht.