Ontmoetingen met mystici.
1979-02-24
Ontmoetingen met mystici.- Jaargang 23
- nummer 8
11. Ontmoeting met Jan Luyken.
Samenstelling: prof. dr J. W. Schulte Nordholt.
Uitg. Kok, Kampen, 104 pag., f 14,90.
Over deze serie als zodanig schreef ik in het nummer van 24-11-1978: "Kortom, deze serie hoeft voor mij niet!"
Dat neemt niet weg dat dit deeltje de moeite van het lezen waard is, al was het alleen alom de fijnzinnige en met Luyken (1649-1712) congeniale inleiding van prof. Schulte Nordholt.
In deze bloemlezing treft u gedichten aan uit de twee perioden waarin het leven van Luyken kan worden ingedeeld.
Uit de eerste periode stammen gedichten die van grote levenslust getuigen.
De jonge Luyken wist wat de liefde was en dat niet van horen-zeggen!
Het zijn werkelijk prachtige, krachtige gedichten die bij mij eigenlijk gezonder overkomen dan de latere mystieke verzen. Ook- geestelijk gezonder, al weet ik wel dat Luyken ze allesbehalve vanuit een bijbelsvroom gemoed geschreven heeft.
Maar, om een voorbeeld te noemen, ik hoor toch liever een man een vrouw "mijn lief" noemen dan dat de Heere God zo wordt aangesproken.
En al kan de vreugde over de sexualiteit om de sexualiteit niet verdedigd worden, de Bijbel (denk aan Hooglied!) geeft toch alle ruimte voor een gezond beleven ervan - binnen de kaders die ze daarvoor aangeeft.
En zo gelezen valt er ook christelijk gesproken nog wel een goed woord te zeggen over deze gedichten, ook naar hun inhoud.
Jan Luyken heeft hen na zijn krachtdadige bekering berouwd. Hij trok zich terug van het wereldse vertier om de stille omgang met God te zoeken op mystieke wegen. (Jacob Boekme).
De gedichten die hiervan spreken, zijn werkelijk schoon, soms ontroerend.
Maar de dualistische levensvisie, zo karakteristiek voor de mystiek, maakt het mij onmogelijk om er echt door aangesproken te kunnen worden.
Ten slotte een paar citaten uit de inleiding.
Op pag. 17 schrijft prof Schulte Nordholt: "Het gaat in de mystiek, ook die van Luyken, altijd om twee dingen, ten eerste om de innerlijke ervaring van en dan verzinken in God, en in de tweede plaats om de wijze waarop dat gebeurt."
De verwijzing naar J. A. T. Robinson in dit verband is verhelderend voor het verstaan van Luyken alsook van Robinson.
Een ander citaat (pag. 18): "Bij Luyken is die hele strijd over het wereldbeeld, de hemel boven ons of in ons, de zaligheid toekomend of present, de verlossing eens voor al of telkens weer beleefd, geheel futiel Hij verenigt die dingen, hij gelooft dat er geen God bestaat voor wie Hem niet in het hart ervaart en kent tegelijk zijn eigen volstrekte afhankelijkheid.
Dat is mystiek en er is geen christelijk geloof dat zonder kan."
Achter die laatste uitspraak zet ik zeker een vraagteken; overschrijdt dat ervaren van God in het hart bij Luyken niet de grenzen van de bijbelse vroomheid?
In Luykens levensloop worden twee perioden onderscheiden, van voor en na zijn bekering.
Kent iedere gelovige niet de worsteling van de dagelijkse bekering? Nee, niet de bekering van het natuurlijke naar het geestelijke leven, van de schepping naar de herschepping, wel die van de geneigdheid tot alle kwaad naar het leven door de Geest!
Deze bloemlezing, niet zijn inleiding, stemt tot nadenken. Misschien zou ik de slotzin van mijn vorige bespreking zo moeten aanvullen: "Kortom, deze serie hoeft voor mij niet! Maar nu ze verschijnt, is het goed om er kennis van te nemen."