DIVERSEN
1979-03-02
Mary MacDonald - Jaargang 23
- nummer 9
In het ,Simpel Kerstlied", dat door verklaarbare omstandigheden te laat werd afgedrukt, zeide ik dat van Mary vrijwel niets bekend was Merkwaardig genoeg kreeg ik juist daarna enkele nieuwe gegevens in handen, die u zullen interesseren.
De volksvrouw, die het kerstlied "Child in the Manger" op haar naam heeft staan, was gehuwd met een kleine boer (crofter), die Lachfan Mac-Innes heette en ook in Brolas geboren was. Brolas is een gebied ten Oosten van Ardtun gelegen, aan de Ross of MuIl.
Mary heeft zelf haar lied nimmer opgeschreven. Ze zong het voor de kinderen en bij samenkomsten, uit het hoofd. Haar vrienden leerden het van haar. Zo heeft Maleolm MacFarlane melodie en woorden opgetekend uit de mond van een oude inwoner van MuIl, die vertelde (The Celtic Monthly van Mei 1902): dat het lied zeer populair was geweest en zingende werd doorgegeven als het lied van Mary MacDonald.
Het lied is gemaakt naar aanleiding van een evangelische opleving, die tegen 1830 over MuIl ging, en afkomstig was van een kleine groep Baptisten te Tobermory. Die bouwden zelfs een houten kapel te Bunessan, welke het volk uit de "officiële" kerk wegtrok; later is die kapel dan ook vernield.
Mary MacDonald was overigens niet de enige "bard", die niet lezen of schrijver kon. Vanuit mijn werkkamer zie. ik uit op het monument van Donachan Ban, de analfabeet die twee eeuwen geleden een belangrijke bijdrage tot de Schotse litteratuur leverde. Als het u interesseert kom ik daar wel eens op terug.
Rotary
Enkele vriendelijke en onvriendelijke reacties kwamen binnen op mijn artikel "Dienen" van 15-9-'78. Dat ging over de wereldorganisatie van de rotarians. Ik schreef daar te gunstig over, zei men mij. Het heet hier, schreef me een vriend, dat ze "de besten" van elke groep uitnodigen en die pretentie mag ik niet.
Onnodig te zeggen dat niemand dat mag. Wanneer de rotary inderdaad zou pretenderen de beste laag valt het volk te zijn, zou het lidmaatschap allesbehalve aantrekkelijk zijn voor de besten van een volk. Een ander schreef me: rovers en moordenaars zijn het niet, maar dat het allemaal zulke heiligen zijn als ik uit uw artikel begrepen heb wil er bij mij niet in Dat artikel is dus niet helemaal begrepen. Ik wilde u alleen enige informatie geven, die me wel eens gevraagd wordt. En ik tekende de rotary als een idealistenclub, een groep mensen, die in deze maatschappij graag iets goeds willen doen. Tot dat goede behoort nederigheid en zelfverloochening; dat weten wij christenen opperbest. En als de resultaten van het rotary-idealisme niet altijd meevallen, zal geen christen zich verbazen.
Een christen heeft - zonder enige verdienste zijnerzijds en laten we dit wel even vaststellen een hele voorsprong op elke idealist: de belofte van de Geest, die maakt dat de christen ;,niet zondigt", zo lang hij uit die Geest leeft, denkt en handelt. Vandaar dat christenen wél zulke heiligen zijn, geroepen namelijk tot heiligheid. Maar ook christenen hebben geen monopolie om te dienen. Misschien is het wel prettig, wanneer op elk ogenblik dat wij christenen te kort schieten een ander klaar staat om onze taak over te nemen; in welke kracht dan ook.
Overigens heeft ook de rotary international niet het monopolie van dienen.
Daar zijn nog zes andere wereldorganisaties van idealisten: de Soroptimist Club, Zonta International, Lions International, Junior Kamer, Tafelronde en Kiwanis International. In totaal zeven dienende geesten.
Geen heiligen, meestal toch wel nette mensen. Dr C. Zijderveld deed er vorig jaar een goed boekje over open: Tradition Linked to Modernity, een sociologische interpretatie van serviceclubs, verkrijgbaar bij Kiwanis-
Club, Sittard.
Moderne Wereldgelijkvormigheid
Op mijn speech uit 1964, die in een reeks artikelen enkele maanden geleden werd gepubliceerd, kwamen enkele uitingen van gegriefdheid binnen.
Uit het feit, dat die speech na 14 jaar werd gepubliceerd concludeerden sommigen, dat de zaken vandaag nog net zo als toen werden getaxeerd.
Dat spijt me. Ik geloof niet, dat die conclusie voor de hand ligt.
Door elk onderdeel van de speech te dateren op 1964 heb ik getracht duidelijk te maken, dat de speech als zodanig achterhaald en verouderd was. Dat zij toch nog gepubliceerd werd was om geen andere reden, dan waarom we andere minder fraaie zaken uit de geschiedenis in herinnering houden: om herhaling te voorkomen. Een voorbeeld? Wanneer we elkaar vandaag voorhouden, hoe onze calvinistische voorouders de rooms-katholieken hebben vervolgd (denk aan de schuilkerken als de "Onze Lieven Heer op Solder" te Amsterdam), dan is daarmee niet beweerd dat wij calvinisten hetzelfde vandaag nog doen. Toch zouden we fout zijn als we alle onwelgevallige stukken uit de historie zouden schrappen. De allure van "dat zouden wij nooit doen" wordt door de Heiland van de hand gewezen als Hij sprak over het bouwen van de graven der profeten.
De "kerkzuivering", die na 1964 plaats vond, heeft verreweg het meeste uit mijn artikelen van uwen mijn schouders genomen. Wij zijn er zelfslachtoffers van geworden. En wie de betreurde zaken uit de zestiger jaren alsnog voor zijn rekening wil nemen, moet dat zelf maar verantwoorden.
Wat mijn betreft. Het kost me geen moeite uit te spreken: dat ik het betreur, deze speech alsnog te hebben gepubliceerd. Ik ben er niet gelukkig mee, al ware het maar vanwege de misverstanden, die ik ermee opriep.
Aan de andere kant zei een mijner vrienden, wie ik om raad vroeg: hoe kan iemand daar nu over vallen? Het is toch van voor de "kerkzuivering"?
Ik vond die bijdrage juist interessant en nuttig. (Zo kan het dus ook.) Schrijven en lezen Mede naar aanleiding van het voorgaande nog een opmerking, over het verbond tussen hen die schrijven en hen die lezen.
Het gebeurt een schrijver dikwijls, dat hij de uitwerking van een artikel volkomen fout taxeert. Ik denk dat dit alle schrijvers onder ons gebeurt.
Om de uitersten te noemen: soms schrijf je een artikel, waar je in feite jaren over hebt nagedacht, dat je zweet heeft gekost - en de reactie is een diepzinnig stilzwijgen. En soms publiceer je iets, dat echt onder de indruk van een recent gebeuren en zonder veel nadenken is opgestelden je krijgt er warme reacties op, brieven, telefoontjes, een prentkaart. Zo sla je keer op keer de plank mis en ik denk dat dit ook de beste van onze schrijvers overkomt.
Ware ons lezerspubliek homogeen gevormd, een van taal, een van denken, een van doen, drinkende allen uit eenzelfde soort bronnen - dan kon je er zeker van zijn dat je artikelen, mits uit dezelfde bronnen ontsproten, goed zouden overkomen. Of niet gelezen worden.
Maar ons lezerspubliek is volstrekt heterogeen, de Hemel zij gedankt.
Onze mensen, ons kerkvolk, onze gereformeerde christenen zijn net zo pluriform als u maar kunt wensen. Wij kennen de veelkleurigheid, die God de Heere aan zijn schepping heeft toegevoegd, als een versiering. En wat de een aanspreekt als een nieuw geluid, waard om aan te horen, dringt bij de ander niet meer door. Wat de een als een aperte ketterij ervaart, is voor de ander al lang een Schriftuurlijke ondergrond, aan een eeuwenoude vertaalfout ontdekt.
Daarbij komen uitersten bloot. Wanneer de een uit de Schrift de ondergeschikte plaats van de vrouw aanwijst, kan de ander uit dezelfde Schrift haar gelijkwaardigheid aan de man bewijzen; een enkele kan zelfs haar meerwaarde aantonen. En zo voort, en zo voort.
Wat moeten we daarmee aan?
Ik geloof: gewoon doorgaan met de Schrift te lezen en te overdenken, dag en nacht. Niet teveel geloven in leiders; ook die moeten van tijd tot tijd "nader worden onderwezen". Maar wel de schrijver trouwen geloof houden, totdat ooit zou blijken (wat de Hemel genadiglijk verhoede) dat hij een onbekeerlijke ketter, een dwaalgeest of een valse profeet is.
Indien ons goede blad alleen zou publiceren wat u al wist, waarmee uw grootvader het al eens was, had ons blad geen reden om te bestaan.
Maar als ons blad u aan het denken zet: hoe wij, die om onnaspeurlijke redenen deel mogen hebben aan het wonder van de reformatie, onze verantwoordelijkheid voor een verdere reformatie kunnen realiseren, dan hebben wij aan onze opdracht voldaan: dan dient ons blad de opbouw van het gereformeerde leven.