DE NAAM VAN ONZE KERKEN
1979-03-02
Vrije Gereformeerde Kerken - Jaargang 23
- nummer 9
1. Moeilijke wensen
Het blijkt een moeilijke opgave een naam te bepalen voor onze kerken.
Zulk een naam moet een teken zijn voor de zaak, die be-tekend wordt.
Helaas heerst over deze zaak geen eenstemmigheid bij de be-teken-aars, de peetvaders om zo te zeggen, en zo zoeken deze in de naam ieder zijn persoonlijke wens uit te drukken.
Niet de zaak, maar de wens is de vader van de naam.
"Nederlands gereformeerd". Toch wel een erg pretentieuze wens, een grotesk plagiaat.
"Vrijgemaakt Gereformeerd". Zeldzaam verwarrend, vanwege de wens "dat we nog steeds zullen zijn wie we waren". Is dat soms reformatorisch?
2. Een wens in de praktijk
De moeilijke wensen maken de peetvaders, "afgevaardigden" van de kerken tot moeilijke vaders. Het ingezonden van één hunner, die zich ook als zodanig aandient, levert hiervan een treffend staal. Zijn wens heeft hem zozeer vervuld, dat hij de publicatie van een open brief van een zuster, Mevr. J. Kuiper, die bezwaar maakt tegen bovengenoemde namen en tegen de hele gang van zaken van de naamgeving, nauwelijks tolerabel acht: "Dit stuk zet zich af tegen datgene wat nog over is van het Gereformeerd karakter van de kerken buiten verband". ,,zij noemt kerkscheuring een kwalijke zaak". "En dat omdat zij in feite de strijd niet wil". "Die strijd ging om de f.v.e." En "die zijn het fundament, waarop onze kerken staan."
3. Het beweerde fundament
Maar als die dan het fundament zijn, waarom bouwt de schrijver zelf daar dan niet op? Zijn behandeling van deze zuster raakt kant nog wal, en is symptomatisch.
Kerkscheuring is een kwalijke zaak.
Of niet soms.
Kerkstrijd niet. Het gaat er maar om, wat de inzet is: Ons laatste bolwerk.
En juist in de ijver daarvoor heeft zij haar open brief geschreven.
De reactie van dr v.K. veroordeelt, wat zij niet heeft beweerd, en laat na een oordeel te geven, over wat zij wel betoogt, En wil haar open brief maar smoren.
In zijn ijver voor de f.v.e.
Maar dat is in strijd met "de f.v.e.".
Ik noem slechts HC zondag 40 (vr. 107).
Zij heeft voortreffelijk verdedigd "wat nog over is van het Gereformeerd karakter van onze kerken: het erkennen van elkanders mondigheid als leden van Christus terecht. En voorgesteld: "Vrije Gereformeerde Kerken".
4. De f.v.e. als axioma
Hebben we, na alle terreur die ons is wedervaren, niet geleerd, hoezeer de i d e e van de enige-ware-eeuwigidentieke kerk, die op aarde in de concrete geschiedenis in één concreet instituut te zie n zou zijn, een tyranniek afgodsbeeld is, dat de ene, algemene, Christelijke kerk, die wij geloven, uit elkaar jaagt? Dit afgodsbeeld leunt behaaglijk op het axioma van de f.v.e., dat in de praktijk de "enigheid" gram is, en het dan ook van zijn theoretisch niveau moet hebben: de veilige zekerheid van het theologisch-wetenschappelijke denken ter ondersteuning van de Kerk van Christus. Helemaal zeker is de rol van dit "fundament" ook voor dr V.K. niet: "Het kost wel enige moeite dit aan te tonen." Het vereist behoorlijke kennis van wat precies in die formulieren staat (!) en wat er o.m. in 1944 precies aan de hand was. Daarvoor is grondige analyse nodig. En deze mag in de eerste plaats van onze predikanten verwacht worden." Die arme predikanten, die verder zwelgen in hun tijd. Zittingsdagen dus, hoopvol speuren in het verleden naar de basis van wat alvast als wet dient gehandhaafd met terugwerkende kracht voor heden en toekomst. Voor een totalitair regiem met zijn deskundigen om in te bijten!
5. Het ware fundament.
Als Paulus in 1 Cor. 13 spreekt van het ware fundament, Christus, dan heeft hij juist met die theoretici, die "wijzen-der-wereld", grondig afgerekend.
En dan vermaant hij met ernst, op straffe van schending van de Tempel Gods, ieder die op dit fundament gaat bouwen, te wet e n hoe hij dat doet. Dat weten is niet theoretisch: "hoe staat het ook weer in de papieren", maar uiterst praktisch: bouwen op de levende Christus. Dat is' wat anders dan op een papieren idool,
6. Ondermaatse maat
Ik wil voor niemand onderdoen in eerbied en liefde voor de "f.v.e.". Te weten, het reformatorisch grondmotief daarvan.
Wat leeft er eigenlijk nog in onze kerken van de f.v.e.?
Behalve dat de H.C. - als handleiding, niet als zelfstandige wet - zeker nog dient, hebben we nog het rudiment van het ondertekeningsformulier, waarin de H.C., de N.B.G. en de 5 art. - de eerste twee stellig in strijd met hun oorspronkelijke bedoelingals Shibboleth worden gehanteerd bij verschillende gelegenheden, voorgelegd aan bepaalde - niet alle!!!leden der kerk. Ik acht dat discriminerend voor de andere leden. Erger, ook voor het Ieven-in-Chiistus een ondermaatse maat, toegepast Olmaan de kerkeraad de uiteindelijke sanctie te laten van de door de gemeente in de eredienst bevestigde ambtsdragers.
Een stukje niet te onderschatten hiërarchie. Is ook dat reformatorisch diè het mogelijk maakt, straks de ondertekenaars op te hangen aan hun actie als ze eventueel hoog-kerkelijke besluiten "niet voor vast en bondig zouden houden", en in de ondertekenaars-
ambtdragers hun gemeenten.
7. Ondeugdelijke maat
Een maat, die zoals dr vK. reeds aanduidde, aan de meeste leden der gemeente, en, ik zeg erbij, ook aan hem en ondergetekende, niet mag noch kán worden aangelegd, omdat zij de inhoud van dit kolossale complex van geloofsvoorstellingen eenvóudig nooit tegelijk omvatten kunnen. Historisch niet, taalkundig ook niet. Ik denk alleen maar eens aan alle samengestelde zinnen, die onze jeugd in ieder geval volstrekt vreemd zijn geworden, . Maar vooral, confessioneel niet. Wij leven in een volstrekt andere tijd dan Ursinus c.s. De wolven, waartussen wij ons nu als schapen bevinden, openbaren zich anders en veel radicaler dan toen, hoe instructief het moge zijn, de methodes van toen er nog eens op na te slaan. De problematiek is anders, veel heidenser.
8. Onwaarachtigheid
Maar behalve dat deze maat aan actualiteit heeft ingeboet, vrees ik, en ik weet dat trouwens ook wel, dat menigeen de f.v.e. ondertekent in goed vertrouwen op wat hij nooit als zodanig getest heeft. Is dat eigenlijk wel in de haak? Is het niet een leugen waar die wel allerminst past, om daar, waar de zuiverheid van het geloof dient aangetoond, maar klakkeloos zijn naam te zetten. Juist onze jongeren onderkennen deze onwaarachtigheid.
Maar er zijn kerkeraden, die hen ondanks alles, daartoe pressen.
Zou dat reformatie zijn? Zouden wij ze niet v r ij moeten laten als levende leden van de levende Christus in het volgen van Hem en Zijn Woord?
Dan komt het reformatorisch grondmotief, dat ook onze vaderen dreef en waaruit zij getuigden, vanzelf, in welke vorm ook, tot gelding. Daar staat Christus met Zijn Geest wel borg voor. (Rom. 14: 4). Wij leven van de genade van het fundament.
D. J. Buwalda, Bilthoven
Bilthoven, 7 februari 1979
Commentaar
Gaarne had ik door br. Buwalda aangetoond willen zien, dat ik veroordeel wat Mevr. Kuiper niet heeft beweerd.
Ik heb Mevr. Kuiper letterlijk geciteerd - de vrijmaking is een kwalijke zaak - en wat zij letterlijk schreef heb ik tot onderwerp van discussie gemaakt. Ik heb haar open brief niet willen smoren - hoe zou ik dat kunnen?- maar ik ben zakelijk ingegaan op haar stuk, inderdaad niet op alle punten, maar op het punt van de vrijmaking. Is het zinvol daarover iemand te laten schrijven, die niet meer weet te zeggen dan dat de vrijmaking een kwalijke zaak is?
Ik heb voorts getracht enigszins duidelijk te maken wat het m.b.t. de 3 formulieren van enigheid betekent, wanneer men over de vrijmaking schrijft op een wijze, zoals Mevr.
Kuiper dat doet. Men kan het daarmee met mij eens zijn. Men kan het ook niet met mij eens zijn.
Ik zie er niets in op het onzakelijke en ridiculiserend geschrijf van br. Buwalda t.a.v. de 3 formulieren van enigheid in te gaan. Vandaar deze korte reaktie.
Onze kerken hebben deze formulieren aanvaard als hoofdsom van de leer der zaligheid en daarmee uit. De formulieren staan op dit moment kerkelijk niet ter discussie en zijn ook nimmer ter discussie gesteld in onze kerken.
Zonder dat eerst eens kerkelijk (op behoorlijke wijze) aan de orde te stellen en zonder dat ook duidelijk aan te tonen, komt br. Buwalda (en vele anderen met hem, naar mij de laatste tijd is gebleken) met het standpunt aanzetten, dat de 3 formulieren van enigheid niet meer geschikt zijn als fundament voor onze kerken.
Vindt br. Buwalda het dan zo vreemd, dat ik daaruit de conclusie trek, dat ook hieruit blijkt, dat het Gereformeerd karakter van onze kerken meer en meer aan het verdwijnen is?
Dat blijkt daar overigens niet alleen uit. Het blijkt o.m. ook uit de verbreiding van de vrije-kerk-gedachte in onze kerken.
Ik ga niet in op onzakelijke, en dus onjuiste tegenstellingen als: levende Christus contra papieren idool, theoretisch .niveau en begrijpen "met het hart" (hierover schreef br. Buwalda mij persoonlijk nóg een brief) en meer van dat fraais. Daar gaat het hier nl.
niet om. Met dit soort kreten en zelfgemaakte tegenstellingen komt men in een discussie geen stap verder, omdat men dan begint met de ander te vonnissen aleer met deze op eerlijke wijze een discussie te zijn aangegaan.
Wat de wolven betreft: Zijn de wolven van vroeger zoveel anders dan de wolven van nu? Of hebben de wolven - figuurlijk gesproken - thans alleen maar een ander jasje aan? Dat zou ik gaarne eens uitgediept willen zien. Zoveel nieuws is er niet onder de zon. De Boze kent het menselijk hart zeer goed en hij komt de eeuwen door aanzetten met min of meer dezelfde verleidingstechnieken Olm de mensen van de Here God af te voeren en uiteen te jagen.
L. van Klinken, Haarlem