Omtrent het kerkverband (4)

1979-03-09
  • Jaargang 23
  • nummer 10
Er staat in ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven een regel over de "roepende kerk". Deze kerk is door een laatstgehouden landelijke of regionale vergadering aangewezen, om de volgende samen te roepen. Een regel van weinig betekenis, zou je zo zeggen. Bovendien typisch van de kerkelijke wereld. Heeft iemand ooit gehoord van een roepende onderneming of een roepende jeugdvereniging? Die hebben toch ook hun verbanden en vergaderingen van afgevaardigden?

Ja, maar die hebben ook nog iets anders, namelijk een blijvende organisatie.
De afgevaardigden mogen al of niet vergaderen, de overkoepelende vereniging blijft bestaan, het verenigingsbestuur blijft bestaan., de voorzitter blijft voorzitter en het bondsbureau functioneert. Van dit alles vinden we met betrekking tot het gereformeerde kerkverband niets. Integendeel.
De oude kerkorde stelde vast, dat het ambt van de praeses uitgaat, als de samenkomst scheidt en ons akkoord. stelt uitdrukkelijk, dat regionale - en landelijke vergaderingen geen blijvend karakter dragen, maar tijdelijk zijn en ophouden te bestaan, zodra zij gesloten zijn. Ophouden te bestaan, gekruider kun je het moeilijk zeggen.
Vandaar dat simpele regeltje omtrent de roepende kerk.
De gemeenten van Christus blijven namelijk wèl bestaan, krachtens de belofte van haar Heer.
Een zeker teken van opkomende heerszucht is dan ook de wil tot beheersing van de periode tussen twee vergaderingen. Dat kan door een waar netwerk van deputaatschappen in het leven te roepen, door alsmaar langer te vergaderen, alsmaar frequenter, totdat het besluit valt van. de synode een permanente instelling te maken, op basis waarvan de. landelijke kerkelijke bureaus van de grond kunnen komen, al of niet met office-computer. Aan deze ontwikkeling ligt ten grondslag de overdracht van taken ten behoeve van de gemente, dóór de plaatselijke ambtsdragers, áán het kerkverband.
Als de gemeenten echter dicht bij Christus leven, bij het Woord blijven, en als zustergemeenten liefdevol met elkaar verkeren, dan zijn de verbandsvergaderingen kort.
Er móet wel een roepende kerk zijn, eenvoudig omdat er niets anders bestaat. Het is een rake naam: roepende kerk; ook, omdat het moeilijk is weg te blijven, als je zuster je roept.
We kunnen uit zo'n simpele regel leren, hoezeer de verbandsstructuur in harmonie behoort te zijn met de onderwijzing van de Schrift over de gemeente.
Er is geen bovenkerkelijk of tussenkerkelijk instituut. Dit is buitengewoon belangrijk. Het betekent: dat er geen instantie is boven of tussen de zusterkerken, die - laat ons zeggen - synodebesluiten met een eigen gezag kan uitvoeren of de kerken doen uitvoeren, die controle daarop kan uitoefenen en die verantwoordelijkheid daarvoor kan dragen. Het is zelfs niet zo, dat er wel een dergelijke instantie bestaat, maar dat deze zulke bevoegdheden niet heeft: er is helemaal geen instantie. Er is alleen een roepende kerk in de kring der zusterkerken.
We herinneren ons de klacht van ds Van den Berg, dat wij zozeer denken in georganiseerde en geïnstitutionaliseerde kaders. Als dat waar is, dan heeft ons denken zich ver verwijderd van de oude kerkorde en is het goed, dat we die opnieuw leren verstaan.

In het voorgaande ligt besloten, dat de verantwoordelijkheid voor wat in de gemeente geldt, uitsluitend kan liggen bij de eigen ambtsdragers van die gemeente. Als synodebesluiten de gemeente binden, dan is die binding voor rekening van de kerkeraad. De vergadering die de besluiten nam, kan deze verantwoordelijkheid niet dragen, want zij is tijdelijk en houdt op te bestaan. De geldigheid van de besluiten is opgenomen in het geheel van de ambtsbediening binnen de gemeente, namelijk van hen die de gemeente hoeden en dienen ter wille van haar toerusting.
Ambtsdragers mogen zich aanstellen, alsof zij deze verantwoordelijkheid hebben overgedragen aan het kerkverband, kerkverbandelijke organen mogen de ambtsdragers hun verantwoordelijkheid willen roven, de Heer der Kerk handhaaft hen in hun ambten. Hij houdt Zijn ambtsdragers in hun waarde. De kerkelijke ambten zijn tenslotte verbijzonderingen van het menselijke ambt. Welnu, wij blijven aansprakelijk, wat we ook doen, want we zijn geschapen naar Gods beeld.

Langs de wegen van het kerkverband heeft de gemeenten ongetwijfeld ook veel kwaad bereikt. Dat was tenslotte slechts mogelijk, omdat de wachters van de gemeente hun ambt verzaakten.
Laat niemand denken, dat het kwaad kan worden gekeerd, door de wegen van het kerkverband op te breken. Die fictie leidt slechts tot sluikwegen voor het kwaad want het hart van de hoogmoedigen blijft boos. Een vorm van wegen opbreken is het ontwaarden van een besluit tot een advies. Een advies mag ik naast mij neerleggen zonder rekenschap te geven; ik mag handelen, alsof het advies nooit was gegeven. De spits van "besluiten" wijst in de richting van hetgeen samen bindt in de gemeenschap; die van "adviseren" van hetgeen ieder voor zichzelf beslist. Het is de eenheid van leer en van belijdenis, die het kerkverband constitueert.
Als die eenheid in geding is, moet men niet adviseren, maar besluiten.
Indien niet, dan is bij valse leer en dwaling de ontbinding van het kerkverband als gereformeerd kerkverband onafwendbaar.
Die eenheid is wezenlijk voor wat de kerken samen doen: opleiding van predikanten, toelating tot de dienst van het Woord, zending, gemeenschapsoefening met kerken van eenzelfde belijdenis in ons land en daarbuiten.
Als wij zeggen, dat besluiten van meerdere vergaderingen zullen gelden voor de gemeente - en dat zeggen wij, zij het niet zonder een “tenzij" - dan behoort dat "gelden" voluit tot de verantwoordelijkheid van de ambtsdragers, aan de gemeente gegeven. Zo is het naar de Schrift; een andere instantie is er niet, want de kerken hebben Zich in verband gesteld, luisterende naar de Schrift.
Daarmee staan wij voor de vraag, op welke wijze aan deze verantwoordelijkheid vorm wordt gegeven in de verhouding van de gemeente tot het kerkverband.
Men heeft wel gesteld, dat de ambtsdragers de besluiten van meerdere vergaderingen bij voorbaat voor hun rekening nemen: wat de synode heeft besloten heeft de kerkeraad besloten. Deze gedachte wordt meestal verdedigd met een beroep op de Kerk als Lichaam van Christus, op de bede om de leiding van de Heilige Geest aan de meerdere vergaderingen en op het onderling broederlijk vertrouwen.
Het is duidelijk, dat hier de plaatselijke kerk als zender, wordt vereenzelvigd met de afgevaardigde als gezondene en wat de verantwoordelijkheid van de afgevaardigde als lid van de vergadering functioneel met meer wordt onderscheiden van die der ambtsdragers.
Men onderscheidt op zijn best formeel, maar laat het. onderscheid niet functioneren. Door af te zien van toetsing van de inhoud der genomen besluiten, dragen de ambtsdragers feitelijk hun bevoegdheid over aan de meerdere vergadering; de wachters dragen de wacht over. Ze zijn echter geroepen om zelf de ogen open te houden.
Dat is geen wantrouwen jegens de broeders die werden afgevaardigd, maar beleving van de eigen, onvervreemdbare ambtelijke opdracht. Waar mensen elkaar vertrouwen, terwijl zij weten van hun zonde en beperktheid, zoeken ze geen wegen om de ogen te kunnen sluiten, maar wekken ze elkaar op, liefdevol op elkaar toe te zien. Dit betekent, dat de geldigheid van de besluiten van de landelijke vergadering gefundeerd behoort te zijn in een zelfstandige daad van de ambtsdragers der gemeente.
De oude kerkorde noemde dit "voor vast en bondig houden".
Ons akkoord spreekt van "bekrachtigen". In de wandeling, het "ratificatierecht".

Hebben we nu, ondanks onszelf, de gemeenschapsband van gemeente en kerkverband, toch niet losgemaakt? Als het ratificatierecht toekomt aan de kerkeraden kunnen zij immers ook niet-bekrachtigen? Verslindt zo de vrijheid de gemeenschap niet, vreesachtig als wij waren, dat gemeenschapshandelen de vrijheid zou verstikken?
Zeker niet.
Want bij de oefening van hun bevoegdheid om te ratificeren, binden de plaatselijke ambtsdragers zich aan de normen, waarin het kerkverband is gefundeerd en waarin het gestalte krijgt: het Woord van God en de overeengekomen regels van akkoord.
Zó toetsen zij.
De kerkeraden vertrouwen de broeders afgevaardigden wel; hebben zij deze niet zelf gezonden? Zij belóven te zullen bekrachtigen, ze zijn positief. Maar ze hanteren een “tenzij”. Ze mogen immers ter wille van de gemeente, die van Christus is, de broeders niet liever hebben dan hun Heer. Als er strijdigheid is met het Woord, of ook met het overeengekomen recht, dan mogen zij niet bekrachtigen. Daar zijn ze ambtsdragers van de gemeente voor.
Ze weten zich bij de voortduur gebonden aan dezelfde normen als de vergadering van afgevaardigden, die ze met de zusterkerken in het leven riepen. Dat is wezenlijk gemeenschap. Gemeenschap aan het Woord. Dat is ook trouw. Trouw aan het overeengekomen recht.
Zodoende is er zegen. De broeders zien elkaar. Hielden ze de ogen niet open?
“Voor vast en bondig houden”, dat is gemeenschap. “Tenzij”, dat is vrijheid.
Zegen is het als je leert inzien, dat “bekrachtigen” vrijheid en het “tenzij” gemeenschap is.
Alle gezag is Woord-gezag: het dient.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief