Welk een vriend … ben ik?
2012-03-31
Geliefd zijn de liederen die Jezus als onze vriend bezingen. ‘Amen, Jezus is mijn vriend’, leren we de kinderen zingen en hoe vaak zingen we niet over aardse vrienden die falen, ‘maar nooit een vriend als Jezus is’. Hier wordt ongetwijfeld een Bijbelse waarheid bezongen. - Jaargang 56
- nummer 7
Toch zet de Bijbel een ander en verrassend accent bij de vriendschap tussen God en mensen. Een accent dat confronterend is en tegelijk ook bijzonder verfrissend en bemoedigend als het gaat om onze roeping in deze wereld. Toen Jezus dit vlak voor zijn sterven aan zijn leerlingen vertelde, was dat geen oude vertrouwde waarheid, maar een onthulling: Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. (Johannes 15:15)
Oude vrienden
In het Oude Testament worden Abraham en Mozes vrienden van God genoemd. Het bijzondere accent van deze vriendschap is niet dat zij in God een machtige vriend hebben, maar dat zij als vrienden veel mogen betekenen voor God. Niet dat zij een vriend hebben, maar dat zij een vriend zijn! Een eretitel. En zo hebben Abraham en Mozes zich ook gemanifesteerd. Abraham, die als een intieme vriend de Almachtige vrijmoedig aanspreekt op diens voornemen om Sodom en Gomorra te verwoesten. Mozes, die God zelfs tot de orde roept na zijn primaire reactie op de zonde van het volk met het gouden kalf. En evenzo spreekt Jezus over de vriendschap van zijn leerlingen: Hij heeft hen volledig in vertrouwen genomen door hen alles bekend te maken wat Hijzelf van de Vader heeft gehoord. Hij heeft met hen zijn diepste verlangen gedeeld, zijn passie om het werk van de Vader te voleinden en dat is: verloren mensen bij de Vader thuisbrengen.
Om stil van te worden
Het zal je maar gebeuren dat je als jongste werknemer binnen een multinational bij de president-directeur wordt geroepen en dat hij vanachter zijn bureau met uitgestoken hand op je toestapt en verklaart dat hij jou in zijn vriendenkring wil opnemen. Met een uitnodiging voor je vrouw en kinderen voor een gezellig etentje bij hem thuis. De hoogste baas, die omgaat met de machtigen der aarde, heeft behoefte aan jouw vriendschap. Voor hem persoonlijk en voor zijn bedrijf. Daar ga je vanbinnen door groeien en wat een stimulans is dat voor je werk – want je gaat je niet meer inzetten omdat het je taak is en je je loon waar moet maken, maar je gaat jezelf geven omdat het gaat om het bedrijf van je vriend! Zoiets en dan nog machtiger hebben de leerlingen meegemaakt toen Jezus, hun Heer en God zelf, hen tot zijn vrienden verklaarde.
Gods behoefte
Het is stimulerend en bevrijdend om hierover door te denken.
Het was voor mijzelf nog maar kort geleden een ontdekking om het liefdegebod te horen vanuit het verlangen van God. Ik hoorde het tot dan vooral vanuit het gebod en de verplichting: Gij zult liefhebben … Maar dit woord van de Heer opende mijn ogen en mijn hart voor het verlangen van de drie-enige God naar ons mensen. De heilige en almachtige God is gesteld op onze vriendschap. Hoe kostbaar zijn we dan in zijn ogen. Niet te geloven. Hier begin ik ook met mijn hart te begrijpen dat deze volmaakte liefde de vrees uitdrijft (1 Johannes 4:18). Te meer omdat deze vriendschap uit genade door de Heer wordt gesteld: Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie (vs. 16). Een vriendschap waarvoor Hij zijn leven heeft gegeven (vs. 13). Zoveel liefde maakt je klein én maakt je sterk, zoals het gezang het raak verwoordt: Dit breekt mijn trots. Waar zou ik nog op bogen? Ik lig in ‘t stof, maar God komt mij verhogen, nu ik van vijand Gods en tegenstander in vriend verander. (Gezang 177:5 Liedboek van de Kerken)
Voor alle gelovigen?
Misschien dat iemand zich afvraagt of en in hoeverre wij dit woord aan de leerlingen toen ook op de latere gelovigen en onszelf mogen betrekken. Om twee redenen ben ik geneigd deze vraag positief te beantwoorden. In de eerste plaats is het Johannes, die in zijn brief de latere gelovigen trekt binnen de kring van de intieme gemeenschap met God (1 Johannes 1:3) en die expliciet bevestigt dat de gelovigen deel hebben aan de zalving die hen alles naar waarheid leert (1 Johannes 2:27). In de tweede plaats is het een vriendschap die ook de leerlingen wel waar moesten maken. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg, vs. 14. Ook voor ons geldt dat deze vriendschap met de Heer moet blijken in de praktijk van ons leven. Een eretitel die verplicht.
Nieuwe blijdschap
Ik noemde deze vriendschap met God daarom ook confronterend.
Zijn we ook in het geloof niet erg op onszelf gericht, waardoor het geloof ons leven een meerwaarde mag geven en rust en comfort in onze tijd vol dreiging en onzekerheden?
God mag voorzien in onze behoefte aan een trouwe en machtige Vriend. Maar de vriendschap die de Heer verlangt, kent dat andere accent: dat ik als vriend van Jezus met Hem gericht ben op het doen van de wil van de Vader. Dat ik mij vereenzelvig met zijn verlangen en missie om verloren zonen en dochters bij de Vader thuis te brengen. Is dat niet het vruchtdragen dat de Heer in zijn onderwijs van hoofdstuk 15 bedoelt en belooft? En wijst dat niet een weg naar de blijdschap van God zelf waarin wij mogen delen (vs. 11)? Wat een bevrijdend en stimulerend perspectief: wij vinden onze bestemming in het mogen zijn van een vriend van deze God!
Ton Vos is predikant van de NGK Assen en lid van de redactie van Opbouw.