Toetsing of bekrachtiging (1)

1979-03-23
  • Jaargang 23
  • nummer 12
Tijdens de laatstgehouden Landelijke Vergadering heeft de vraag naar de rechtsgeldigheid van de besluiten van regionale en landelijke vergaderingen de afgevaardigden langdurig en herhaaldelijk bezig gehouden.
Het ging daarbij om de vaststelling van art. 34 van het Accoord van Samenleven, dat momentee1 in de maak is. Natuurlijk hadden daarvoor de kerkeraden en de regionale vergaderingen zich over deze vraag ook reeds beraden. Uiteindelijk is een beslissing gevallen, zij het na Houden voor is niet: maken veel moeite en herhaaldelijk beraad.
Zij zal vanwege het belang dat men aan deze kwestie hecht ter definitieve beslissing staan aan een Landelijke Vergadering, die rechtstreeks door alle kerkeraden zal zijn samengesteld en die in mei staat gehouden te worden. Er is daarom alle reden voor aan deze zaak enige bizondere aandacht te schenken. 1)

De vraag in geding is deze: Hebben de besluiten van de regionale en landelijke vergaderingen pas rechtsgeldigheid nadat zij door de kerkeraden zijn bekrachtigd - men noemt dit ook wel geratificeerdof hebben ze rechtsgeldigheid als zodanig, genomen als ze zijn door een wettige, door de kerken samengestelde vergadering, altijd uitgezonderd het geval dat strijdigheid met Gods Woord of het Accoord van Samenleven wordt bewezen?
De voor deze zaak benoemde Commissie heeft sterk geijverd voor de eerste gedachte: de bedoelde besluiten moeten door de kerk bekrachtigd worden eer ze rechtsgeldigheid bezitten. Zij en anderen hebben zich daarbij beroepen op de tijd van de Vrijmaking, nu reeds ruim dertig jaren geleden, een argument dat vanzelfsprekend de gemoederen toesprak. Er is dan ook zij het na veel moeite in deze geest een voorlopig besluit gevallen. Deze bekrachtiging is uitdrukkelijk opgenomen in het - nieuwe - artikel 34, dat het vroegere bekende art. 31 moet vervangen.
Het beroep op de tijd van de Vrijmaking was in die zin terecht dat men toen in onze kerk vrij algemeen van gevoelen was dat zulk een bekrachtiging van besluiten van meerdere vergaderingen 2) door mindere een wettige zaak was.
Vooral prof. P. Deddens heeft getracht deze gedachte ingang te doen vinden. Hij wijdde daar o.m. twee geschriften aan, waarvan een de rede bevat, die hij heeft gehouden bij zijn aanvaarding van het ambt van hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen in de vakken kerkgeschiedenis en kerkrecht. 3) Daarin ondersteunt hij zijn principiëel betoog met voorbeelden uit de eerste tijd van de Gereformeerde kerken in Nederland.
Eveneens met een beroep o.m. op Calvijn en de grootmeesters van het Gereformeerde kerkrecht Voetius en Rutgers. Hij onderscheidt daarin scherp de toetsing van de besluiten van de meerdere vergaderingen van de daarop volgende ratificatie en deze laatste beschouwt hij als een integrerend deel van de rechtsvorm inzake de geldigheid van deze besluiten. Hij is van mening dat deze gedachte ligt opgesloten in art. 31 van de toen geldige kerkorde.
Dit artikel zegt: 't gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods enz.
Nu moet van dit artikel gezegd worden dat het wel spreekt van voor vast en bondig, d.i. voor bindend of geldig houden, maar niet van voor bindend máken. Een beroep op de Latijnse tekst kan hier niet baten, want zij is zoals Deddens zelf opmerkt niet de oorspronkelijke, hoewel daarom nog niet
zonder betekenis, en in de tweede plaats behoeft de Latijnse uitdrukking ratum habere nog niet rechtsgeldig maken te betekenen, maar is de vertaling: voor rechtsgeldig houden evenzeer mogelijk. Maar zoals gezegd, de Nederlandse tekst is de oorspronkelijke. De uitdrukking voor . . .. houden heeft de betekenis van: als zodanig beschouwen, als .... rekenen. Het woordje "zal" slaat niet op de toekomst, maar duidt de regel aan.
Wat in dit art. 31 wordt gezegd, vertoont gelijkenis met wat in de geloofsbrieven staat, die aan de afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen werden meegegeven.
Een vaste, stereotype vorm hebben deze geloofsbrieven in de eerste tijd van de Gereformeerde Kerken nog niet, maar wel lijken ze in vele opzichten op elkaar. Zo komt er meestal in voor dat de afgevaardigden de opdracht hebben te handelen overeenkomstig de norm van Gods Woord en van de opbouw der kerk. Meermalen wordt dit gesteld als voorwaarde voor instemmen met de genomen besluiten, vgl. het "tenzij" van art. 31! Deze beloften van instemmen - vgl. het voor vast en bondig houden van art. 31 - wordt in verschillende bewoordingen gegeven. We vinden de belofte om tevreden te zijn met hetgeen besloten zal worden, zich daarnaar te zullen voegen, daarin te bewilligen, dat goed te keuren en van waarde te zullen houden. Ook komt een enkele maal de belofte van onderwerping voor. Soms worden verschillende woorden tezamen gebruikt. Zo geeft de classis Edam de afgevaardigden naar de Dordtse Synode van 1578 de belofte mee te zullen approberen, acquiescieren (toe te stemmen) en te ratificeren hetgeen zij naar Gods Woord enz.
gedaan of gelaten zullen hebben, "zonder enige tegenspraak bij ons daartegen voor te behouden",4) Het is de enige keer dat ik hier het woord "ratificeren" tegenkwam.
Dat het echter in een los spraakgebruik voorkomt naast de woorden goedkeuren en toestemmen, zegt toch wel iets voort de betekenis ervan.
Die is nog niet strikt juridisch bepaald alsof het onderdeel van de rechtsvorming der besluiten zou zijn. Hetzelfde geldt trouwens voor een woord als approberen. Zo bepaalt de provinciale synode vna Overijssel van 1609 dat ieder particulier dienaar in elke classis de Geloofsbelijdenis en de Catechismus zal doorlezen ende approbirn, Deze golden toen reeds lang als de officiële belijdenisgeschriften van de kerk en behoefden niet meer door de afzonderlijke predikanten geldig gemaakt te worden. Approberen betekent in dit verband gewoon er mee instemmen, ze voor goed achten, zich er aan houden. Wie dit weigerde, verloor zijn ambt!
Met wie "niet wil approbirn, samen procedirn als behoeren sall" (zoals behoorlijk zal zijn). Zo spreekt en handelt men niet als het om de rechtsvórm gaat, wel als er van rechtsgeldigheid sprake is.

We moeten ons over het vlottend spraakgebruik in deze tijd - 1571-1620 - niet al te zeer verwonderen.
Het gereformeerde kerkrecht wordt dan nog in de praktijk gevormd, wel in aansluiting aan andere landen maar toch zelfstandig.
De kerken vinden het niet kant en klaar voor zich, ze zoeken hun weg nog in kerkrechtelijk opzicht. Wel vanuit bepaalde beginselen, maar toch zoekend en tastend, soms met vallen en opstaan en dit in veelal nog ongeordende situaties, onder veel tegenkanting soms of onverschilligheid.
Vandaar dat de toepassing van de beginselen niet altijd volledig kon worden doorgevoerd en ook wel eens verschillend uitviel. Vooral in den beginne kon men niet doctrinair optreden, trouwens, het zou moeilijk zijn uit te maken, welke DE doctrine was, schrijft dr H. Schokking in zijn proefschrift De leertucht in de Gereformeerde kerk van Nederland 15770 en 1620, pag. 49. Daarom is het werken met een enkel citaat uit deze tijd een riskante, zo niet onbetrouwbare zaak. We moeten zoeken naar de algemene lijn en bedenken dat we niet te doen hebben met een uitgebalanceerd kerkrecht.
Alles is nog in beweging, het reformatorische leven zoekt zich nog in bepaalde vormen te uiten, al zijn er gelukkig wel vaste beginselen, waaraan men onverzwakt vasthoudt als b.v. dat de ene kerk niet over de andere zal heersen, noch de ene dienaar over de andere. Zulk en beginsel was ook dat het Woord van God boven alles staat en dat geen kerkelijk besluit, dat daarmee zou strijden, moet gehouden worden.
Geen uitgebalanceerd kerkrecht dus, wel een geestelijke orde, die het heil der kerken beoogde.
Het ging de kerken in haar besluiten om de opbouw der kerk en de "ere Gods", om de verbreiding van het heilig evangelie, zoals verschillende geloofsbrieven het uitdrukken.
De besluiten der meerdere vergaderingen waren geen autoritaire beslissingen van boven af, maar werden zorgvuldig voorbereid in de mindere vergaderingen en werden door deze geaccepteerd naar gelang de omstandigheden waren, d.w.z. met een zekere vrijheid, die soms wijzigingen meebracht, of ook door plaats en situatie geboden aanvulling.
De meerdere vergaderingen waren immers geen hógere besturen, maar organen van de kerken zelf. Van juristerij als wij in de zestiger jaren hebben ondervonden is in deze tijd geen sprake.

1) Dit artikel en de er op volgende werden geschreven en ingezonden voordat de artikelen van de heer C. Huizinga: Omtrent het kerkverband in Opbouw verschenen.

2) Ik blijf voor het gemak deze term meerdere en mindere vergaderingen gebruiken.
Meerdere is echter niet: hogere, en mindere niet: lagere.
3) De ratificering der besluiten van meerdere vergaderingen. Deze rede werd uitgesproken op 28 jan. 1948.

4) Ik citeer hier en in het vervolg de besluiten van Provo Synoden uit de Acta van Reitsma en Van Veen, alleen met opgave van de data.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief