De toekomst van de arbeid
1979-03-23
Onderstaand artikel vormt de inleiding op het referaat dat Prof. dr J. G. Knol zaterdag 31 maart op de jaarvergadering van de persvereniging "Opbouw" in Utrecht hoopt te houden.- Jaargang 23
- nummer 12
Op verzoek van de redaktie maak ik in het onderstaande enkele opmerkingen in het verlengde van het verhaal dat ik op de jaarvergadering van "Opbouw" hoop te houden. Ik maak die opmerkingen vooral met het oog op hem of haar die het allemaal niet zo goed ziet zitten met de economie en met de arbeid. De groei is er uit; we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. En de techniek schrijdt maar voort; met de gewone mens wordt geen rekening gehouden, laat staan met de komende generatie. Ik denk dat vele van ons het niet zien zitten. De directe zorg is om werk te houden en voor de schoolverlaters zo gauw mogelijk werk te krijgen. En studeren leidt in vele gevallen op voor de W.W., zo kan men wel horen verluiden.
.Nu hebben de gelovigen altijd een soort uitlaatklep.
Het arbeiden is eigenlijk niets anders dan het volvoeren van de cultuurtaak ter ere Gods, En als men geen werk heeft, dan zegt het geloofsstandpunt dat je leven dan nog niet zinloos is. Ik vind dit wel een standpunt, maar ik heb zo de idee dat men daar veel mensen mee wegjaagt uit de sfeer van het geloven. Men ervaart dit veelal als een uitvlucht omdat men geen raad weet met het schandaal van de werkloze mens.
Op dat punt heeft het marxisme ons overtroefd. In het marxisme is de arbeid de worsteling van de mens met de natuur en in deze strijd verwerkelijkt de mens zich zelf. Alleen in het kapitalisme is het fout gegaan omdat daar de arbeidende mens zichzelf moest verkopen voor geld. Maar waar de uitbuiting zal zijn verdwenen, waar het ware socialisme zal zijn gerealiseerd, daar is de mens pas ten volle arbeider.
Nu kan men direct reageren en wijzen op het goddeloze van het marxisme en ik ben het daar in dit geval met U eens. Maar let U nu eens op het fundamentele andere gezichtspunt.
De mens kan pas tenvolle een zinvolle arbeider zijn in een bepaalde maatschappelijke orde. In dat geval het socialisme. Maar wat zetten wij hiertegenover? Wij hebben amper een idee van een blauwdruk. En veelal is het niet meer dan een mengsel van liberalisme en sociale ethiek!
In het marxisme is het onderscheid tussen arbeid in de zin van het vervaardigen van goederen en arbeid in de vorm van "vissen" verdwenen. Omdat beide activiteiten zijn opgenomen in een soort ”heilsplan" van de bezig-zijnde mens.
Maakt U zich niet bezorgd dat ik op de jaarvergadering een loftrompet steek op het marxisme. Maar ik wil wel dat U nadenkt over Uw houding t.o.v. de arbeid.
Arbeid is bezig-zijn in de samenleving en gericht op behoeften. De behoeften in de samenleving bepalen in wezen of er voor de mens arbeid is.
En dan bedoel ik niet in eerste instantie de behoeften aan goederen. En ik ben helemaal niet van plan om nog eens uitvoerig naar voren te brengen dat we niet zo moeten groeien. Want daar gaat het mij niet om.
Daar weet U trouwens voldoende over.
Maar dan bedoel ik de behoefte naar een economische orde, behoefte naar een bepaalde samenleving waarin de beschikbare middelen op een bepaalde wijze worden verdeeld.
Ik zou de volgende stelling willen poneren: er zal altijd zinvolle arbeid zijn naarmate wij bereid zijn om hiervoor offers te brengen.
Nu ga ik op de jaarvergadering geen uitgebreid economisch betoog houden. Ik wil vooral wat punten aanroeren in verband met een bepaald idee.
Uit de Schrift weten we dat er energieën van dwalingen zijn en zullen komen. We moeten daarom maar niet teveel verwachten van "wereldse oplossingen". (Niet ieder voorstel van een socialist is daarmede een "werelds" voorstel.) Maar wij hebben vooral te maken met onze jeugd en onze. toekomst. Als er in het \gewone productieproces voor onze mensen geen plaats meer is omdat er gewoon niet voldoende werkgelegenheid in de samenleving is, zijn wij dan, van plan als christelijke gemeenschap hieraan iets te doen.
Er zal altijd zinvolle arbeid zijn. Maar zinvolle arbeid moet beloond worden, ook als deze arbeid geen materiële waarde oplevert!
Nogmaals, de vraag naar de toekomst van de arbeid is primair een vraag naar de inrichting van de economische samenleving. Voor de economist is de kwestie van belang in zoverre de vraag naar de toekomst van de arbeid alleen kan worden beantwoord door de economische machtsverhoudingen in het beeld op te nemen.
Maar ook voor de gelovige is de vraag naar de toekomst van de arbeid van belang. De economische orde kunnen wij als gelovigen, niet zonder meer veranderen.
Maar wij kunnen wel als levende geloofsgemeenschap, aan de wereld laten zien dat wij onze jeugd in de toekomst in staat willen stellen om zinvol bezig te zijn in de dienst aan de medemens. Hetzij in het productieproces, hetzij in de directe dienst aan de naasten.
In het bovenstaande wat korte opmerkingen. We zullen ook hierin tastenderwijs een antwoord moeten proberen te vinden op de vraag naar wat God wil dat wij met Zijn Schepping en met Zijn arbeidende schepsels doen.