NOODWONING

1979-03-23
  • Jaargang 23
  • nummer 12
Er was eens een burgemeester die, in de armelijke jaren twintig, een al te kostbare ambtswoning moest inruilen voor een eenvoudig huis. Zijn gemeentebestuur had daartoe besloten en de burgemeester gebruikte elke gelegenheid om te protesteren. Het baatte hem niet. En toen de sobere woning, in de wandelgangen "noodwoning" genoemd, klaar was prijkte er een door de burgemeester bestelde gevelsteen op. Met de naam van zijn noodwoning. In het latijn gesteld heette het huis jaren lang Vi Coactus, door nood gedwongen. (Men zegt dat de werklui, die geen latijn maar wel 's burgemeesters voorkeur kenden, de naam Vief Cognacjes vertaalden.) Later is de gevelsteen door een nieuwe burgemeester gladgestreken.

Een zaak om over na te denken, niet waar? Want we krijgen allemaal wel eens een woning, die ons wat te sober voorkomt voor onze persoonlijkheid.
We zouden wel wat ruimer willen zitten, of in een wat netter buurt, of in wat zuiverder natuur, of dichter bij werk en school en kerk, of vult u maar aan. En als we ons huis een naam geven wordt daarin vaak de wens naar beter uitgedrukt. We zagen eens een woninkje, dat "'t Kan net" heette: de bewoners zagen dat het sober was maar schikten zich er in. Het kon net. Als het Fries was geweest zou het onvrede hebben uitgedrukt.

Een ander simpel huisje ergens heette "Helemaal Vrij". Ook een positieve waardering. Vrij van buren, vrij van iedereen, vrij van overlast? Vrij van hypothecaire schuld misschien? Het kan van alles betekenen. En een patrimoniumhuis is dikwijls versierd met de naam Rehoboth - tot zover heeft de Heere ons geholpen. Of ongelovigen ook hun hoofd mochten schudden over die karige hulp, dat maakte de dankbaarheid van de bewoners niet minder.

In Vierhouten staat een eenvoudig huis met de naam Havila. Als u die naam in de Bijbel zou opzoeken, komt u hem al gauw tegen en u weet dat u op de rand van het paradijs zit. Net er buiten - maar toch. Een andere Bijbelse naam, die u in het vroeger arme Drenthe tegenkwam, luidt Succoth, wat niet meer dan Hut betekent: een primitief onderkomen, maarin het geloof dankbaar aanvaard. En iemand, die zijn huis een deftige naam wilde geven, koos voor Domus Temporalis, tijdelijk huis, als ik het wel heb. In al deze gevallen ligt een gedachte uitgedrukt: het kon beter, maar zo gaat het ook, het is maar tijdelijk.

Weet u wat ook een noodwoning kan zijn? Het vakantiehuis, de befaamde tweede woning! Hier in dit land kan men nauwelijks geloven, dat zeer vele Nederlanders een tweede woning bezitten; een huisje voor zon- en feestdagen, mede door de fiscus gefinancierd. Maar de feiten zijn er om eerlijk te vermelden. En al staat er ook het afgedankte meubilair van de eerste woning in, al wordt het oude servies opgebruikt en het halfsleetse linnengoed - men behelpt zich gaarne en dankbaar en geniet van zulk een "noodwoning": niet bedoeld voor permanent gebruik, maar met weinig middelen toch een comfortabel hutje op de heide.

Jaren geleden mochten wij uit onze spaarpot zo'n hutje op de heide opzetten.
Wat waren we er blij mee! 't Kon net. En het ding moest een naam hebben, zeiden de dochters. Dreimädlerhaus was veel te weids - we moesten de letters trouwens zelf schilderen. Dus loofden wij een prijsvraag uit voor een naam van ten hoogste zes letters, die het wezen van de zaak nauwkeurig zou aanduiden. Het is "Harem" geworden en u mag raden waarom, maar geen boze vermoedens alstublieft.

Eenmaal zag ik, fietsende bij Beverwijk of daaromtrent, een piepklein huisje, waar de raadselachtige naam Sa Noflik op stond. Kilometers lang dacht ik erover na. Sanoflik? Sanovit? Sano is gezond - maar wat is flik? Nabij IJmuiden schoot me een Fries versje te binnen: ,,'k Woe foa gjen goêne dat 'k nou te sliepjen lei, 't is my sa noflik hier oppe dei". Dat is geen Gaelic maar ons bloed-eigen Fries. En toen wist ik het weer: Sa Noflik betekent: zo genoegelijk. Voelt u, er zit het woord genoeg in.

En een van onze vrienden, die de goed vaderlandse naam Top voert, noemde zijn vakantiehuisje, op de blanke top der duinen gelegen, Toppunt!
Leuk?

Zo. Maar u gelooft toch niet dat we door blijven babbelen over leuke namen voor leuke noodwoninkjes? Daar zijn onze kolommen te goed voor. We moeten nu toch even tot zaken komen. Want wat is het geval?

Daar wonen wij, buitenverbandse gereformeerde lot-, soort- en tijdgenoten, samen in Gods huis. Het is een tijdelijk huis - iemand schreef me het woord "noodwoning" - maar we willen er toch graag een náám aan geven. Een naam, die ons onderscheidt van anderen. Een naam, die buren en voorbijgangers duidelijk zal maken, dat wij het zijn die hier wonen. Wij met onze geschiedenis achter ons. Wij met onze pretenties van heden. Wij met onze toekomst voor ons. Wij, die krachtens Kuyper's beginselen van souvereiniteit in eigen kring een naam op onze gevel wensen, die de wereld tot verwondering moet brengen, tot bezinning, tot inzicht zo het mogelijk ware.

Die naam zal een klinkende naam zijn. Een naam immers, die tot in de registers van het departement van Justitie zal doorklinken. Een naam, die krachtens ons Burgerlijk Wetboek onze rechtspersoonlijkheid voor het openbare leven zal aanduiden, voor koningin en vaderland. Een naam ook, die indruk zal maken op onze tegenpartij.

Daarover is discussie gaande. En dat zal allemaal best bedoeld zijn. Daarin zijn veel punten aanwezig, die hout snijden. Maar één punt moeten we, lijkt mij, wel in het oog houden. Dat ons kerkelijk huis een noodwoning is, een zeer tijdelijk onderkomen. Er drukt weliswaar geen hypothecaire last op, maar alleen omdat het huis niet van ons - maar Gods huis is. De kerk is een geloofsstuk. We moeten het maar geloven. De kerk is niet zichtbaar, nauwelijks aan te duiden, maar wel in het koninkrijk der hemelen geregistreerd. En willen wij "ons" huis van een naam voorzien, dan moeten we ons vreemdelingschap niet vergeten.

Want willen we ons druk maken over de naam, die we op het huis van de Grote Baas willen schilderen, dan zullen we met de wensen van onze Huiseigenaar rekening dienen te houden. Hij moet het goed vinden - of anders kunnen we op een dag onze naam wéér kwijt, zijn. Gesteld immers dat het beginsel van die soevereiniteit in eigen kring juist is - dan is in de kring van Gods huis toch eigenlijk maar een Souverein. En dat zijn niet wij, noch onze classes, noch onze landelijke vergaderingen, noch onze ossen, noch onze ezels.

In zijn onlangs hier besproken boek "Amsterdamse Emigranten" wees dr J. Stellingwerff er op, dat ds H. P. Scholte het einde van het constantijnse tijdperk zag. Wat is dat constantijnse tijdperk? Dat is het tijdperk, waarin - krachtens de wil van Constantijn de Grote, de eerste christenvorst - de ondergrondse kerk in het daglicht gesteld werd, door de staat erkend, op haar troon gezet, begunstigd, beweldadigd, bescherm en ... onder de duim genomen. Van dat ogenblik af bouwde de kerk kerkgebouwen, kerken met torens, kathedralen. Zij verkocht schuldvergeving voor geld en bouwde gouden altaren. Zij steunde elke wereldlijke regering, in ruil voor zeer wereldse voorrechten. Ze genoot wettelijke zondagsrust in vele staten. Op haar tempelpoorten schreef zij "Huis Gods en poort des hemels", het liefst in het latijn, dat klonk nog meer geloofwaardig. En de paupers, die van honger niet wisten wat ze deden, kochten zich een plaatsje in de toekomstige wereld met hun duiten. Ze dachten kathedralen ter ere Gods te bouwen - maar het waren vaak torens van Babel.

Dat constantijnse tijdperk, waarin de kerk een wereldse grootheid betekende, is voorbij. Sommigen zeggen zelfs dat we al in het post-christelijke tijdperk leven. Toen ds Scholte destijds voor de kerk van Utrecht een naam aanvroeg, door de overheid te bepalen, was Wormser diep teleurgesteld in zijn vriend. Hij meende dat hiermee de afscheiding op dood spoor was gekomen. Hij eiste de oudste rechten voor de kerken der afscheiding op. Maar Scholte zag de vergankelijkheid van deze kerkelijke verschijningsvorm. Hij herkende de "aardse machten", die hij niet begeerde, aangezien die al ras verloren gaan. Het was hem geen zorg, welke naam de overheid aan de afgescheidenen wilde geven. Hij zag terecht, dat de mobilisatie der gelovigen een geestelijke is, een lichaam welks hoofd Jezus Christus is; zulk een lichaam vraagt geen gunsten aan wereldlijke machten. En zeker wenste hij geen gunst van een overheid, die de Nederduitse Hervormde Kerk tot staatskerk had verheven. Hij wenste niet dat de kerk van Utrecht in de bank naast de grote hoer zou worden geplaatst.

Scholte was zijn tijd vooruit, maar had hij ongelijk? Zegt ook de Schrift niet dat het zweren bij de tempel een kwade zaak is? Christus' profetie, dat van die verafgode tempel geen steen op de andere zou blijven, is hem als godslasterlijk afgenomen; maar zeventig jaar later kwam de profetie wel uit.

De kathedralen zijn de ware kerken niet. En ook onze kerkgebouwen dragen de naam "kerk" geheel ten onrechte. Zelfs de plaatselijke gemeenten vormen nog maar noodwoningen voor des Heeren vrijgekochten, die op reis zijn naar Sion. En in het Nieuwe Jerusalem zal geen kathedraal, geen kerkgebouw, geen tempel zijn ... want de Heere God is haar tempel en het Lam.

En móeten onze plaatselijke gemeenten (over een landelijke kerk spreken we niet, dat doet de Schrift ook niet) tot zekere datum een naam dragen - wel, dan is dat een zeer tijdelijke zaak. Een voorbijgaande zaak.

Welke naam? Die zult u van ons niet vragen en niet krijgen. Na wat dr B. Jongeling en ds J. Waagmeester terzake hebben opgemerkt (resp. Opbouw van 15 januari en 16 februari jl.) moet u in deze kolom geen betere voorstellen verwachten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief