CONCERT
1979-03-30
- Jaargang 23
- nummer 13
De kleuren aan de Westerhemel zijn nog niet vergaan, wanneer ik langs Loch Awe naar Inveraray rijd: het witte stadje aan Loch Fyne, waar ik voor een bagpipe-recital, een concert voor doedelzak, ben genodigd. De weg gaat door bossen en over een pas, slingert langs nieuwe aanplantingen, over bruisende beekjes, door scherpe bochten, langs stede rotsen. .. en dan plotseling ligt beneden aan het water het stadje met zijn vele lichtjes.
In het Argyll Hotel stuurt de vriendelijke waardin, die mijn jas aanneemt, me naar de bar. Daar neemt ieder a wee dram in, een drankje om het uit te houden.
In het zaaltje zitten nog maar weinig mensen. Ik kan dus een prettig plaatsje uitzoeken, om niet alleen alles te horen maar ook alles te zien.
Naast me komt de complete familie Maclntyre uit Dalmally zitten. Gezellig zo'n aanspraakje en je kunt nog eens inlichtingen vragen.. Want lain is een van de twee plaatselijke bagpipers van Dalmally, die jaarlijks de stoet van het oorlogsmonument naar- de kerk geleidt en die voorts optreedt bij bruiloften, winteravonden en begrafenissen.
Dan vult zich de hotelzaal ineens. Wij hebben onze bijdrage bij de deur op een schaal gedeponeerd en dat doet iedereen. Een van de beste pijpers van Argyll zal optreden: John MacDougall, die bij de laatste competitie te Oban in de hoogste klasse uitkwam. Zijn optreden zal ondersteund en afgewisseld worden door jeugdige pijpers en dansers van Inveraray.
De oude Donaid MacCallum, gepensioneerd pijper van de hertog van Argyll, opent de samenkomst: rustig pratend, wandelend, zichzelf interrumperend, vriendelijk en als een bescheiden mannetje. Maar intussen een voorname persoonlijkheid op bagpipe-gebied. Is hij niet jurylid op de jaarlijkse wedstrijden te Glasgow? Jazeker, dat is hij. En hij verwelkomt de gasten die ‘van elders gekomen' zijn, uit Dunoon, uit Lochgilphead, uit Dalmally.
Intussen komt de solist binnen en gaat zitten op de tweede rij. Hallo John, zegt de oude Donald, kom eens voor de klas en geef me een hand - de mensen willen je wel eens zien. En John komt, onder verwelkomend applaus, geeft netjes een hand (de reus in zijn machtige kilt met het royal Stuart patroon - tegenover de kleine MacCallum in de Campbelltartan) en John beantwoordt het welkom met een paar smakelijke Schotse gezegden. Dan zoekt hij zijn plaatsje weer op en Donald kondigt het eerste optreden van de plaatselijke jongerenclub aan. Jawel, acht jongens en meisjes komen binnen en stellen zich op. Hun instrumenten zijn-in de lounge al gestemd, maar voordat een bagpipe bespeelbaar is hoor je hem eventjes valt en zeurderig op toon komen. Het hoort erbij en geen kwaad woord erover.
Zo nu klinken de drones van alle acht instrumenten zuiver gelijk. Die dreunende grondtoon (drone hangt samen met dreun) zal vanavond niet meer uitsterven. Maar bóven die drones beginnen plotseling de schalmeien te spelen: met hun heldere, smijdige en verrassende klanken - in de hoge tonen scherp, in de lage week als altklarinetten. Ze spelen een paar "tunes", bekende Schotse wijzen met historische achtergrond, die aan alle liefhebbers bekend zijn. Want zoals wij de Valeriusliederen in hun omgeving weten te plaatsen, zo kent de Schot de historie van CulIoden, van Bannockburn, van de grote componisten en van de grote lijkklachten.
Ze krijgen een fors applaus, de jongelui, en maken plaats voor enkele dansparen. Twee jongens en twee meisjes voeren nationale dansen uit op de klank van de doedelzak, nu bespeeld door hun nieuwe instructeur, opvolger van Donald. De plaatselijke arts, dokter McCraig, neemt zo nodig de leiding en aankondiging wel even over; ook hij is een fervent piper. De vier jongste leerlingen geven hun eerste optreden: een tactische zet om hen over de drempel te helpen. Ook zij blazen, als alle pijpers, hun stukken uit het hoofd. Ze krijgen een aanmoedigend applaus en duiken, grinnikend van opluchting, terug op hun plaatsen.
Dan komt de grote John aan de beurt voor een solo optreden. Na een applaus en gejuich van zijn aanhangers vertelt hij rustig (en na raadplegen van een briefje) wat hij voor ons zal spelen: drie marsen, drie strathspey's en drie reels. Zegt het u wat? Een mars natuurlijk is u bekend; die kan hier zowel in de tweekwart- als in de zes-achtste-maat staan. Een strathspey behoort eveneens tot de "kleine muziek", de ceol beag, en is een populaire muziekvorm. Eveneens de reel, een kleine dansvorm; het woord' houdt met ons "rieuwel" verband, naar ik meen.
Deze nummers glijden eigenlijk zonder pauze in elkaar over. Dat is te zeggen: aan het eind van elk nummer staan John's vingers stil, de drones klinken verder en John stemt ze even bij. Maar de supporters weten feilloos het moment, waarop ze met handen en voeten hun waardering kunnen doen blijken. Waarop John, dankbaar lachend, zijn volgende bijdrage inzet. Hij staat niet stil als hij speelt - dat doet geen Highlander.
Hij wandelt onder zijn spel acht passen over het toneel, maakt pasjes op de plaats, draait in acht tellen langzaam rond en maakt feilloos op tijd weer zijn acht passen terug over het toneel. Bij het draaien zal hl] steeds in de richting van zijn publiek zien, zodat kilt en vest, instrument en pijpen, met koorden, montage en schitterende versieringen getoond worden.
Alleen bij de apotheose staat hij kaarsrecht en imposant midden voor de zaal stil. Zo gaat dat bij een bagpipe-recital: de speler speelt alles uit het hoofd en voert al spelend kleine dansbewegingen uit; want ook schrijden is dansen.
De dokter, zelf ook in kilt, kniekousen, mes, sporran en verdere versiering, kondigt de theepauze aan, stuurt de jonge spelers en dansers naar de keuken. Die komen even later terug met bladen vol thee, sandwiches, gebak en versnaperingen. Iedere gast krijgt een full round, een bordje vol bij zijn thee en waag het niet dat te weigeren, want het is alles zelfgebakken en goed spul. De dokter leidt de loterij en laat John's vrouw de prijzen trekken. Want elke volksavond, hier ceilidh genoemd wat u als keelie mag uitspreken, heeft een kleine loterij tot dekking van de onkosten. Ook ik heb aan tien lotjes moeten geloven, waarvan Ik de helft aan mijn buurmeisje Sharon heb gegeven. Ze heeft geen geluk. Een ander wint een fles whisky of een doos bonbons. En als iemand zijn getrokken nummer verzwijgt en de dokter aanmoedigt: eerlijk wezen, voor de dag ermee! roept een vrouwenstem: opnieuw trekken! Ze heeft de prijs waarschijnlijk zelf geschonken en wil die niet terug hebben. Want een Schot mag zuinig zijn, maar hebberig is hij niet.
Dan komt het tweede en voornaamste optreden van John. Nu speelt hij ceolmohr, dat is de grote of klassieke pijpmuziek. Slechts twee composities, elk wel tien minuten lang en waarschijnlijk eeuwen oud. En nu wordt niet meer gelachen, nu is alles diep ernstig. Want dit is de meesterklasse.
Met aandacht en kennis van zaken volgt men de inleiding, de vele variaties, opklimmend in spanning en techniek, tot op de kroonvariatie, de croonluath, waarna de inleidende maten het werk afsluiten. Een donderend applaus is zijn beloning.
Hoe is het mogelijk, zulk een symfonisch werk met een instrument van negen tonen op te bouwen? Dat gebeurt door een arabeskenmelodie in rustig tempo te spelen, met vele herhalingen en met telkens andere versieringen.
Die versieringen vormen het voornaamste onderdeel van de pijpmuziek. Ze zijn er in talloze soorten en moeilijkheidsgraden, van confectie tot maatwerk. Van voorslagen en naslagen af, tot complete figuren van vier, vijf of acht toontjes toe, die in een fractie van een seconde worden gespeeld - ja zo snel, dat een der knapste koppen uit de Schotse pijperswereld eens schreef: dat weergave, zoals die op papier staat, onmogelijk is.
Door de tegenstelling in klankkleur tussen de hoge en de lage tonen, door het smaakvolle gebruik van versieringen, door het oproepen van allerlei jodelende, snaterende of klokkende neveneffecten, die door de versierinasgroepen ontstaan, ook door het gebruik van bepaalde weinig gebruikelijke toonsoorten (en wel onze kerktoon-reeksen) ontstaat een borduurwerk, waarin met gouddraad een kunstig patroon wordt vastgelegd op de fluwelen ondergrond van de nimmer aflatende drones, die de grondtoon aangeven.
De orde in zulk een werk is gegarandeerd door grote maatvastheid, gesteund door een altijd bewegende voet (waarin de pijpers voor in de zaal graag meedoen, nimmer verwarrend, altijd correct steunend) en in sommige variaties door het ritmisch herhalen van een roffel op de laagste toon, die op de duur aan een slagvaardige trommel doet denken.
En nu wordt langzaam de aard van John's spel duidelijk. Hij is feilloos in zijn techniek. Zijn vingerbewegingen zijn voor het oog nauwelijks te volgen.
Maar achter die techniek komt een muzikaliteit bloot, die de luisteraar ontroert. De techniek is bij John geen doel maar middel. Elke goede pijper heeft zeven leerjaren nodig gehad en zeventig om zijn niveau te bereiken; geen wonder dat zoveel pijpers om de honderd jaar oud worden, ze hebben die tijd nodig. Maar John is in de kracht van zijn jaren, op weg naar zijn hoogtepunt. En John is muzikaal, meer nog dan de gemiddelde Hooglander. John is een meester, iemand die een zaal meeneemt naar hoogten, die op de heenreis nog niet vermoed waren. Hij geeft volkskunst van conservatorium-niveau.
Een tweede optreden van de plaatselijke jeugdband, een solo van een meiske van zestien met kilt en sjaal, hoe voortreffelijk ook, vallen in het niet bij de toegiftnummers die van John worden gevraagd. Een supporter is te laat binnengekomen. Aan zijn kleur is te zien, dat hij aan de tapkast het concert heeft vergeten. Maar hij legt zijn half pond alsnog in de schaal en haalt de achterstand in. Hij wordt door de spelende John met "hallo Neil" begroet en gaat vooraan zitten. Lachend en deinend volgt hij het spel, innig vergenoegd. Als dat maar goed gaat. Het gaat niet goed. Midden in een toegiftnummer staat hij op, geeft John te kennen dat hij een ándere reel moet spelen. John lacht en speelt rustig verder. De dokter staat op, neemt de onrustige bezoeker bij de arm en wijst hem zijn plaats.
En niemand reageert op zo'n incidentje - het had iedereen kunnen overkomen, na de derde borrel, of de vierde. Schotland drinkt te veel.
Nadat de laatste dreun is uitgestorven bedanken beide leiders alle medewerkers, de solist, de dansertjes, de gasten, de bediening, kortom iedereen behalve zichzelf. Dan nog een gezellige babbel, een waardering, een hernieuwde kennismaking en een nachtelijke terugtocht. Een half uur later heb ik een overstekend edelhert op mijn bumper en moet diep in de nacht terug om het arme dier uit zijn lijden te helpen.
Zo zijn de Hooglanden. Culturele toppunten en wereldse dieptepunten, leven en dood, een lach en een traan, alles op één avond. Een ruim land, een heerlijk land. Met cultuur, met historie, met natuur. En boven ons staat een flonkerende sterrenhemel.